• Vestingartillerie

  • Zr.Ms Celebes in gevecht met een Kota Mara (1859)

  • Zr Ms Karel Doorman en Zr Ms Willem vd Zaan

  • Neptunusdiploma

  • Citadel van Antwerpen

  • Lanciers de la Garde Imperiale (Hollanders)

Atjeh1


 

Inleiding

De Atjeh-oorlog (1873-1914) was een koloniale oorlog die het Koninkrijk der Nederlanden voerde met het aanvankelijk oogmerk om de zeevaart door Straat Malakka te beveiligen tegen zeerovers uit Atjeh. Kohler voor MesigitLater was het doel het Sultanaa Atjeh onder Nederlands koloniaal gezag te brengen en te houden. De aanleiding tot de Atjeh-oorlog lag in de uitwerking van het Sumatra-tractaat van 1824, waarin Nederland zich verplichtte reizigers langs Sumatra een veilige vaart te verzekeren, maar zich tevens verplicht had de vrije staat Atjeh te respecteren.

In 1871 werd tussen het Verenigd Koninkrijk en Nederland een nieuw Sumatra-verdrag gesloten, dat Nederland de vrije hand gaf in Atjeh. Afgezien van het prestige was Atjeh rijk aan landbouwgrond, waar pepers werden verbouwd. Doordat Atjeh daarnaast de Straat Malakka beheerste en doordat de rol daarvan door de opening van het Suezkanaal steeds belangrijker was geworden, was er ook een strategische reden om zich met Atjeh te bemoeien: zeeroof door Atjehnezen kwam veel voor.

De Atjeh-oorlog in tijdvakken

De Eerste expeditie naar Atjeh (1873). Strijd tijdens de eerste expeditieOp 26 maart 1873 stuurde regeringscommissaris Nieuwenhuijzen, mede namens gouverneur-generaal Loudon, een oorlogsmanifest gericht aan de sultan van Atjeh, van wie men vermoedde dat hij de macht in het land had.

Op het Nederlandse ultimatum kwam niet de gewenste reactie. Daarop landde de eerste expeditie onder opperbevel van generaal-majoor Köhler op de kust van Atjeh met als doel de tuchtiging van de bevolking om daarna een traktaat te kunnen sluiten.

De expeditie werd versneld naar Atjeh gestuurd omdat er geruchten gingen dat de sultan van Atjeh in onderhandeling was, mogelijk met Italië en de Verenigde Staten, om zijn neutraliteit te behouden. Deze eerste Nederlandse inval liep uit op een vervroegde terugkeer der troepen, omdat de Atjehnezen te sterk waren en de opperbevelhebber zelf dodelijk getroffen werd door een kogel. Kohler sneuveld

De tweede expeditie naar Atjeh (1873-1874). Gedurende de tweede expeditie, onder leiding van generaal Van Swieten (tweede bevelhebber was generaal Verspyck), werd de Kraton veroverd, waarop de expeditie en de oorlog als beëindigd werd beschouwd en Atjeh overwonnen.

Er werd een kleine bezettingsmacht achtergelaten ter verdediging van het veroverde en om op vreedzame wijze toenadering te zoeken tot de bevolking.

De Atjeh-oorlog (periode 1874-1876) was de tijd na de tweede expeditie, dus van april 1874 tot februari 1876, toen Pel overleed. De eerste periode kenmerkte zich door een afwachtende houding, maar door omstandigheden gedwongen, moest men aan het einde van 1874 weer offensief te werk gaan.

De Atjeh-oorlog (periode 1876-1877) was de periode tussen het overlijden van Pel en de komst van generaal Van der Heijden. Gedurende deze periode werd, onder de generaals Wiggers van Kerchem en Diemont, een afwachtende houding aangenomen en werd het stelsel van generaal van Swieten strikt gevolgd. Generaal Pel en zijn manschappen

De Atjeh-oorlog (periode 1877-1881) was de periode, dat er te Atjeh weer offensief werd opgetreden, onder kolonel Van der Heijden. Het afwachtende systeem van de periode ervoor had niet het gewenste resultaat opgeleverd en overvallingen en onveiligheid namen steeds grotere proporties aan. Van der Heijden volgde de offensieve strategie en deed veldtochten naar alle hoeken van Atjeh. In 1881 was het land eindelijk onderworpen.

De Atjeh-oorlog (periode van het civiele bestuur) was de periode van 1881 tot 1883, waarin het militaire bestuur van Van der Heijden werd vervangen door een civiel bestuur onder Pruijs van der Hoeven, die het concentratie-stelsel invoerde. Het koloniale leger verschool zich in zestien vestingen (bentengs) die onderling waren verbonden door een stoomtramlijn.

