Afdrukken
Details: Hoofdcategorie: Portaal Categorie: Nieuws | Gepubliceerd: 18 maart 2021

Nederlands Australisch War Memorial Canberra Phil J


They shall grow not old,

As we that are left grow old,

Age shall not weary them,

Nor the years condemn,

At the going down of the sun,

And in the morning,

We will remember them. The Fallen. Laurence Binyon.


Inleiding

De zon ging onder in Nederlands-Indië

Verwoestende Nederlandse nederlaag

De vlucht naar Australië en de risico's

Dodelijke Japanse aanvallen op Broome

De rijkdom van het Nederlands-Indische gouvernement in Australië

Greep naar de macht van de Londense regering in ballingschap

Integratie van de voormalige strijdkrachten uit Nederlands-Indië: KNIL, KPM en ML-KNIL

Degradatie van de Nederlandse strijdkrachten en herstel van de KPM

De kansen keren in de oorlog tegen Japan

Rol van de Nederlandse onderzeeboten

Rol van de Nederlandse Luchtmacht

Werkzaamheden van het KNIL en het drama op Timor

Oprichting en werk van inlichtingendienst NEFIS

De oorlog op Nieuw-Guinea

Nederland gaat deelnemen aan de strijd in de lucht

Gestage vorderingen in de strijd tegen Japan

Nederlandse vliegverrichtingen tegen de Japanse vijand

Begin van het einde voor de Japanners

Verdelen van de buit tussen de geallieerde bondgenoten

Victorie en hondderduizenden doden

Einde van de Tweede Wereldoorlog in het Pacifisch Gebied en Nederlandse verliezen

Interessante Nederlanders die naar Australië emigreerden

 


Inleiding

In een ver verleden ondernamen Nederlandse zeelieden vele tochten over de zeven zeeën. In 1606 ontdekten zij Australië (Nieuw-Holland) en werd de omgeving in kaart gebracht. De vierde bondgenoot

Nadien stichtte men meerdere vestigingen, met als culminatie de massale intocht van Nederlanders tijdens de Japanse expansieoorlog (1941-1945). Toen deze strijd beëindigd was kwamen veel Nederlandse soldaten opnieuw in een oorlog terecht.

De strijd om het gezag in Nederlands-Indië duurde tot het einde van 1949. Een groot aantal Nederlanders raakte teleurgesteld in de Nederlandse regering en de anti-militaire sfeer die in hun thuisland heerste.

Vanaf 1950 emigreerden deze mannen met hun gezinnen en masse naar Canada en Australië. Nederland heeft nooit veel interesse gehad in haar verleden. Derhalve besefte de regering niet dat met het massale vertrek van deze personen een groot verlies geleden werd. De bloem der natie vertrok om nimmer terug te keren.

De zon ging onder in Nederlands-Indië

Gedurende meer dan drie eeuwen was Nederland min of meer heer en meester in Nederlands-Indië. Aan deze periode kwam binnen acht jaar een einde door twee oorlogen. Een verloren strijd tegen het Keizerrijk Japan en een Bo Keller tank mede door geopolitieke beslissingen hopeloos gevecht tegen de tijdgeest in de eigen kolonie.

Alle onrust leidde tot twee (1942 en 1949/1950) "invasies" van Nederlanders en voormalige bewoners van Nederlands-Indië in Australië. In dit artikel wordt vooral de eerste groep behandeld. Deze mensen waren op zoek naar veiligheid maar werden, vanuit bases in Australië, ingezet in de strijd tegen Japan.

Mede doordat de geallieerden Japan olie ontzegden werd een invasie vanaf eind 1941 onafwendbaar. Het bleek een inval, waarbij de geallieerden zich niet realiseerden hoe ontoereikend hun eigen militaire mogelijkheden waren.

De bittere vruchten van een wegbezuinigd militair apparaat werden snel duidelijk. De val van Singapore, op 15 februari 1942, was de eerste windvlaag van een vernietigende orkaan die vrijwel het gehele Pacifische Gebied onder Japanse hiel zou brengen.

Verwoestende Nederlandse nederlaag

Op 10 januari 1942 werd het hoofdkwartier van het ABDA (American, British, Dutch, Australian) Commando te Bandoeng opgericht, met Sir Archibald Wavell als opperbevelhebber. Hij kreeg A.J. Lemmens at the far left with all KPM officers fase 12 op deze wijze het commando over alle geallieerde strijdkrachten in het gebied van Nederlands-Indië, Birma, de Filipijnen, Zuid-Chinese Zee en noordoostelijke deel van de Indische Oceaan.

Op 19 januari tekenden de Nederlands-Indische en de Australische regering een regeling die de evacuatie van Nederlandse vrouwen en kinderen naar Australië regelde. Spoedig zou het nut van deze overeenkomst blijken.

De Japanners wonnen de strijd om de macht in Nederlands-Indië en versloegen het Indische leger op alle fronten. De Nederlandse verliezen waren enorm. 85 oorlogsschepen (inclusief torpedoboten en hulpvaartuigen), 225 vliegtuigen en 121.000 man aan troepen gingen verloren. 

