P1360351

 


Voor het fotoalbum (persoonlijk van Van Dulm) klik op deze link of op het plaatje hierboven.  Dit artikel is gebaseerd op: J.F. van Dulm, luitenant-ter-zee eerste klasse. Onder de bloedvlag van de O21. 1940-1945. Met een voorwoord van luitenant-admiraal C.E.L. Helfrich. Scheltens en Giltay. Amsterdam. U kunt hier een fotoalbum van de foto's uit het boek vinden (met bijschriften). 


Inleiding: start van de Tweede Wereldoorlog

De reis van de O21 naar Engeland

Acties vanuit Engeland na de capitulatie

Patrouilletochten in de Noorse wateren

De tocht naar Gibraltar

Operaties aan de westkust van Italië: de eerste voltreffers

Bombardement op een brigantijn en  terugkeer naar Gibraltar

Een nieuwe V aan de bloedvlag

Operation Halberd en andere expedities

Torpederen van een Duitse U-boot

Terugkeer naar Schotland

Aan de westkust van Afrika

Verblijf te Diego Suarez en begin van de strijd tegen Japan

Fabricage van rubberboten

Jacht op vijandelijke schepen

Geheime missies met spionnen

Overige acties in de Indische wateren

Einde van de oorlog


Inleiding: start van de Tweede Wereldoorlog

De Nederlandse onderzeeboot Hr. Ms. O21 lag begin mei 1940 op de werf van de Koninklijke Maatschappij "De Schelde" in Vlissingen. Op 7 mei 1940 ontving de commandant van het schip van het Hoofd van de Afdeling MaterieelP1360349 van het Ministerie van Defensie, schout-bij-nacht L.A.C.M. Doorman, broer van Karel Doorman, opdracht de boot gereed tot varen te maken. 

In de nacht van 10 mei 1940 vernam de commandant van Hr. Ms. O21, luitenant-ter-zee eerste klasse J.F. van Dulm (zoon van schout-bij-nacht M.H. van Dulm), via de Luchtwachtdienst dat vijandelijke vliegtuigen het Nederlandse luchtruim binnengevlogen waren. 

Van Dulm liet nu Hr. Ms. O21 vaarklaar maken en vernam dat Duitse vliegtuigen al mijnen in de Schelde aan het werpen waren. De Tweede Wereldoorlog was een feit.

Hr. Ms. kruiser Sumatra en Hr. Ms. kanonneerboot Flores begonnen aan een vuurgevecht met de steeds terugkerende Duitse vliegtuigen. De Marineluchtvaardienst zette vliegtuigen in, onder meer torpedovliegtuigen van het Fokker CVIIIW-type (door militairen "vliegende staldeuren" genoemd). 

De Nederlandse vloot bleek totaal niet voorbereid op een oorlog. Torpedobootjager Isaac Sweers was nog niet geheel afgebouwd en onderzeeboot O22 zelfs niet in het bezit van afweerwapens.

Op hetzelfde moment dat de zeesleper Zwarte Zee de haven van Vlissingen binnnenvoer om de Isaac Sweers naar Engeland te slepen werd de stad door Duitse vliegtuigen gebombardeerd. 

De reis van de O21 naar Engeland

'Diezelfde avond voer de O21 door de geopende sluizen voorbij de Schipbrug. Er bevonden zich geen kaarten en andere gegevens aan boord. Slechts een Duitse kaart (een Fischereikarte) was beschikbaar. 151 Zelfs een seinlamp was niet aanwezig zodat men zich moest behelpen met een zaklantaarn en velletjes carbonpapier. 

Het verband waarin de schepen naar Engeland zouden varen was als volgt: voorop ging Hr. Ms. bewakingsvaartuig sleepboot Oostzee. Deze boot werd gevolgd door de onderzeeboten O21 en O22. De Duitsers hielden zich op hetzelfde moment al bezig met het werpen van magnetische mijnen, waarvan er een aantal vlakbij genoemde schepen neerkwamen. 

Hr. Ms. mijnenlegger Van Meerlant leidde echter met haar vuur en anti-luchtafweerkanonnen de aandacht van de in verband wegvarende Nederlandse oorlogsschepen af. Om zes uur 's ochtends bereikte de "vloot" veilig de banken van de Godwins.

