P1360265


Klik op de foto of deze link voor het fotoalbum. Dit artikel is mede gebaseerd op het boek "Het spoor des doods. De brug over de River Kwae". Aangepast door Smitjint, Kanchanaburi, Thailand. Vertaald door Cor en Helma Broekman (2005). De afbeeldingen zijn tevens uit dit werk afkomstig.   

Van de 68.000 geallieerde gevangenen die aan de spoorlijn te werk werden gesteld overleden er omstreeks 16.000. De Aziatische "arbeiders", minstens 300.000, verloren ongeveer 100.000 manschappen. Precieze cijfers zullen nooit bekend worden omdat alle documenten hieromtrent door het Japanse leger aan het einde van de oorlog vernietigd werden.  


Inleiding

Val van Singapore

Aanleg van de spoorlijn 

Birma: werkers aan de spoorlijn

Thailand: werkers aan de spoorlijn

Aanvang van de bouw van de spoorlijn en verkeerde berekeningen

Ligging en einde der bruggen over de River Kwae

Pas van het vuur van de hel

De lange mars van de F-strijdmacht

Terreur en cholera

Aziatische arbeiders

Spoorlijnen vanuit Birma en Thailand ontmoeten elkaar

Na de voltooiing van de spoorlijn

Begraafplaatsen


Inleiding

Vanaf december 1941 veroverden de Japanse strijdkrachten een groot deel van zuidoost-Azië.  Begin 1942 besloot Japan krijgsgevangenen te gebruiken voor de aanleg van een spoorlijn tussen Thanbyuzayat (in het westen) en Banpong (in het oosten). P1360238

Hiertoe werden twee groepen, een gestationeerd in Birma en en de ander in Siam, gebruikt. Zij ontmoetten elkaar uiteindelijk in oktober 1943 in Konkuita. 

De aanleg van de Birmaspoorlijn kostte uiteindelijk het leven aan minstens 15.000 krijgsgevangenen en 100.000 burgers. De Nederlandse slachtoffers en hun nakomelingen hebben nooit enige compensatie gekregen van de Nederlandse regering. 

In december 1941 waren de Engelsen van plan om middels  het aanvalsplan Matador het de Japanners onmogelijk te maken landingsplaatsen in Thailand (Siam) en het noorden van Maleisië te veroveren. Door een gebrek aan vliegtuigen kon deze actie echter geen doorgang vinden. 

Japanse troepen vielen nu Siam vanuit Battambang (Cambodja) over land, via de lucht, met als basis vliegveld Don Muang, en over zee aan. Zeven landingen tussen Hua Hin en Pattani, gelegen aan de Golf van Siam, versterkten de drievoudige aanval. 

Het verzet tegen dit militaire geweld duurde maar kort. Op 21 december 1941 gaf premier en veldmaarschalk van Thailand, Phibun Songkhram, bevel het vuren te staken en ging hij een bondgenootschap aan met de Japanners. 

Val van Singapore

Op 25 januari 1942 verklaarde de Thaise premier Phibun Songkhram de oorlog aan Engeland en de Verenigde Staten. Deze daad wekte P1360222 veel weerstand op onder de bevolking.

Minister van de Thaise delegatie in Washington, M.R. Seni Pramoj, weigerde de verklaring aan de Minister van Buitenlandse Zaken te geven en richtte de Vrije Thaise Beweging op. 

Intussen namen de Japanse strijdkrachten, onder leiding van luitenant-generaal Tomoyuki Yamashita, op 15 februari Singapore in. De Britse strijdkracht, bestaande uit 85.000 manschappen, was gedwongen zich over te geven aan een leger van 25.000 Japanners. Deze overgave werd door Winston Churchill later omschreven als "de grootste militaire nederlaag uit de geschiedenis." 

Met de val van Singapore vielen een groot aantal potentiële arbeiders, waardevolle machines en uitrustingen, waaronder 300 locomotieven, in Japanse handen. Omdat de zeevaart in het Pacifische gebied niet veilig meer was besloot de Japanse legerleiding tot de aanleg van een spoorlijn van Birma tot Siam. Deze spoorlijn zou een verbinding moeten gaan vormen tussen Singapore, Hanoi en Rangoon. 