Daarnaast werden 79 schepen van de Koninklijke Paketvaart Maatschappij (KPM), de hoofkantoren en reparatiewerven verwoest. Vrijwel het gehele KNIL was weggevaagd. Inclusief plaatselijke milities en burger-, stads- en landelijke wachten.

De vlucht naar Australië en de risico's

De eerste vluchtelingen die vanaf 17 februari in Australië aankwamen waren de echtgenotes en kinderen van bemanningsleden van schepen en van piloten van de ML-KNIL (Luchtmacht van het KNIL) en Rooseboom de legerluchtvaardienst. Vlieginstructeurs met de opdracht in Australië een leger- en marineopleiding te starten namen eveneens hun gezinnen mee.

Veilig waren de evacuaties niet altijd omdat mensen onderweg van afgelegen eilanden naar Java door de Japanners vaak onderschept en vermoord werden.

Een schrijnend voorbeeld hiervan was de boot die op 2 januari 1942 bij Java getorpedeerd werd, waarna alle overlevenden in een reddingsboot doodgeschoten werden.

In februari 1942 vertrokken 23 schepen met marinepersoneel naar Australië. Slechts 12 kwamen aan; zeven schepen werden getorpedeerd en vier door Japanse matrozen geënterd.

Het grootste verlies aan mensenlevens vond plaats op 28 februari 1942, toen de Rooseboom, een 1.035 ton intereilandschip, tot zinken werd gebracht door een Japanse onderzeeboot.

De Roosenboom lag op dit moment in de Indische Oceaan en was geladen met 500 man burger- en militair personeel. De torpedo vernielde vrijwel alle reddingsboten en deed het schip direct zinken. Op vier personen na verdronk iedereen.

Een ieder van de Nederlandse bevolking in Nederlands-Indië (70.000 mannen en vrouwen) die niet wist te vluchten werd opgesloten in kampen.

Dodelijke Japanse aanvallen op Broome

Half februari 1942 begon het transport van vliegboten van de Koninklijke Marine (inclusief bommenwerpers en transportvliegtuigen) naar Broome en Port Hedland. Broome werd als centrum gekozen Broome na aanval omdat het relatief dicht bij Java was gelegen en zowel landvliegtuigen als vliegboten kon ontvangen.

Maar Broome was in het zicht van de Japanners. In de ochtend van 3 maart 1942 vlogen negen Japanse Zero's naar Broome en troffen daar 15 geallieerde vliegboten in de Roebuckbaai en een groot aantal landvliegtuigen op het vliegveld.

Binnen enkele minuten na hun bombardement stonden alle vliegboten in brand. Op de vliegboten vielen 48 Nederlandse doden, waaronder 32 vrouwen en kinderen, en 32 gewonden.

De bommen veroorzaakten daarnaast de dood van 52 geallieerde burgers en militairen. Een Liberator-bommenwerper werd ook neergeschoten, waarbij 29 van de 31 inzittenden om het leven kwamen.

Een andere Liberator, twee B-17's, drie Nederlandse transporttoestellen en een RAAF-Hudson bleken vernietigd. Vlieger Gus Winckel gelukte het een Zero neer te schieten en in zee te zien storten.

De rijkdom van het Nederlands-Indische gouvernement in Australië

Intussen trachtte het Nederlands-Indische gouvernement haar positie te handhaven. Elink Schuurman, sinds 1934 Nederlands Consul-Generaal in Melbourne, werd in september 1940 benoemd tot Oyen Ludolph H van full eerste Nederlandse gezant in Australië.

Een inkoopcommissie Nederlands-Indië, onder leiding van schout-bij-nacht F.W. Coster, was ook al enige tijd actief. Zowel Schuurman als Coster werden in maart 1942 opgenomen in de vijftien leden tellende Gouvermentele Raad van Nederlands-Indië, geleid door dr. H.J. van Mook. Een belangrijk ander lid was luitenant-generaal L.H. van Oyen, bevelhebber van het KNIL.

Minder bekend was dat veel belangrijke voormalige inwoners van Nederlands-Indië hun publieke en particuliere geld vlak voor de bezetting hadden ondergebracht in neutrale landen.

Zo ging tien miljoen gulden begin 1942 naar de Commonwealth Bank in Australië en werden diamanten meegegeven aan Ivan Smirnoff. Voor een klein deel werd met de waarde hiervan de KPM en ML- KNIL gefinancierd.

De regering in ballingschap in Londen bekrachtigde een decreet waarmee aan Nederlandse ambtenaren toegang werd verleend tot deze rijkdom, samen met garanties voor naoorlogse terugbetaling. Vandaar dat de vluchtelingen niet altijd armlastig maar rijk waren.

