Tomei J


Vroege jaren

Jacobus Tomei (Breda, 26 maart 1829 - Amby, Zuid-Limburg, 16 november 1869) was de zoon van Coenraad Joseph Tomei (1792-1857) en Grietje Muller (1794-1873). Hij trouwde op 2 februari 1864 te Maastricht met Johanna Adriana Christina Angelina Alphonsina van der Dussen (1841-1899). Zij kregen vier kinderen. Voor het huwelijk was al eerder een zoon geboren. 

Tomei volgde de militaire opleiding bij het Instructiebataljon in Kampen. Zijn bevordering tot sergeant der infanterie volgde in 1847. Datzelfde jaar trad hij in dienst van het Koninklijk Nederlands-Indische Leger. Met het schip Rotterdam en een groep suppletietroepen reisde Tomei aan het einde van genoemd jaar naar Java.

Bij het KNIL werd hij bevorderd tot sergeant-majoor en vervolgens tot tweede luitenant (begin 1851). Hij was toen ingedeeld bij het Vierde Bataljon. Tomei kreeg in januari 1854 een overplaatsing naar het Garnizoensbataljon van Palembang en het jaar daarop volgde zijn bevordering tot eerste luitenant aldaar. 

Expedities naar Lematang Oeloe (1858-1859)

In deze rang nam Tomei deel aan de expeditie naar Lematang Oeloe. De manschappen stonden onder bevel van de militaire commandant van Palembang, luitenant-kolonel W. Lammeree. Vanaf Lahat werd via drie verschillende wegen naar het einddoel, Rede van Muntok en strand tussen Banka en Palembang de doessoen Djattie, opgetrokken. 

De aanval op deze plaats duurde ongeveer drie uur. Na die tijd waren de troepen, doordat er grote verliezen werden geleden, gedwongen terug te trekken. In totaal leed de colonne een verlies van vier doden, waaronder kapitein der artillerie Coostermans, en 25 gewonden. Dat kwam onder meer omdat de vijand over 1.200 man beschikte, gewapend met minstens 250 vuurwapens. 

Nu werd eerst de versterking door een nieuwe colonne en de aankomst van de artillerie afgewacht. Op 23 oktober 1858 ondernam men een nieuwe aanval, waaraan ook Tomei mee deed. Diezelfde middag nog kwam de expeditie tot een voorlopig einde. De veiligheidsmaatregelen tegen kwaadwillenden waren namelijk allemaal genomen. 

Een en ander verhinderde echter niet dat men het jaar daarop opnieuw de strijd moest aanbinden. Hoewel de doessoen Djatti in Nederlandse handen gevallen was had de vijand diverse andere versterkingen, onder ddd 010075780 mpeg21 p002 image meer te Lahat en Moeara Seban, opgericht.

Er vonden nu diverse schermutselingen plaats. De negende april trok een colonne, waarin Tomei zich bevond, naar Loeboe Sepang. De volgende dag werd de commandant, kapitein Horrman, zo ziek dat hij het commando overgaf aan Tomei. Deze rondde vervolgens de expeditie met gepaste maatregelen af en richtte verder een kampement voor de manschappen op.  

Tomei verkreeg bij Koninklijk Besluit van 13 april 1860 nummer 79 de Militaire Willemsorde voor zijn verrichtingen te Lematang Oeloe (Palembang) in de periode 1858-1859. In september van datzelfde jaar werd hij bevorderd tot kapitein. Al eerder was hij overgeplaatst van het Garnizoensbataljon in Palembang naar het Achtste en het Vierde Bataljon. 

Latere leven

Tomei kreeg begin 1862 een tweejarig verlof wegens ziekte naar Nederland. Hij reisde met het schip Petronella Catharina van Batavia naar Nieuwediep. Overlidjen Twee  jaar later keerde hij met de Noack, met onder zijn bevel een detachment suppletietroepen van 12 onderofficieren en 137 manschappen, terug naar Batavia.

Hij werd nu achtereenvolgens ingedeeld bij het Dertiende Bataljon, het Twaalfde Bataljon en het Zestiende Bataljon (1865). Begin 1866 verkreeg Tomei wegens ziekte eervol ontslag uit de militaire dienst, met behoud van zijn recht op pensioen. Hij vertrok hierop naar Nederland, waar hij in november 1869 op veertigjarige leeftijd overleed. 

f t

Login