Aanleg van de spoorlijn 

Het plan, naar voorbeeld van een oud Engels ontwerp, tot aanleg van de spoorlijn werd in juni 1942 getekend. Het spoor zou een meter breed worden. Het traject van Nong Pladuk liep P1360228 via Kanchanaburi, overbrugde de Kwae Yai-rivier en liep verder langs de Kwai Noi-rivier tot aan de Birmaanse grens.

Vanaf de Drie Pagoden Pas ging het spoor verder naar het noordwesten, waar het aansloot op de Britse lijn naar Rangoon, ter hoogte van Thanbyuzayat, bij de Birmaanse kust. 

De aanleg begon zowel aan het begin- als aan het eindpunt, met gebruikmaking van Engelse, Australische, Amerikaanse, Canadese, Nieuw-Zeelandse en Nederlandse krijgsgevangenen. 

Aan deze arbeiders werden nog eens 200.000 Aziatische gevangenen (Romusha's) toegevoegd. Zij waren afkomstig uit Nederlands-Indië, Maleisië, Birma, Vietnam en Brits India. Franse ingezetenen van Indo-China sloten een akkoord met de Japanse bezetter om gevrijwaard te blijven van het slavenwerk aan de spoorlijn. 

Birma: werkers aan de spoorlijn

De Japanse bezetter deelde haar werkkrachten in groepen van 2.000-12.000 mannen in. 

De zogenaamde "A-Force", P1360282 onder leiding van brigadier Varley was een Australische groep, bestaande uit 3.000 manschappen. Oorspronkelijk kwam zij uit Changi.  De A-Force werd op 16 september 1942 van het zuiden van Birma naar Thanbyuzayat, het noordelijke uitgangspunt van de spoorlijn, verplaatst. 

In Birma stelden de Japanners nu twee groepen met krijgsgevangenen te werk: nummer drie en vijf. In Thailand plaatsten zij de groepen een, twee, vier en zes en 10.000 personen die onder Maleisisch bestuur vielen (de "F" en "H" brigades).   

Begin oktober 1942 werden de krijgsgevangenen te Birma, ten zuiden van Thanbyuzayat, gedwongen bomen te vellen, spoordijken aan te leggen en bielzen te fabriceren. Iedere gevangene diende 1.2 kubieke meter grond per dag te ontginnen. In november 1942 vond een verdeling van groep drie tussen Thanbyuzayat en het einddoel van de spoorlijn plaats. 

In maart 1943, toen de groep onder brigadier Varley nog uit 9.534 man bestond, werden de manschappen weer verplaatst, nu deels naar Thanbyuazayat en Meiloe. De 9.534 leden kwamen uit alle delen van de wereld: 4.465 uit Australië, 481 uit Engeland, 194 Amerikanen en 4.394 Nederlanders. Aan hen werd nog een groep van 1.850 mannen toegevoegd, die niet onder het commando van Varley vielen. P1360253

Deze mensen waren op diverse plaatsen aan het werk: de Australiërs waren in Meilo actief, een Brits-Amerikaanse brigade legde een spoor aan in de richting van de Kun Knit Kway en de Nederlanders hadden zich verzameld tussen de kampen op 45 en 70 kilometer afstand van het einddoel. 

Vanaf april 1943 riep de bezetter de hulp in van Birmaanse jongeren, die aan het spoor moesten werken en deze verdedigen. Het natte seizoen was intussen begonnen, waardoor in mei 1943 de reeks kampen begon te veranderen in modderpoelen en cholera haar intrede deed.  

Naarmate de tijd vorderde strekte het gebied van de "A-Force" zich uit tot het zuiden van de Drie Pagoden Pas. In september 1943 bereikte de mobiele strijdmacht, die het spoor uitlegde, het 108 kilometerpunt. Nu gaven de Japanners het bevel aan de gevangenen van groep drie de spoorbielzen tot het 150 kilometerpunt te leggen en vond de aansluiting met de groep die in Thailand werkte plaats. 