Greep naar de macht van de Londense regering in ballingschap

De Nederlands-Indische Gouvermentele Raad en de Nederlands Oost-Indische Inkoopcommissie kregen in de ogen van de regering in ballingschap in Londen teveel macht. Reden waarom de Londense regering zichzelf benoemde tot beslissende instantie en zich alle rechten voorbehield. 

Hiertoe trok de Londense regering de beperkte zelfstandigheid, verkregen na de bezetting door Japan, in. Luitenant Gouverneur van Nederlands-Indië Van Mook werd op 25 maart 1942 ontslagen en naar Londen teruggeroepen.

Daarnaast werden maatregelen genomen de invloed van Nederlandse ambtenaren in Australië in te perken omdat zij zich meer met Nederlands-Indië dan met Nederland verbonden zouden voelen.

Integratie van de voormalige strijdkrachten uit Nederlands-Indië: KNIL, KPM en ML-KNIL

De Nederlandse strijdkrachten (van het KNIL alleen een groep van 200 man militiepersoneel) werden onder geallieerd Commander in Chief Douglas MacArthur, gestationeerd in Melbourne, geplaatst.

De schepen en vliegtuigen van ML-KNIL (Koninklijke Nederlands-Indische Luchtvaart Maatschappij), KNIL en KPM vormden een welkome aanvulling voor de strijdkracht van de Geallieerden. Tromp syndney

De vliegtuigen werden bij gebrek aan eigen grondpersoneel, reserveonderdelen en vliegvelden direct verkocht aan de geallieerden.

De Nederlandse luchtvloot bestond indertijd uit elf Lodestars (voor USD 1.030.000 aan de Amerikanen verkocht), een Glenn Martin, twee DC2's, twee DC3's, drie DC5's en vier Lockheed 14's. Allen werden door de Amerikanen geconfisceerd.

Bij wijze van protest vlogen de ML-KNIL-piloten, die hun leven hadden geriskeerd om hun toestellen veilig van Java naar Broome te vliegen, in formatie onder de Groep KNILM in Sydney Sydney Harbor Bridge door.

Het US 21ste Troop Carrier Squadron huurde later ML-KNIL-piloten in om het grootste deel van eerder genoemde vliegtuigen te bemannen. Later, in 1943-1944, werden de Nederlandse transportbemanningen ook aan het 21ste Troop Carrier Squadron toegevoegd.

De overgebleven 39 Nederlands-Indische toestellen bracht men over naar de RAAF watervliegtuigbasis in Rathmines, bij Newcastle. Deze vloot bestond uit Ryan-lestoestellen, vijf Catalina's en zes Dorniers. Na de val van Java kwamen nog 66 gevechtstoestellen  in Australië aan. Dit waren 18 Vought Sikorsky Kingfisher verkenningstoestellen, 31 Douglas Boston bommenwerpers en 17 Buffalo-jachtvliegtuigen.

Met name de Koninklijke Paketvaart Maatschappij (KPM) was de grootste leverancier van koopvaardijschepen voor de geallieerde operaties in Nederlands-Indië. Een van de schepen van de KPM, de Janssens, zou, onder commando van kapitein G.N. Prass, grote roem vergaren.

Koopvaardijschepen van de KPM (60 in getal) werden massaal ingezet voor de aan- en afvoer van voorraden en troepen. Het schip De Oranje bijvoorbeeld, omgevormd tot hospitaalschip, transporteerde tijdens veertig vaarten meer Japanse onderzeeboot dan 32.461 zieken en gewonden. Bekende andere schepen van de KPM waren de eerder genoemde Janssens, Bantam, Bontekoe, van Heemskerk en de Van Heutsz.

De KPM was na de val van Nederlands-Indië onder beheer gekomen van de Nederlandse Scheepvaart- en Handelsvereniging, een afdeling van de regering in ballingschap in Londen. Drie centra in Londen, Sydney en Bombay leidden de bewegingen van de KMP.

De Tromp arriveerde op 27 februari voor reparaties in Freemantle. Aldaar werd zij voorzien van twee 7.6 inch kanonnen, zes 20 mm. Oerlikon-machinegeweren, radar en een antimagnetische mijnenkabel. Later deelde men haar in bij de de Zevende Vloot voor konvooidiensten.

In Australië bevonden zich na de val van Nederlands-Indië 1.350 leden van de Koninklijke Marine (KM). Zij werden tijdens de reorganisatie van de KM ingezet op de diverse schepen die de ondergang van het thuisland hadden overleefd.

Degradatie van de Nederlandse strijdkrachten en herstel van de KPM

De belangen van Nederlanders in Australië kwamen pas na die van de Verenigde Staten, Engeland en Australië en hadden derhalve geen prioriteit. De Grote Oceaan was door Amerika verdeeld in het Slag Koraalzee Zuidwestelijke Pacifische Gebied (SWPA), geleid door generaal MacArthur,  en het Pacifische Gebied, geleid door admiraal Nimitz. 

Geallieerde marine strijdkrachten, die opereerden vanuit Australië, vielen onder generaal MacArthur. De Amerikanen braken de code van de Japanners, waardoor de Slag bij Midway (4-7 juni 1942) gewonnen kon worden en alle vier Japanse vliegdekschepen vernietigd achterbleven.