Diezelfde ochtend kwamen ook de onafgebouwde Isaac Sweers en Hr. Ms. kruiser Jacob van Heemskerck in het veilige Engeland aan.  Eenmaal ter hoogte van Margate werd het de commandant van de O21 duidelijk dat zich hier ook Hr. Ms. mijnenveger Jan van Gelder en onderzeeboot O13 bevonden

De officieren van deze schepen hielden al snel een krijgsberaad aan boord van Hr. Ms. Jan van Gelder en zetten deze voort op Hr. Ms. Heemskerck. Tijdens dit beraad werd besloten koers te zetten naar de Engelse Marinebasis Portsmouth, waar alle schepen onderdeel zouden gaan uitmaken van de Geallieerde Zeemacht. 

Acties vanuit Engeland na de capitulatie

Op 14 mei 1940 vernamen de manschappen in Portsmouth dat Nederland gecapituleerd had. Ondanks dat hadden nog meer onderzeeboten, namelijk de O9, O10, O23 en de O24, weten te ontsnappen en kwamen die dag 064 in het Verenigd Koninkrijk aan.

Later bereikte ook Hr. Ms. Torpedoboot 51, na de val van de Maasbruggen, het veilige Engeland. Twee kustvaarders, die de oversteek vanuit IJmuiden hadden gemaakt, hadden hun ruim volgeladen met torpedo's en munitie. 

De onderzeeboten O8, O11 en O12 waren in Den Helder vernietigd, de O25 in Rotterdam. Twee andere onderzeeboten, nog in aanbouw, zouden nooit dienst doen, namelijk de O26 en O27.  Kort hierop nam het opperbevel het besluit dat Hr. Ms. O9, O10 en O13 een eerste patrouille zouden gaan maken, waarbij Hr. Ms. O13 onder de Franse kust een eerste ontmoeting met een Duitse U-boot had. 

De overige schepen, slecht onderhouden of nauwelijks afgebouwd, werden op oorlogssterkte gebracht en gedemagnetiseerd, om aan magnetische mijnen te kunnen ontkomen. In deze periode werd de Marinebasis dag en nacht door Duits mitrailleurvuur en bommen bestookt. 

Samen met de O22 vertrok de O21 naar Portland. Hier waren inmiddels ook de O9 en O10 aangekomen. De plaats diende als oefenbasis van de Engelse Onderzeedienst. Omdat de Duitse vijand de toegangen van de haven regelmatig met mijnen versperde vertrok de O21, in groepsverband met de O22 en voorgestoomd door Hr. Ms. Torpedoboot Z5, naar Milford Haven in Zuid-Wales (8 juli 1940).

Aldaar troffen de bemanningen de treurige restanten van de Marine Luchtvaart Dienst aan. Die bestond slechts uit een klein aantal watervliegtuigen. De rest van de vloot had in de strijd tegen de Duitsers het onderspit gedolven.   

Patrouilletochten in de Noorse wateren

Omdat Milford Haven zwaar onder vijandelijk vuur lag trokken de O21 en de O22, samen met torpedoboot Z5, na een kort stop in Belfast, verder naar het Schotse Dundee. Naast Britse onderzeeboten bevonden zich Onderzeeboot in deze haven ook de Franse onderzeebootmijnenlegger Rubis en de Poolse onderzeeboten Wilk en Orzel

Voor nader onderhoud werd de marinewerf te Rosyth (Edinburgh) aangedaan. Aldaar deed het bericht de ronde dat Hr. Ms. O13, die onder bevel stond van luitenant-ter-zee eerste klasse E.H. Vorster, na een diepte-aanval met man en muis was vergaan. Forster was een jaargenoot van Van Dulm aan het Koninklijk Instituut voor de Marine geweest. 

Vanaf 30 juli 1940 vond de eerste patrouille van de onderzeeboten O21 en O22 plaats. De O21 kwam in augustus haar eerste Duitse U-boot, type 250 ton, tegen en lanceerde twee torpedo's zonder doel te treffen. De negende augustus keerden de onderzeeboten, zonder enig resultaat geboekt te hebben, naar hun basis terug. 

De meeste patrouilletochten verliepen zonder vijandelijke schepen te ontmoeten. Tot de 5de oktober 1940. De O21 kreeg op die dag een U-boot, type 500 ton,  in het vizier bij het Kors Fjord maar kon haar niet raken. Uiteindelijk keerde de onderzeeboot naar Dundee terug. 