Zelfs ernstig zieke gevangenen waren verplicht tot soms 24 uur aan een stuk door te werken om aan het Japanse schema te kunnen voldoen. 

Thailand: werkers aan de spoorlijn

In Thailand werden de groepen in het gebied rond Kanchanaburi en Tamarkam aan het werk gezet. Als eerste dienden twee bruggen gebouwd te worden en vervolgens de rest van het traject van de spoorlijn aan de linkeroever van de Kwai Noi-rivier. De "bouwplaats" bestond uit ruige berggebieden, overwoekerd met dik oerwoud en P1360256 afgewisseld met diepe ravijnen. 

Een van de groepen, de zogenaamde "Dunlop Strijdmacht", bestaande uit 878 Australiërs, stond onder commando van luitenant-kolonel E.E. Dunlop AAMC. Deze troep was begin januari 1943 van Java via Singapore naar het Konyu-gebied gereisd. Aldaar voegde de bezetter hen samen met 3.000 doodzieke Britse soldaten en 600 Nederlandse gevangenen:  allen onder  het bevel van Dunlop. 

Twee weken later werden de manschappen overgebracht naar het Hintok Rondkamp, gelegen op drie kilometer van de rivier. De Australiërs werden nu ingedeeld in drie bataljons, respectievelijk "S", "T" en "U" bataljon en verdeeld over Kanchanaburi en Hintok.

Het "S" bataljon, onder leiding van kolonel Mc. Eachern, nam te Hintok de administratieve werkzaamheden van kolonel Dunlop over. Dunlop zelf kreeg opdracht zich bezig te houden met de vele medische problemen.

"Er bestonden geen vrije dagen en het werk werd dag en nacht in een waanzinnig tempo opgevoerd. Olifanten sleepten hout maar de Birmaanse berijders stierven al snel aan de cholera. De nu optredende moesson verergerde de slechte gezondheidssituatie en dunde onze werkers steeds meer uit."

De Japanners gaven nu bevel een brug te bouwen tussen Konyu en Hintok. Deze zou 400 meter lang en 27 meter hoog moeten worden en gebouwd met hardhout uit het oerwoud. De brug stond later bekend onder de naam "De brug van het kaartspel" omdat de constructie tot drie maal toe instortte. Als gevolg van vallende rotsblokken vonden 31 mannen de dood, 29 werden vermoord doordat zij gemarteld werden met stokslagen. 

Het percentage doden dat viel tijdens de werkzaamheden was 18 procent bij de "D-Brigade" en tussen de 12-50 procent bij de overige bataljons. 

Aanvang van de bouw van de spoorlijn en verkeerde berekeningen

De bouw van de spoorlijn op het traject Nong Pladuk naar Konkuita stond onder toezicht van het negende Japanse spoorwegregiment, gecommandeerd door de commandant van het eerste bataljon. P1360250 De spoorlijn moest worden gelegd in een gebied van met oerwoud bedekte bergen, vereiste meer dan driehonderd bruggen en zou diverse bergpassen moeten bestrijken. 

De eerste groep geallieerde gevangenen, bestaande uit duizenden gedetineerden, werd op 19 juni 1942 van de Changi-gevangenis (Singapore) naar Thailand gezonden. Het transport vond plaats in gesloten wagons. 

Op dit moment vond een ramp plaats, die later vele arbeiders het leven zou kosten.

Luitenant-generaal Shimado Nobuo van het Negende Spoorwegregiment en elf hoofdofficieren stierven door een vliegtuigongeluk nabij de Drie Pagoden Pas.

Nobuo was een van de meest ervaren en bekwame ingenieurs van de aanleg. Met hem stierf de belangrijkste kennis der spoorwegbouw en viel men noodgedwongen terug op verkeerde berekeningen, informatie van onervaren Japanse legerofficieren en een map uit de negentiende eeuw.

Pas in januari 1943 realiseerde de Japanse toezichthouder dat beide einden van de spoorlijn niet op elkaar gingen aansluiten. Die aansluiting werd hierdoor pas op  17 oktober 1943, vele doden later, bij Konkuita, achttien kilometer van de Drie Pagoden Pas, gerealiseerd. 