Dit keerpunt in de oorlog leidde ertoe dat de Pacifische en Zuidwestelijk Pacifische commandanten offensief in plaats van defensief te werk konden gaan. Intussen kwamen de Javaanse zeelieden in opstand. Of Indië een Nederlandse of Japanse kolonie was maakte hen niet uit. "Mau pulang" ("Wij willen naar huis"). 

Een noodoorlogswet zorgde ervoor dat deze muiters "voor de duur van de oorlog" werden opgesloten in gevangenissen in Sydney en Zuid-Australië. Deze kwestie zou veel later de relatie tussen Nederland en Australië doen verslechteren.

De schepen van de KPM werden bewapend met machinegeweren, twaalfponders, brugbepantsering en demagnetisering. Van de 1.800 bemanningsleden Midway (300 Nederlandse officieren en 1.500 inlandse manschappen) waren velen ziek en uitgeput. De artsen J.P. van Leent, C.A. Adamse en J. van den Berg namen de taak op zich hier iets aan te doen, onder meer door het opzetten van ziekenhuizen. 

Er waren twee redenen waarom de koopvaardijschepen zo belangrijk waren. De eerste was de inzet om de vijandelijke opmars in Nederlands Nieuw-Guinea en de eilanden ten noorden van Australië te stoppen.

De tweede omvatte de omschakeling van zee- naar land- en luchtgevechten. Hiertoe dienden landingsbanen en bases gebouwd te worden. In deze fase speelden KPM-schepen een zeer belangrijke rol.

De kansen keren in de oorlog tegen Japan

De slag in en om de Milnebaai, op 26 augustus 1942, deed de hoop op een uiteindelijke overwinning bij de geallieerden stijgen. De RAAF had hier twee Kittyhawk-jager-eskaders gestationeerd Kittyhawk om het Australische tweede AIF te ondersteunen.

Op 26 augustus arriveerde de Japanse invasiemacht en naderde het vliegveld. Een hevig geallieerd bombardement volgde.

Toen de Kittyhawks palmbomen nabij het vliegveld aanvielen merkte een waarnemer op dat het "kokosnoten, kogels en dode Japanners regende." Japan trok zich vanaf 7 september terug van dit strijdtoneel. Het was de eerste nederlaag die het land leed van alle Japanse invasiesOndina in deze oorlog.

Fremantle veranderde in de tweede helft van 1942 in een belangrijke geallieerde marinebasis, ook voor de KM. Hier hadden de Nederlandse kruiser Tromp en Jacob van Heemskerk en torpedobootjagers Van Galen en Tjerk Hiddes hun thuisbasis.

Zij hadden eerder dienst gedaan bij de British Far Eastfleet en werden later (1942-1944) ingezet  om escortetaken uit te voeren in de Indische Oceaan.

De Nederlandse tanker Ondina boekte een vroeg Nederlands succes toen zij twee Japanse schepen die haar aanvlielen met haar schutters tot zinken wist te brengen in de Indische Oceaan.

Freemantle groeide in de loop van de oorlog uit tot de belangrijkste onderzeebootbasis van het zuidelijk halfrond. Van 1942-1945 was de haven de permanente thuisbasis voor 25 onderzeeboten. In totaal opereerden 170 geallieerde onderzeeboten vanaf Freemantle. Zij brachten meer Japanse olietankers ten onder dan alle Amerikaanse boten samen.

Rol van de Nederlandse onderzeeboten

De Nederlandse onderzeeboten, gelegen in Freemantle, waren in een slechte staat van onderhoud. De K8 werd op 27 augustus 1942 om deze reden tot zinken gebracht, om verder als KXII golfbreker voor Freemantle te dienen.

De K9 bracht men over naar de RAN. Zij werd voornamelijk gebruikt voor anti-onderzeeboottraining, diende later als olieopslagplaats en kreeg tenslotte na de oorlog een zeemansgraf ten noorden van Nieuw Zuid-Wales.

De K12 werd van Freemantle naar Sydney gevaren en gerepareerd. Hierna kreeg ze de taak speciale opdrachten, zoals het landen van agenten en kleine verrassingsovervallen op kleine eilanden, uit te voeren.

Vanaf 1942, toen ze ernstige gebreken begon te vertonen, kreeg ze de status van oefenschip. Na de oorlog volgde zonder sentiment de sloop.

Rol van de Nederlandse Luchtmacht

Nederland had vlak voor de oorlog 162 B-25 Mitchell bommenwerpers besteld en betaald. De bedoeling was nu om in Archerfield, bij Brisbane, met de uit Nederlands-Indië overgekomen manschappen Fiedeldij een B-25 eskader te vormen.

Een detachement van tachtig man, onder commando van kapitein W.F. Boot, zou de B-25's als nr. 18 squadron gaan vliegen.