Aldaar was het aantal Nederlandse torpedoboten met Hr. Ms. Z5, Z6, Z7 en Z8 uitgebreid. Deze schepen deden dienst als escorteboten. De Nederlandse kustvaarders  Amstelstroom en Malan fungeerden als drijvende magazijnen.

Dit zogeheten negende flottielje bestond verder uit Britse, Poolse, Franse en Noorse onderzeeboten. In deze beginperiode van de Tweede Wereldoorlog gingen veel schepen ten onder, waaronder de grote Britse onderzeeboot Thames

De tocht naar Gibraltar

Half november keerde Hr. Ms. O22, onder bevel van luitenant-ter-zee eerste klasse J.W. Ort, niet op haar basis terug. Op dit schip bevonden zich ook enige opvarenden van de O21, die als invallers op patrouilletocht Gibraltar 07 niet alleen Aapjes ook Jantjes waren meegevaren. 

Later vernam men via de Duitse zender dat op 11 november 1940 een vijandelijke onderzeeboot (de O22) onder de zuidkust van Noorwegen tot zinken was gebracht.

De taak van de Nederlandse onderzeeboten was over het algemeen taai en eentonig. Zij functioneerden als "speurhonden van de zee", die dag en nacht op een prooi loerden terwijl deze zich slechts zelden of niet liet zien. 

De 24ste februari 1941 vertrokken Hr. Ms. O21 en O23, in het begin begeleid door het Britse escorteschip White Bear en de Franse mijnenveger La Moqueuse, vanuit Dundee naar Gibraltar. Hun taak zou het begeleiden van konvooien van en naar Engeland worden.   

Op vrijdag 14 maart bereikten de schepen de Straat van Gibraltar en de volgende ochtend liepen Hr. Ms. O21 en O23 de haven binnen. Aldaar deelde de leiding de onderzeeboten in bij het achtste onderzeebootflotiellje, commandant Fawkes. 

Dit flotiellje bestond uit zes boten. Dat waren drie Engelse, Olympus, Otus en Osiris, en drie Nederlandse, de O21, O23 en O24. Commandant van de vloot was captain Voelker, die later in de functie van hoofdofficier van de kruiser Charibdis om zou komen bij de kust van Bretagne. 

Operaties aan de westkust van Italië: de eerste voltreffers

Na een groot aantal escorte-tochten naar Engeland en terug kreeg Hr. Ms. O21 een andere bestemming en taakstelling. Zij zou, samen met het konvooi, tegen de Italiaanse scheepvaart op de westkust van Italië P1360346 gaan opereren. De O21 werd nu zwaarder met granaten bewapend en haar torpedo's werden verwisseld. 

Met de ondergang van een vijandelijke schip bij Genua door Hr. Ms. O24, onder commando van luitenant-ter-zee eerste klasse O. de Booy, boekte de Nederlandse Onderzeedienst haar eerste succes.

Het operatieterrein van Hr. Ms. O21 besloeg een rechthoekig gebied ten zuiden van Napels. Tijdens een van de patrouille-tochten, op 29 juli 1941, ontdekte de bemanning een konvooi, bestaande uit vijf vrachtvaarders van 4-5.000 ton, die door twee torpedobootjagers van het type "Lampo" beschermd werden.

Hr. Ms O21 lanceerde nu vier torpedo's uit de boegbuizen. Twee waren gericht op de voorste en twee op de achterste groep vijandelijke schepen. Twee ervan troffen doel. Een van de torpedobootjagers voer nu met hoge snelheid richting Hr. Ms. O21 en bestookte haar met dieptebommen.

Een andere naderde eveneens tot op bedenkelijke afstand met het doel de O21 te bombarderen. Gelukkig wist zij uiteindelijk ongeschonden aan haar belagers te ontsnappen. Het luchtruim boven het operatieterrein was op dat moment gevuld met watervliegtuigen, bommenwerpers en jagers, maar daar had Hr. Ms. O21 weinig last van. 

Bombardement op een brigantijn en  terugkeer naar Gibraltar

Tijdens een volgende patrouille (op 3 augustus 1941) ontmoette Hr. Ms. O21 een kleine brigantijn (snel zeilende tweemaster). De O21 lanceerde een torpedo en toen dat geen effect had beschoot zij P1360348 het schip met 25 granaten.