Ligging en einde der bruggen over de River Kwae

Op dit moment was de bouw van twee bruggen over de River Kwae voltooid. De oorspronkelijke houten noodbrug met elf stalen bogen kwam in februari 1943 gereed. Deze brug was opgebouwd uit P1360240 onderdelen afkomstig van Java, die in delen naar Kanchanaburi waren getransporteerd. De eerste trein passeerde in juni 1943. 

Nadat een nieuwe brug gereed was gekomen werd de noodbrug ontmanteld. De tweede brug werd twee kilometer verder naar het noorden aangelegd, waar de Kwai Yai samenstroomde met de Kwai Noi. 

Beide bruggen kwamen aan het einde van het jaar 1944 zwaar onder vuur te liggen en werden in februari 1945 onbruikbaar door de vele bombardementen die doel troffen. Herstelpogingen mochten niet baten en de bevoorrading van de Japanners naar Birma werd gestremd.

Een noodbrug viel op 30 april 1945 ten prooi aan de lading van een B24 bommenwerper, die onder leiding van luitenant-kolonel Bill Henderson was uitgezonden.  

Pas van het vuur van de hel

Australiërs hernoemden de vallei Konyu (K3 of Kenyu) in Thailand in "de Pas van het vuur van de hel". De gevangenen in de pas leken 's nachts, P1360272 als zij er belicht door kaarsen stenen aan het hakken waren, op duivels uit de hel. Het vijf kilometer lange stuk naar het station in Hin Tok kostte aan iedere 400 van de 1.000 arbeiders het leven. 

Het werk in de Pas van het vuur van de hel begon op 25 april 1943 met de constructie en het spoorvrij maken door 400 Australiërs van het "T-bataljon" van de "D-strijdmacht".  Omdat het werk achter op het schema dreigde te raken werden in juni 600 Australiërs van het O, P en U-bataljon van de "D-strijdmacht" aan de te werkgestelden toegevoegd. 

Allen dwong men tussen 12-18 uur per dag te werken zonder een moment rust. Tot de werkzaamheden behoorden onder meer het uitgraven van de bodem, kappen van rotsen en wegvoeren van puin. Het aantal doden van de Konyugroep der Birmaanse-Thaise spoorlijn liep uiteindelijk op tot ten minste 800 geallieerde krijgsgevangenen, waarvan 69 door Japanse bewakers werden vermoord.   

De lange mars van de F-strijdmacht

De "F-strijdmacht", bestaande uit 3.600 Australiërs en 3.400 Engelsen, stond onder commando van luitenant-kolonel S.W. Harris van de 18de Britse Divisie. Deze eenheid vertrok op 16 april P1360276 1943 uit Changi met dertien treinen. Een groot aantal manschappen was feitelijk te ziek om te werken maar werd door de Japanners een gunstige werkomgeving beloofd. 

Harris beschreef deze tocht later. " 's Nachts diende men lopend grote afstanden af te leggen. Achterblijvers werden veelal afgemaakt door Thaise bewoners met messen. Een groot deel van de overige manschappen leed aan beri beri, difterie en andere ziekten.

In de nacht kwamen met de nevel ook wolken zandvliegen en muggen mee. Mijn hele lichaam stond  in vuur en vlam en mijn ogen brandden. Mijn voeten voelden als klompen rauw vlees.  En dan was ik nog in een goede conditie in vergelijking tot anderen. Zij leden aan malaria, dengue of een andere tropische ziekte." 

Eenmaal tewerk gesteld verslechterde de conditie onder de ruwe behandeling van bewakers en steeg het aantal zieken tot alarmerende hoogten. Soms diende het werk gestaakt te worden omdat er geen arbeiders meer te vinden waren. 

Terreur en cholera

De voortgang van de bouw van de spoorlijn was volgens de Japanners te traag. Daarom werd nu de "H-strijdmacht" in april 1943 in Singapore opgericht. De eenheid bevatte 3.270 manschappen. P1360279 Dat waren Engelse, Nederlandse, Amerikaanse en Australische krijgsgevangenen. Hun leider was luitenant-kolonel Humphries, met luitenant-kolonel Oakes als onderbevelhebber. 