De Nederlandse regering had in april 1942 al bepaald trainingsactiviteiten bij de Royal Netherlands Military Flying School (RNMFS) in Jackson, Mississippi, te laten plaatsvinden.

Toen deze school in 1942 begon waren er 572 leerlingen van over de hele wereld. In totaal ontvingen 700 Nederlandse piloten er hun opleiding. Het plan om een zelfstandig B-25 eskader te vormen bleek door diverse gebreken moeilijk te realiseren.

Aldus viel het eskader (nr. 18 Squadron), gecommandeerd door Nederlandse officieren, onder operationeel bevel van de RAAF en werd gevestigd in Canberra. De eerste commandant, vanaf de formele indienststelling op 4 april 1942, van het nr. 18 Squadron was majoor B.J. Fiedeldij.

Over dit 18 Squadron en zijn eerste commandant valt veel te vertellen maar dat is hier niet de doelstelling. De zogenaamde "Colombo-tragedie" kent vele versies. Het squadron zou op 5 juni 1942 een onderzeeboot van onbekende herkomst tot zinken hebben gebracht (hoewel dit feit door latere historici betwijfeld werd).

Het eskader werd in december 1942 naar het noorden verplaatst om strijd te gaan leveren tegen Japanners. Begin 1943 startten patrouillevluchten met Mitchells van de AAP (Aircraft and Personnel Pool). Personeel van de luchtmacht verdeelde de PEP (Personnel and Equipment Pool) later over de eenheden.

Werkzaamheden van het KNIL en het drama op Timor

Het KNIL in Australië bestond voornamelijk uit een groep van ongeveer 200 man militie, die daar al was toen Nederlands-Indië viel. Later kwamen daar kleine groepen militairen bij, die de vlucht naar Australië Timor1942 hadden overleefd. 

750 KNIL-mannen vochten samen met Australische troepen op Timor, lagen in garnizoen op Nieuw-Guinea of leverden strijd op de eilanden tussen Nieuw-Guinea en Australië in de Arafurazee.

De KNIL-garnizoenen voldeden echter aan het Nederlandse doel de restanten van Nederlands-Indië, die nog steeds in Nederlandse handen waren, te beschermen en jacht te maken op de vijand, waar mogelijk (Timor).

Toen de situatie op Timor verslechterde werd besloten de manschappen aldaar te evacueren. Hiertoe werden de Kuru en de korvetten HMAS Castlemaine en Armidale naar het eiland gezonden.

Bij vertrek van de Armidale van Timor vond een Japanse luchtaanval op het schip plaats, waarbij 37 KNIL-soldaten gedood werden, vier gewond raakten en het schip zonk.

Honderd overlevenden kwamen in het water terecht, waarvan slechts enkelen gered konden worden. 27 Australische matrozen en 20 KNIL-militairen raakten gescheiden van de groep. Van hen werd nooit meer iets vernomen.

Men stuurde nu de Nederlandse Torpedobootjager Tjerk Hiddes naar Timor om het gros van de manschappen aldaar terug te halen. In januari 1943 nam HMAS Arunta de laatste Australische soldaten van Timor aan boord.

Zij werd een maand later gevolgd door de Amerikaanse onderzeeboot Gudgeon, die een kleine inlichtingen groep, en daarmee de laatste mensen, van Timor terughaalde. Het KNIL-hoofdkantoor bleef in Melbourne.

Oprichting en werk van inlichtingendienst NEFIS

De Netherlands East Indies Forces Intelligence Service (NEFIS) was een nieuwe eenheid, gespecialiseerd in actuele inlichtingen over Nederlands-Indië. Zij recruteerde haar mensen onder vluchtelingen NEFIS patrouille uit Nederlands-Indië.

Vijftig militairen uit Ceylon, opgeleid bij de Special Operations Executive, namen informatie op inlichtingengebied met zich mee. De NEFIS bracht, om informatie te vergaren, agenten naar diverse Indische eilanden. Dat leverde ernstige verliezen op.

In september 1942 zette onderzeeboot K12 twee groepen op Java aan wal. Alle leden werden door Japanners gevangen genomen en onthoofd. Dat gebeurde ook met de personen die aan wal gezet werden op Celebes en Ambon.

Zodoende kwamen de beste inlichtingen van buiten Nederlands-Indische grondgebied. De militair attaché in China verstrekte gegevens over de troepen in Birma en China en Japanse voorbereidingen voor de Slag bij Midway.

De oorlog op Nieuw Guinea

In het begin van 1943 veroverden de geallieerden het grootste gedeelte van Papoea-Nieuw Guinea. Spoedig hierop werden een RAAF-Hudson opleidingstoestel, burgerpiloten en lichte vliegtuigen als Dragons en Moths ingevlogen. Met name de C-47 Dakota's speelden een grote rol bij de bevoorrading in het veld. De geallieerde luchtmacht beschermde de toestellen tegen de Japanners.

De geallieerde bezetting was zo'n succes dat de Japanners honger gingen lijden en zelfs tot kannibalisme overgingen. Deze kentering in de oorlog werd veroorzaakt door twee factoren.