Hiervan troffen zeven doel, waarna de brigantijn in brand stond. Omdat het waarschijnlijk toch zinken zou zette de O21 nu koers naar Gibraltar, waar zij de 6de augustus aankwam.  

Op Gibraltar werd de O21 herenigd met Hr Ms. O23 (commandant luitenant-ter-zee eerst klasse G.B.M. van Erkel), O24 en de Britse onderzeeboot Olympus. Op Hr. Ms. O21 hees de bemanning nu de later beruchte "bloedvlag", met hierop de eerste behaalde successen.

De "bloedvlag" was een oude Statenvlag (geel met rode staande leeuw), met een leeuw die een torpedo droeg. Het aantal vernietigde schepen werd hierop met een V en getroffen onderzeeboten met een doorgestreepte U weergegeven.

De 27ste augustus 1941 vertrok Hr. Ms. O21 naar de Tyrrheense Zee. Haar operatiegebied besloeg nu de wateren tussen de westkust van Italië en de eilanden Sicilië en Sardinië. 

Een nieuwe V aan de bloedvlag

Aldaar aangekomen was er geen gelegenheid een vijandelijk schip te torpederen. Enige weken later kreeg de O21 daarom een nieuw "jachtterrein" toegewezen, gelegen aan een meer noordelijk gelegen route, P1360354 die liep van Civita Vecchia naar Terra Nova. 

Terwijl Hr. Ms O21 richting La Spezia opstoomde ontdekte zij in de nacht van 5 september 1941 aan bakboord een rookwolk van een schip. Toen de boot dicht genoeg genaderd was vuurde de O21 twee boegtorpedo's op haar af die beiden doel troffen en het doelwit deden zinken. 

De zee was nu bedekt met wrakhout, waartussen zich een groot aantal drenkelingen bevond. Meer dan twintig opvarenden van het Italiaanse 5.800 ton stoomschip Isarco werden aan boord van de O21 gehesen. 

De volgende dag ontmoette de nu zwaar beladen O21 een konvooi dat uit drie boten bestond. Twee van hen waren koopvaardijschepen maar de derde, de gevaarlijkste, bleek een hulpkruiser.

De vijand werd ditmaal niet getroffen door afgevuurde torpedo's. Op 12 september keerde Hr. Ms. O21 terug naar Gibraltar, waar de 22 opvarenden van de Isarco naar een Engels krijgsgevangenenkamp werden gestuurd.

Hierna nam de O21 deel aan een actie waarbij de Britse Marine de voorraden op Malta vanuit Gibraltar aan ging vullen, operation Halberd. De geallieerde schepen kregen de taak deze actie tegen vijandelijke strijdhandelingen te beschermen. 

Operation Halberd en andere expedities

Aldus vertrok Hr. Ms. O21 de 21ste september 1941 naar de Baai van Cagliari. Het was echter niet mogelijk tot uitschakeling van vijandelijke vaartuigen te komen. Na afloop van de actie werden orders ontvangen in het P1360366 gebied voor Terra Nova te gaan opereren.

Aldaar gelukte het een 3.450 tons vrachtschip, een zusterschip van de Capitaine St. Martin van de Franse Vichy regering, te torpederen, zodanig dat het al na drie minuten zonk.   

Twee dagen later keerde de O21 terug naar Gibraltar, waar zij op 8 oktober aankwam. De bloedvlag droeg nu driemaal een V. De lijst van door Nederlandse schepen vernietigde vijandelijke schepen groeide gestadig.

Via Cagliari stak Hr. Ms. O21 nu over naar de kust van het vasteland van Italië. Het nieuwe patrouilleerterrein lag tussen Napels en Civita Vecchia. 

Na een aantal mislukte aanvallen wist de vijand dat er geallieerde onderzeeboten in de nabijheid waren en werd besloten deze plaats te verwisselen voor het water tussen Civita Vecchia en Terra Nova. 

Hier gelukte het de O21 een tweemastmotorschoener naar de zeebodem te bombarderen en de nacht erop een tweede. Na deze actie vervolgde de O21 haar tocht via de oostkust van Sardinië om de zuid. 

Torpederen van een Duitse U-boot

Onderweg naar Gibraltar  en nabij het Albacore-eiland merkte de bemanning van de O21 dat zij gevolgd werd door een verduisterde 500-tons U-boot 95. Hierop ging men onmiddellijk P1360398tot de aanval over en werden twee torpedo's vanuit de stuurboordhekbuis gelanceerd. De projectielen raakten de U-boot ter hoogte van de machinekamer. 