Dit stelsel werd tot 1893 gebruikt. De tramweg was een geliefd doelwit gebleven van de Atjehnese strijders. Onder het bewind van Pruijs van der Hoeven liepen de zaken weer uit de hand. Hij wilde de militaire invloed tot een minimum terugdringen, stelde politieagenten aan om de vrede te bewaren en zocht toenadering met de bevolking, die daar niet op gesteld was. Het aantal overvallen en moordpartijen op Europeanen nam weer toe. Tenslotte werd de gouverneur gedwongen af te treden.Artilleriemagazijn te Atjeh

De Atjeh-oorlog (voortzetting van de afwachtende politiek) was de periode tussen 1883 en 1891, waarin de zaken verder uit de hand liepen en de civiele gouverneur, Laging Tobias, tenslotte aftrad omdat hij zichzelf als civiel gouverneur te Atjeh niet op zijn plaats achtte, maar een militair gouverneur noodzakelijk achtte (1883). Van 1884 tot 1886, onder generaal Demmeni, gingen de zaken steeds verder achteruit, vanuit Nederlands perspectief.

In 1883 al laaide de openlijke oorlog weer op, nadat het Britse schip Nisero strandde op Atjeh, in een gebied buiten de Nederlandse controlezônes. Een lokale leider gijzelde de bemanning, en vroeg aan zowel de Britse als de Nederlandse regering om losgeld. Nederland moest toegeven dat Atjeh nog niet onder controle was, waarop een gezamenlijke Brits-Nederlandse expeditie werd georganiseerd. Een rivaliserende lokale leider, Teukoe Oemar, werd om steun gevraagd, maar deze weigerde.

Gezicht vanuit de Kraton

Uiteindelijk beval de Sultan van Atjeh vrijlating van de gegijzelden, waarvoor hij veel geld van de Britten ontving, dat hij meteen voor zijn leger gebruikte. Generaal van Teijn volgde Demmeni op, maar de toestand bleef achteruit gaan.

Geconfronteerd met een goed bewapende Atjehnese oppositie moest Nederland wel weer openlijk de strijd aangaan, hoewel het volgens de officiële lijn slechts om politionele acties ging, en niet om militaire. Atjeh was immers formeel al, in februari 1874, door generaal van Swieten geannexeerd.

Teukoe Oemar en andere lokale leiders werden omgekocht met opium en geld, en ontvingen wapens in ruil voor toezegging van steun aan Nederland. Oemar verkreeg de titel panglima prang besar (opperste strijdheer van de regering) van Batavia, en nam een Nederlandse naam aan: hij noemde zichzelf nu Teuku Djohan Pahlawan (Johan de dappere). Op 1 januari 1894 verkreeg Oemar officieel toestemming een leger op te zetten.

Twee jaar later echter viel Oemar de Nederlanders aan, nadat hij zich weer aan de Atjehse zijde had geschaard. In de KratonDit werd bekend als het verraad van Teukoe Oemar, waarbij erg veel Nederlandse militairen omkwamen in een bloedbad.

Deze gebeurtenis betekende het ontslag van generaal Deykerhoff, die inmiddels Van Teijn was opgevolgd.

De Atjeh-oorlog (periode 1896-1901) was de periode, waarin, na het bloedbad van 1896, onder leiding van commandant van het Nederlands Indisch leger Vetter weer offensief werd opgetreden. Vetter werd een jaar later opgevolgd door Van Heutsz, die de offensieve lijn doorzette.

Van Heutsz werkte samen met de onderzoeker Christiaan Snouck Hurgronje die een diepgravende studie had gemaakt van Atjeh en zijn bevolking. Snouck Hurgronje was een arabist die groot aanzien genoot in Atjeh, mede door het feit dat hij moslim was (althans daar gaf hij zich voor uit) en een pelgrimstocht naar Mekka had gemaakt, wat zijn aanzien verder vergrootte. Snouck Hurgronjes rol is tot op de dag van vandaag onduidelijk, maar gelet op het feit dat een deel van zijn onderzoek gedurende lange tijd staatsgeheim was, kan men aannemen dat Snouck Hurgronje een uiterst effectief spion was.

Hij kwam tot de conclusie dat er drie soorten machthebbers waren in de Atjehnese maatschappij: de sultans, de landheren (oeleëebalang) en de religieuze leiders (oelemas). DaalenHij adviseerde om geweld te gebruiken tegen de oelemas. De macht van de sultan stelde volgens hem feitelijk niets voor en de landadel, zoals Teukoe Oemar, diende door middel van omkoping of chantage tot bondgenoot van de Nederlandse machthebbers gemaakt te worden.

Snouck Hurgronje zag echter over het hoofd dat het nationalisme inmiddels vaste voet in Atjeh had gekregen en dat de verdeel-en-heerspolitiek op den duur niet meer zou werken. Van Heutsz ontwikkelde de zogenaamde marechaussee-tactiek verder; oorlogsvoering met kleine goed bewapende mobiele eenheden van voornamelijk Menadonese en later Ambonese en Javaanse soldaten onder leiding van Europese officieren.

In 1903 verklaarde Van Heutsz, die in 1898 gouverneur van Atjeh was geworden, dat de oorlog was gewonnen. Aanleiding was de overgave van sultan Mohammed Daoed aan Van Heutsz.

De Atjeh-oorlog onder Van Daalen was de periode, waarin luitenant-kolonel van Daalen het bewind voerde te Atjeh. In deze jaren werden de resterende guerrillabenden één voor één uitgeschakeld, de laatste in 1914. Daarmee leek het verzet gebroken en dat jaar werd daarom wel beschouwd als het feitelijke einde van de Atjeh-oorlog (in deze jaren, na 1914, onder gouverneur Swart).


 

[ Terug

f t