De eerste was het Japanse verlies van vier vliegdekschepen (schepen en vliegtuigen) bij Midway. De steeds machtiger wordende Amerikaanse vliegtuigbouwindustrie bracht de vijand een tweede vernietigende slag toe. Slechts het "Europa eerst" (vliegtuigen voor de oorlog in Europa) vertraagde de levering.

Nederland gaat deelnemen aan de strijd in de lucht

Eind 1942-begin 1943 gingen Nederlanders voor het eerst deelnemen aan de strijd in de lucht. Zij vlogen met B25 Mitchells (afkomstig van Nr. 18 Squadron), P40 Kittyhawks en luchttransport om Dutch personnel beide typen te ondersteunen.

Tot hun taken behoorden verkenning van zee en eilandgebieden, dag en nachtaanvallen op Japanse vliegvelden en andere installaties en aanvallen op schepen.

Daarnaast deed men fotoverkenningen (Nieuw Guinea) en voorraaddroppings. Tussen de bedrijven door voerden de vliegtuigen luchtgevechten, onder meer boven Fuiloro (Timor), waarbij twee Japanse jagers neergehaald en een vliegboot beschadigd werden.

In maart 1943 volbrachten de piloten 87 missies tegen Japanse schepen en vliegvelden. Later dat jaar werd Nr 18 Squadron overgeplaatst naar Batchelor ("een plaats die God schiep op een natte maandagmorgen, terwijl hij een kater en hoofdpijn had"). De eerste verkenningsvluchten van de nieuwe basis vonden op 11 mei 1943 plaats naar Tanimbar en Ambon.

Het commando van Nr. 18 Squadron ging op 11 juni 1943  van Fiedeldij over op luitenant-kolonel J.J. Zomer. Eindelijk begonnen nu de eerder bestelde Michells te arriveren. Dat waren er zestien in 1943 en 87 in 1944.

In overleg met de RAAF werd in Canberra een nieuw Nederlands-Indië Mitchell Squadron Nr. 119 opgericht met Darwin als basis. In dezelfde periode kwam ook het Nr.  120 Squadron tot stand, een Nederlands eskader jachtvliegtuigen, die met Kittyhawks vloog.

Gestage vorderingen in de strijd tegen Japan

Van 2-4 maart 1943 vond de Slag in de Bismarckzee plaats. Tijdens de strijdhandelingen werden door de geallieerden acht transportschepen en vier torpedobootjagers Battle Bismarcksea van de Japanners tot zinken gebracht. Generaal MacArthur omschreef het gebeuren als "de beslissende luchtslag van de oorlog in het Zuidwestelijke Pacifisch gebied."

Een morele overwinning voor de geallieerden was de dood van generaal Isoroku Yamamoto, die met zijn vliegtuig neergeschoten werd door Amerikaanse Lightning-piloten omdat zijn vluchtdetails gedecodeerd waren.

Dit was een geniale prestatie van de geallieerde inlichtingendiensten en een zware klap voor de Japanners. Omdat de verovering van de Japanse basis op Rabaul nog niet haalbaar was stelde men voorlopig Nieuw-Guinea en de onmiddelijke omgeving veilig.

Tijdens de Nieuw-Guinea campagne (1942-1943) leverde de KPM ongeveer een miljoen ton aan voorraden aan het front. Daaronder bevonden zich tanks, trucks, lichters, munitie, enz., inclusief 100.000 militairen. Vele KPM-schepen gingen ten onder. De manschappen van het KNIL concentreerden zich in deze periode meer op het werk bij de NEFIS.

Merauke, op Nieuw Guinea, was een belangrijke post voor de NEFIS-operaties. Door het succes van de geallieerden op Papoea-Nieuw-Guinea intensiveerden de Japanners hun aanvallen. Havens en vliegvelden, maar ook Merauke, werden gebombardeerd. Midden 1943 plaatste de RAAF een radareenheid in de buurt en gebruikte het vliegveld als basis voor aanvallen met bommenwerpers en jagers.

Op 19 februari 1943 begon de zegetocht van de nieuwe Amerikaanse Zevende Vloot, ingedeeld bij het commando van generaal MacArthur. Deze eenheid bestond oorspronkelijk slechts uit Nederlandse en Australische schepen.

Hieraan werden niet veel later twee onderzeeboten, mijnenjagers en een Amerikaans schip toegevoegd. De rol van de Nederlandse schepen was de oliekonvooibeveiliging in de Indische Oceaan.

Nederlandse vliegverrichtingen tegen de Japanse vijand

Nr. 18 Squadron voerde in september en  oktober 1943 raids uit op Flores en Timor. Later in het jaar 1943 en begin 1944 waren de aanvallen gericht op vijandelijke schepen, gelegen 1433444301868 in de Timorzee en rond de omliggende eilanden.