Nu ontstond er op de plaats van de U-boot een enorme waterzuil, gevolgd door een snel aangroeiende rookkolom en een doffe klap. Het voorschip van de onderzeeboot kwam rechtstandig uit het water omhoog en zonk vervolgens in de diepte weg. 

Twaalf drenkelingen werden op de plaats des onheils opgevist. Dat betekende dat de overige 34 bemanningsleden verdronken waren. De overlevenden werden overgebracht naar Gibraltar. Maar voor zij daar aankwamen mochten zij eerst het ontbijt nuttigen in een ruimte waarin tot hun grote ergernis een groot portret van Winston Churchill was opgehangen. 

Admiraal Sir James Sommerville, commandant van het in Gibraltar gestationeerde Britse Slageskader, was bij aankomst van Hr. Ms. O21 persoonlijk aanwezig om de bemanning geluk te wensen. Bij de manschappen leefde het gevoel eindelijk de ondergang van zusterschip Hr. Ms. O22 gewroken te hebben. 

Terugkeer naar Schotland

Hr. Ms. O21 vertrok op 5 december 1941 om de reis terug naar Engeland te aanvaarden. Tijdens deze tocht vernam de bemanning dat Japan Pearl Harbour had aangevallen en dat ook Nederlands-Indië gevaar liepP1360361 Hongarije, Roemenië en Finland bleken intussen de zijde van Duitsland gekozen te hebben. 

De O21 nam een aantal gasten mee naar Engeland, waaronder vier Engelandvaarders (twee Marine-officieren en twee legerofficeren). Nadat de onderzeeboot in Dundee was aangekomen werd verder met Duitse torpedo's geoefend. Dit gebeurde op de torpedo-inschietbaan bij Arrochar.

Niet veel later ontving de commandant van de O21 opdracht direct op patrouille naar de Golf van Biskaye te gaan. De flotille bestond uit de O21, de Franse onderzeeboot Junon en de Britse onderzeeboot P39.

De schepen werden begeleid door H.M.S. La Capricieuse. Reden voor de patrouille was het gerucht dat de Duitse slagkruisers Scharnhorst en Gneisenau en de zware kruiser Prins Eugen, allen gelegen in de haven van Brest, plannen zouden hebben om uit te breken.

Om dit te voorkomen zou een dubbele ring van twintig onderzeeboten voor Brest gelegd worden. Het bericht bleek echter vals en de boten keerden midden december naar Engeland terug. 

Aan de westkust van Afrika

Kerstmis 1941 brachten de bemanningen van Hr. Ms. O21, O9 en O10 samen door. Gedurende de periode januari - juli 1942 was Hr. Ms. O21 in "tweejaarlijks onderhoud" in  Schip20gezien20door20de20periscoop20tekening20Van20Dulm Grangemouth. 

Na een oefenperiode voer Hr. Ms. O21 op 12 augustus 1942 naar Gibraltar. Aldaar ontmoette commandant van de O21, Van Dulm, zijn oude chef, officier van de Marine Stoomvaartdienst, A. Ohr.  Dat was de laatste keer omdat Ohr, in de functie van Hoofd Machinekamer van Hr. Ms. Isaac Sweers, tijdens de invasie van Noord Afrika, met zijn schip ten onder zou gaan. 

De 8ste september bereikte de O21 uiteindelijk Freetown (hoofdstad van de Britse kolonie Sierra Leone), gelegen op de westkust van Afrika. Freetown bleek een verschrikkelijke bestemming.

Het was er vuil, warm en een broeinest van malaria. Omdat Hr. Ms. O21 averij had opgelopen vertrok zij, geëscorteerd door het vrije Franse korvet D'Etienne d'Orves, de 23ste september naar Simonsstad. Aldaar bevonden zich ook de Nederlandse onderzeeboten K XIV en O19. Beide schepen hadden een belangrijke rol gespeeld tijdens de aanval van Japan op Nederlands-Indië.  

De 16de januari 1943 voer Hr. Ms. O21, geheel hersteld, naar Oost-Londen (Zuid-Afrika) en daarna weer de zee op naar Diego Suarez (Franse hulpvlootbasis). 