In mei 1943 werd de afdeling op de trein naar Banpong gezet. Van hier moesten de mannen lopend naar hun eindbestemming, die was gelegen tussen Tonchan en Hintok.

De sterfte was zeer hoog. En steeg tot duizelingwekkende hoogten toen op 16 juni de cholera haar intrede deed. Van de 266 Engelse gevangenen, die op deze dag aankwamen, overleden binnen 9 dagen er 72. Luizen- en rattenplagen droegen hier mede toe bij. 

Toen op 22 augustus 1943 bij de Oakes-strijdkracht 217 doden te betreuren waren bracht de vijand de overige 100 mannen over naar Konkoita om aldaar verder aan het spoor te werken. 

Aziatische arbeiders

In 1943, toen het regenseizoen begon in Thailand en Birma, waren de kampen tussen Thanbyuzayat (Birma) en Kanchanaburi (Thailand) aan het wegrotten. Mede hierdoor brak opnieuw cholera uit. Zowel de krijgsgevangenen als de dwangarbeiders stierven als ratten en werden in massakuilen begraven. De dode lichamen van hen die in het oerwoud stierven bleven liggen en vormden zo bronnen van infecties voor de levenden. 

De Aziatische arbeiders, gerecruteerd in Maleisië, Java, Thailand en Birma, die het nog slechter hadden dan de geallieerde werkers, overleden vrijwel geruisloos met honderden tegelijk. Niemand weet precies hoe hoog het  sterftegetal van deze burgers is. Van de 200.000 Aziaten konden slechts 30.000 in de boeken teruggevonden worden. 

Spoorlijnen vanuit Birma en Thailand ontmoeten elkaar

Begin oktober 1943 naderden de bouwplaatsen van de spoorlijnen uit Birma en Thailand elkaar. Op 13 oktober organiseerden 300 Nederlandse krijgsgevangenen een protestactie, waarbij zij weigerden in het dan huidige krankzinnige tempo door te bouwen. De 16de oktober sloot uiteindelijk bij Konkoita de lijn uit Birma aan bij die uit Thailand. 

In januari 1944 vertrokken de Japanse bouwkundigen naar Birma. Het dodental onder de krijgsgevangenen en burgers bleef stijgen en men transporteerde de overlevenden van de "F" en "H" eenheden naar Singapore, waar zij bij andere eenheden werden ondergebracht. Dat was meestal in kampen te Tamuang. Chungkai, Kanchanaburi, Nakon Pathom en Nong Pladuk.  

Na de voltooiing van de spoorlijn

Nadat de spoorlijn eindelijk was voltooid splitsten de Japanners de onvrijwillige arbeiders in drie groepen. Een groot aantal (10.000) werd per schip naar Japan gezonden om in de kolenmijnen tewerkgesteld te worden. Velen van hen stierven tijdens bombardementen op transportschepen, namelijk minstens 3.000 personen.

De tweede groep deelde de bezetter in bij onderhoudsploegen van de spoorlijn. Meer dan honderd personen overleden tijdens bommenregens van de geallieerden. De derde groep, bestaande uit mannen die niet meer tot werk in staat waren, werd naar de gevangenis in Changi teruggezonden.  

Begraafplaatsen

De doden werden later deels herbegraven op erebegraafplaatsen. Die zijn onder meer te vinden in Kanchanaburi en Thanbyuzayat (Birma). Kanchanaburi bevat de stoffelijke resten van 3.568 Engelsen, 1.896 Nederlanders en 1.362 Australiërs. Nabij Chungkai bevindt zich een kleinere begraafplaats, de laatste rustplaats voor 1.384 Engelsen en 313 Nederlanders. 

In Thanbyuzayat zijn de graven te zien van 1.588 Engelsen, 621 Nederlanders en 1.348 Australiërs. De lichamen van 356 gesneuvelde Amerikanen werden overgebracht naar de Verenigde Staten. 


 

f t

Login