Op 17 november 1943 werd een 3.000 tonner ter hoogte van Tanimbar tot zinken gebracht, gevolgd door twee andere, waaronder de 6.550 tonner Shinwa Maru. Dit gebeurde met Beaufighters van RAAF 31 Squadron en Mitchells.

In korte tijd bracht men zes schepen tot zinken en veroorzaakte aan andere veel schade. De laatste voltreffer was die op 4 januari 1944 op het 4.440 ton munitieschip Heini Maru ter hoogte van Kupang (Timor). Hierdoor werd Nr 18 Squadron een effectieve anti-scheepeenheid.

Een groot aantal B-25's naderde na de eerste aanval de Heini Maru. Hierbij werd een toestel (N5-127) getroffen door kustafweergeschut, waardoor kapitein Rees, luitenant Coedam, sergeant Sahoer, korporaal Gontha en sergeant Kwee Wan Tjoe het leven verloren. 

Na de zes weken durende succesvolle operatie kreeg het eskader de informele naam "Dutch Cleaner".  Het "wapen" stelde een boerin met een bezem voor en de tekst 18 SQ-N.E.I. en werd later een vast embleem op vliegtuigen van het eskader.

In februari 1944 begon de Japanse vloot zich te concentreren rond Singapore en dacht men dat de vijand een aanval voorbereidde op Freemantle. Deze dreiging resulteerde in de suboperatie Jaywich, binnen de grotere Operatie Potshot.

Hiertoe werden Squadrons nummer 31, 18 en 120 ingezet. Later bleek dat Japanse schepen, komende van Singapore, een schuilplaats hadden gezocht na succesvolle Amerikaanse aanvallen op de Gilbert- en Marchalleilanden en werden de eskaders naar hun thuisbasis gestuurd.

Begin van het einde voor de Japanners: Nieuw Guinea

In februari 1944 trokken de Japanners hun luchtmacht uit Rabaul en hun vlooteenheden uit Truk terug. Eind februari ging een geallieerde invasiemacht aan wal op de Admiraliteitseilanden. Deze actie werd gevolgd Battle Hollandia door aanhoudende bombardementen op Hollandia en Aitape (Nieuw-Guinea).

Nadat beide plaatsen op de Japanners heroverd waren controleerden de geallieerden nu geheel Papoea-Nieuw-Guinea en bezaten zij belangrijke bases in Merauke en Hollandia. De overwinning was te danken aan luchtoverwicht, krachtige ondersteuning door marine- en koopvaardijschepen en de overmacht van de grondtroepen.

De 79 Wingoperaties  hadden eventuele Japanse versterkingen vanuit Timor en omgeving tijdens de landingen in Hollandia en Aitape tegengehouden. Raid on Sabang in northern Sumatra Op 2 mei 1944 leidde Nr. 18 Squadron een nachtelijke aanval op Koepang en wierpen brandbommen, die als markeerpunten voor de bommenwerpers moesten dienen.

Door de hierdoor veroorzaakte beschadiging en vernietiging van vliegvelden en jagers vormden de Japanners niet langer een bedreiging vanuit de lucht. Zij waren daarentegen door hun antiluchtdoelgeschut nog steeds een groot gevaar. De nieuwe commandant (18 mei 1944) van Nr. 18 Squadron luitenant-kolonel E.J.G. te Roller bijvoorbeeld werd op 23 juni, met de rest van de bemanning van zijn vliegtuig, gedood door een antiluchtdoelaanval.

In de zomer van 1944 werden de Mitchells vervangen door B-24 Liberators, die bij gebrek aan mankracht bij de Nederlanders echter grotendeels aan de grond werden gehouden. Gedurende deze periode bestond Nr 18 Squadron uit 600 man, 38 nationaliteiten, die 13 talen spraken.

Het Nederlandse gevechtseskader Nr. 120 werd naar Merauke gezonden, waar de Kittyhawks als luchtverdediging dienst deden. Nr. 120 bestond in die tijd uit 28 piloten, 44 Kittyhawks en 260 grondbemanning. Ook hier vielen vele doden, zoals luitenant P.J. de Jager, die gedood werd toen hij een Japans schip bij Lantor aanviel.

Verdelen van de buit tussen de geallieerde bondgenoten

Intussen waren de geallieerde politici en hoge ambtenaren al druk bezig het na-oorlogse gebied te verdelen. Hiertoe gingen de Engelsen hun strijdmacht tot meer actie aanzetten (operatie Cockpit) in de buurt van hun Aerial photography of HMS Victorious kolonies Singapore en Maleisië.

De Tromp en torpedobootjagers Van Galen en Tjerk Hiddes, sinds januari 1944 aangesloten bij de British Eastern Fleet, maakten deel uit van deze aanval.

Operatie Cockpit werd opgevolgd door Operatie Crimson. Sabang was weer het doelwit, nu van 23 schepen, meer dan 80 vliegtuigen en ongeveer 10.000 manschappen.

Langzamerhand werd echter duidelijk dat van de vier bondgenoten (Australië, Engeland, de Verenigde Staten en Nederland) Amerika de sterkste was.