Verblijf te Diego Suarez en begin van de strijd tegen Japan

Te Diego Suarez hield de bemanning van Hr. Ms. O21 zich onledig met diverse oefeningen tot de onderzeeboot op 9 februari 1943 opdracht kreeg zich naar Addu Atol (Maladieven) te Voltreffer20gezien20door20de20persiscoop20tekening20Van20Dulm begeven. 

Addu Atol diende als hulpbasis van de Britse Marine en werd onder meer bevoorraad door Hr. Ms. Zuiderkruis. Dit schip van de Nederlandse gouvernementsmarine, oorspronkelijk een kabellegger, had jaren in Indië als voorraadschip van onderzeeboten dienst gedaan. De aanvoer van post vond plaats middels een grote Catalina-vliegboot

De 18de februari kreeg Hr. Ms. O21 opdracht naar Colombo te vertrekken om tegen de Japanners te gaan strijden. Op zes maart 1943 ontving zij de specifieke taak de vijandelijke haven van Port Blair (Andamanen, gelegen tussen Birma en Sumatra) te observeren. 

Al snel wist de O21 haar eerste Japanse vrachtvaarder (een moderne koopvaarder van 4.000 ton met kanon voor en achter) met torpedo's tot zinken te brengen (13 maart 1943).  

De 15de maart bereikte de O21 Siam, om vervolgens terug te keren naar thuisbasis Colombo. Zij lag daar naast haar zusterschepen O23 en O24 en het moederschip Hr. Ms. Plancius.  

De taak van Hr. Ms. O24 was voornamelijk het aan wal zetten van geheime agenten ("kleine commando's") op de kust van Sumatra of de Andamanen. Commandant van de O24, luitenant-ter-zee W.J. de Vries, ontving voor dit werk later de Distinquished Service Order (DSO). Ook de O21 werd bij deze werkzaamheden betrokken. 

Fabricage van rubberboten 

Het aan wal zetten van geheime agenten geschiedde met rubberboten. Voor de fabricage hiervan, bij het Korps Insulinde, werd nu de bemanning van Hr. Ms. O21 ingezet. Het basiskamp Aanstelling20op20O21van het Korps Insulinde bevond zich te Laksa Patia, een dorpje ten zuiden van Colombo. 

Het Korps Insulinde, dat zich toelegde op Commando-werk, bestond in essentie uit de 75 sterkste mannen van de Prinses Irene Brigade. Zij werden ingezet om in de bezette gebieden contact met de bevolking op te nemen en waardevolle informatie te verzamelen. 

De rubberen bootjes die men voor de landingen gebruikte werden onder meer vervaardigd door matrozen van de O21. Zij leerden dus in het donker (omdat overal spionnen aanwezig konden zijn) rubberen vouwboten in elkaar te zetten. 

Hr. Ms. O21 zette de eerste lichting spionnen (Chinezen uit Malakka, onder het vaandel van Tsjang Kai Check) in april 1943 aan land. Hiertoe voer zij langs de noordkust van Atjeh de Straat Malakka binnen. De vier Chinezen dreven 's nachts met twee vouwboten naar de oever van de van te voren bepaalde plek.  

Jacht op vijandelijke schepen

De 20ste april patrouilleerde Hr. Ms. O21 in het Nauw van de Straat Malakka nabij Penang. Ter hoogte van Poeloe Pandang en Poeloe Salamana observeerde O21 gedurende enige tijd een Japans koopvaardijschip Nachtelijke20ontmoetingen20in20de20Indische20waterenvan 8.000 ton, dat  geëscorteerd werd door een torpedoboot van de Tidori-klasse. 

Om 5.40 uur lanceerde Hr. Ms. O21 vier Duitse torpedo's. Na een ruime minuut werden twee zware explosies gehoord. Door de persicoop observeerde de bemanning een brandend schip dat voor de brug in twee stukken was gebroken. De O21 ging er nu snel vandoor en werd door de begeleidende torpedoboot niet opgemerkt. 

Omstreeks 11.00 ontmoette zij opnieuw een vijandelijke boot (een Q-schip), dat af en toe dieptebommen neerwierp. Q-schepen waren boten die er onschuldig uitzagen maar in werkelijkheid goed geoefende oorlogsbodems betroffen.  