En ieder van de drie bondgenoten van Nederland had andere plannen met Nederlands-Indië. Waar dit toe zou leiden werd pas na de oorlog vanaf augustus 1945 pijnlijk duidelijk. Bij Koninklijk Besluit B 29 bomber 1945 van april 1944 richtte men het Bestuur in Ballingschap in Australië in Wacol, Brisbane, op, met Van Mook aan het hoofd.

Dit Bestuur had buitegewone tijdelijke macht tot het herstel van de Nederlandse heerschappij in Nederlands-Indië. Ze bestond uit de volgende departementen:

Defensie, NICA (Netherlands Indies Civil Administration) bureau voor het herstel van burgerlijk gezag in het heroverde Nederlands-Indië, economie, onderwijs, binnenlandse zaken, financiën en publieke werken. Gemeten naar militaire macht had Nederland, zo bleek, zeer weinig in te brengen in het globale politieke speelveld.

Daarnaast drukte generaal MacArthur zo snel mogelijk de Australische partner naar de achtergrond en speelde politieke spelletjes met de Engelsen. Langzaam begon opportunisme binnen de relatie tussen de vier bondgenoten de overhand te krijgen en leek de winnaar Amerika te worden.

Victorie en honderdduizenden doden

Okinawa was de laatste sleutelpositie die Japan bezat. Het werd verdedigd door 100.000 man. En beide kanten wisten wat er met Iwo Jima was gebeurd.De strijd had 6.821 Amerikaanse levens gekost. Hijsen vlag Iwo Nija

Japanners gaven zich echter nooit over. Slechts 216 werden krijgsgevangen gemaakt. De rest van de oorspronkelijk 21.000 manschappen vocht zich dood.

Okinawa bezat 2.000 kamikazepiloten. De geallieerden zetten hier een invasievloot, bestaande uit 40 vliegdekschepen, 18 slagschepen, 200 torpedobootjagers en 430 landings- en aanvalsboten, tegenover.

Okinawa hield het bombardement drie maanden vol, om uiteindelijk ten koste van 131.000 Japanse levens (inclusief 42.000 burgers), 15.500 Amerikaanse doden en 51.000 gewonden te vallen.

De Amerikaanse admiraal William D. Leathy schatte dat, op basis van bovengenoemde aantallen, de invasie van Japan tot 250.000 Amerikaanse doden zou leiden. Hierop zette de Amerikaanse luchtmacht de B-29 (vliegend hert), een machtige bommenwerper, in.

De gevolgen waren verschrikkelijk. Een enkel bombardement, uitgevoerd in de nacht van 9 op 10 maart 1945, waarbij 2.000 ton aan brandbommen op een gebied van 30 vierkante kilometer werd geworpen, veroorzaakte een vuurstorm.

Hierdoor vielen tussen de 80.000 en 200.000 doden. Het bergen van de doden was ondoenlijk. Verzorging van de gewonden onmogelijk. Ziektes begonnen onder de overlevenden rond te waren. En de vuurbombardementen bleven steeds doorgaan. Maar de militaire leiders wilden zich niet overgeven. Overal in het Pacifisch gebied bleven Japanse soldaten doorstrijden.

Einde van de Tweede Wereldoorlog in het Pacifisch Gebied en Nederlandse verliezen

Terwijl de Amerikanen voorbereidingen troffen voor een invasie in Japan maakten de Britse en Indiase strijdkrachten van de SEAC (South East Asia Command)  zich op voor een grote aanval op Maleisië en Singapore. Australiërs en Nederlanders Japan in brand hielden zich intussen bezig met het schoonvegen van het Zuidwestelijk Pacifische Gebied.

De bevrijding van Nederlands-Indië stond nog altijd laag op de prioriteitenlijst. Na het einde van de oorlog bleek dat Nr. 18 Squadron twintig vliegtuigen en 105 mensenlevens verloren had.

Het Kittyhawkeskader nummer 120 viel op 30 juli 1945 het Japanse hoofdkwartier in Manokwari aan, waarbij drie toestellen verloren gingen. Het totaal aan verliezen van 120 Squadron beliep 14 piloten (inclusief twee Australiërs) en 11 vliegtuigen.

Langzaam begonnen de operaties tegen het door Japan nog steeds bezette Nederlands-Indië op stoom te komen met de aanval op Tarakan op 1 mei 1945. Ook Balikpapan werd met een grote troepenmacht bevrijd.

De atoombommen op Japan leverden het einde van een wereldoorlog en nog eens 100.000 doden op. In de jaren erna stierven nog eens 150.000 mensen  aan de gevolgen van straling. De oorlog leek afgelopen maar niet voor Nederland. In Nederlands-Indië zou de strijd opnieuw oplaaien.

Interessante Nederlanders die naar Australië emigreerden

Zie voor meer informatie: 2006. Doug Hurst. De vierde bondgenoot. De Nederlandse strijdkrachten in Australië tijdens de Tweede Wereldoorlog. Waanders Uitgevers.