Nadat de Japanse torpedoboot en een watervliegtuig dit schip te hulp schenen te komen voer de O21 snel weg omdat zij tegen deze overmacht niet opgewassen was. Via Poeloe Weh en de Golf van Bengalen voer de O21 nu naar haar basis Colombo, waar zij de 29ste april aankwam. 

Geheime missies met spionnen

Nadat de bemanning een periode met de commando's geoefend had vertrok Hr. Ms. O21 de 28ste mei 1943 naar de Sayer-eilanden. Toen er echter van de commanderend vlagofficier P1360388 te Ceylon bericht kwam met de grootst mogelijke spoed naar Penang te varen werd de koers gewijzigd. 

De 20ste juni werd aan een geheime opdracht begonnen, die de O21 naar de Golf van Exmouth zou brengen. Vanaf dit punt leidde de route naar de Java-zee. Hr. Ms O21 passeerde Java en Bali, waar de bemanning situatieschetsen van het vliegveld en omgeving maakte. 

Gedurende de nacht voer de O21 de Straat Bali binnen, waar een geheim agent aan wal moest worden gezet en later weer opgepikt. Deze taak was zeer lastig omdat er grote kans bestond dat de geheime agenten door Japanners werden opgepakt.

De commandant van Hr. Ms. O21 zond op een gegeven moment een rubber bootje en een jol naar de kust om de man op te pikken.

De jol met haar manschappen en het rubberen bootje keerden terug maar van de spion werd nooit meer iets vernomen. Dat gebeurde regelmatig omdat het levensgevaarlijk werk was. 

Overige acties in de Indische wateren

De volgende dag voer Hr. Ms. O21 ten zuiden van Penide weer onder water. Straat Bandoeng, zoals het water hier heette, werd beroemd door de slag die het P1360360 Nederlandse eskader hier voerde en waarbij Hr. Ms. torpedobootjager Piet Hein ten onder ging.

De tocht ging verder via Straat Lombok om bij Gon-Gon volgens orders een spion in een prauw op te pikken. De O21 zag wel een prauw maar deze gedroeg zich zeer verdacht en werd daarop geënterd. Het bootje bevatte slechts inlandse vissers en van een geheim agent was niets te bekennen. 

De volgende spion zou pas na vier dagen bereikbaar zijn. Daarom voer de O21 eerst naar het Hertenbeest-eiland (aan de noordkust van Bali). Daar werd de commando-ploeg II aan wal gezet om vliegtuigen te spotten (luchtwachtdienst) en een hert te schieten.

Na terugkeer aan boord zette Hr. Ms. O21 koers naar Straat Madoera en de rede van Sitobondo, waar zij aangevallen werd door een Japanse onderzeebootjager. Er was nu geen sprake meer van de spion op te pikken omdat er grote kans bestond dat deze al opgepakt was en de aanwezigheid van de O21 verraden had.   

Hr. Ms. O21 kreeg nu een nieuwe opdracht, namelijk om een Makassaarse prauw te enteren en de scheepspapieren confisceren. Zij kwam echter geen prauw maar de vijand tegen, die haar met dieptebommen bestookte. De O21 voer nu met hoge snelheid via het noorden naar Goa Goa en de Java-zee.

Deze tocht leidde verder via Straat Lombok, de Golf van Exmouth (20 augustus 1943), om uiteindelijk in Fremantle binnen te lopen. Hier kon Hr. M. O21 naast Hr. Ms. Tromp afmeren. 

Einde van de oorlog

De commandant van Hr. Ms. O21 vertrok nu per vliegtuig naar Melbourne,  waar het Nederlands Marine Hoofdkwartier gevestigd was. Hij bracht verslag uit en vernam dat de O21 na alle expedities technisch in een zeer slechte conditie verkeerde. P1360398

Desondanks kon de O21 in Fremantle, samen met torpedobootjagers Hr. Ms. Tjerk Hiddes en Van Galen, nog enige oefeningen doen.

Toen bleek dat ook de accu-batterij van de O21 aan haar einde was werd besloten de O21 naar het Verenigd Koninkrijk te sturen. 

Na terugkeer in Engeland, op 22 februari 1944, was voor de O21 en haar bemanning de oorlog ten einde.  De O21 werd naar de Verenigde Staten gezonden en Van Dulm van zijn commando ontheven.

Zijn laatste woorden tot de trouwe Hr. Ms. O21 waren: "Wat gij voor Koningin en Vaderland deed hebt gij niet vergeefs gedaan".  

f t

Login