Bouriciussse


 Familie

Jan Frederik Daniël Bouricius (Arnhem, 23 juli 1799 - aan boord van Zr. Ms. fregat De Ruyter nabij de Westereilanden, 4 mei 1859) was een Nederlands vice-admiraal, commandant en inspecteur van de zeemacht in Nederlands-Indië, adjudant in buitengewone dienst van koning Willem III en onder meer ridder in de Militaire Willems-Orde derde en vierde klasse.

Bouricius kwam uit het geslacht Bouricius en was een zoon van mr. Roeland Jan Bouricius (1751-1824), burgemeester van Arnhem en lid van gedeputeerde staten van Gelderland, en Eleonora Christina Frederica Eytelwein (1768-1838). Hij trouwde in 1826 met jkvr. Johanna Christine Frederica Elisabeth de Vaynes van Brakell (1802-1884), lid van het adellijke geslacht De Vaynes van Brakell. Zij kregen acht kinderen. 

 
Bombardement van Algiers en andere verrichtingen
Bouricius werd op 4 september 1810 benoemd tot elève op het Instituut voor de Marine te Enkhuizen.  De zesde maart 1812 vond zijn overplaatsing naar de école speciale et impérinte de la marine te Brest doorgang, waarvan hij op zijn verzoek, op 8 maart 1814, werd ontslagen. Hij keerde naar Nederland terug en werd in juli 1814 benoemd tot adelborst tweede klasse bij de dan opnieuw ingestelde  Koninklijke Marine. .Martinus Schouman Het bombardement van Algiers
 
Bouricius ontving een benoeming tot adelborst der eerste klasse in november van datzelfde jaar en werd op 16 juni 1816 bevorderd tot luitenant-ter-zee titulair. Omstreeks deze tijd plaatste men hem van het schip Diana over op het fregat Frederica Sophia.  
 
Op laatst genoemd schip woonde hij op 27 augustus van dat jaar de bombardementen op Algiers bij en commandeerde gedurende de strijd de eerste divisie in de kuilbatterij van de Frederica Sophia. .
 
Op 1 oktober 1817 werd Bouricius effectief benoemd tot luitenant-ter-zee tweede en op 1 juli 1825 bevorderd tot luitenant-ter-zee eerste klasse. Hij vertrok op 12 januari 1827 met de Waterloo, met aan boord een detachement expeditionaire troepen, richting Oost-Indië. Het schip verloor echter tijdens een noodweer in de Noordzee het tuig en zwalkte vervolgens gedurende 42 dagen stuurloos op zee rond. Eindelijk, op 23 februari, enterde de boot, maar mastloos, het plaatsje Sheerness.
 
Werkzaamheden in de Oost en Nederland
Op 5 augustus 1831 voerde Bouricius het bevel over de kanonneerboten nummer 41 en 42 tijdens het gevecht bij Hazegras (Belgische Opstand). Voor zijn verrichtingen werd hij daarvoor op 4 september, op voordracht van het Departement van Oorlog, door Z.M. de Koning benoemd tot ridder in de Militaire Willemsorde. Zijn bevordering tot kapitein-luitenant-ter-zee volgde op 1 april 1838. Het fregat Zr Ms Diana en het korvet Zr Ms Triton 1837
 
Twee jaar later, in 1840, kreeg Bouricius het commando over de expeditie naar Sinkel, gelegen op Sumatra's Westkust. In 1843 ontving hij uiteindelijk verlof naar Nederland terug te keren. Deze reis ondernam hij als commandant van de dan afgekeurde brik De Meermin.
 
Bouricius ontving op 28 april 1846 uit handen van Z.M. Koning Willem II het Ridderschap in de Orde van de Nederlandse Leeuw te Amsterdam.
 
Na deze eervolle huldiging bevorderde men hem op 1 januari 1847 tot kapitein-ter-zee. Begin 1849 besloot het gouvernement eindelijk, na de echecs van de eerste en tweede expeditie, tot een derde expeditie naar Bali. Bouricius werd hierbij aangesteld als commandant van het marine-landingsbataljon.
 
Mede door zijn verrichtingen kwam er nu wel een goede afloop en kreeg Bouricius, op 5 januari 1850, voor zijn verrichtingen te Bali, een bevorderding tot ridder in de Militaire Willemsorde derde klasse. Daarnaast benoemde men hem tot adjudant van Z.M. de Koning en werd hij op 1 januari 1852 bevorderd tot schout-bij-nacht.
 
Die bevordering viel samen met een benoeming tot directeur en commandant der Marine te Willemsoord. In deze periode (18 september 1852) fungeerde hij tevens als commandant van het eskader dat in de Middellandse Zee oefeningen verrichtte. 
 
Terugkeer naar de Oost en overlijden
Bouricius verwierf gedurende zijn leven vele onderscheidingen. Naast eerder genoemden eerbewijzen benoemde men hem op 25 februari 1854 tot commandeur in de Sardinische Orde van St. Mauritius en St. Lazarus. Bouriecieoes
 
In augustus 1854 werd hij aangesteld als commandant en inspecteur van de Marine in Oost-Indië. Drie jaar later, 1 januari 1857, volgde zijn bevorderding tot vice-admiraal en benoeming tot commandeur in de Orde van de Nederlandse Leeuw.  
 
Bouricius nam begin 1859 ontslag uit de militaire dienst en scheepte zich aan boord van Zr. Ms. De Ruyter in om naar Nederland terug te keren.Tijdens zijn embarkering was het gehele te Batavia gelegerde korps zeeofficieren aanwezig. Bouricius grafzuil
 
Daarnaast zag men veel hoofd- en subalterne officieren, ambtenaren en vrienden, allen present om hem een gelukkige thuisreis toe te wensen.
 
Bouricius zou Nederland echter nooit meer zien. Tijdens de reis trof hem een ernstige ziekte, waaraan hij spoedig overleed. Hij werd te Vlissingen, met alle aan zijn rang verbonden militaire eerbewijzen, begraven.
 
Voor de kist werd op de equipagewerf een katafalk opgesteld, die de gehele ochtend aldaar tentoongesteld bleef. Later brachten officieren der Marine de katafalk over naar de met vier paarden bespannen lijkwagen, die aan het begin van de werf was geplaatst.
 
De trein zette zich, onder 17 saluutschoten van Zr. Ms. fregat De Ruyterr, in beweging, gevolgd door onder meer een commissie uit het gemeentebestuur.. De slippen werden gedragen door vier vlagofficieren, allen ridders in de Militaire Willems-Orde derde klasse.
 
Aan het graf hield de directeur van de Marine, Smits van der Broeke,  een lijkrede. De plechtigheid eindigde 's avonds met een saluut ter ere van de admiraalsvlag, die op het fregat gehesen werd. 
 
Decoraties
  • Ridder in de Militaire Willemsorde derde en vierde klasse
  • Commandeur in de Orde van de Nederlandse Leeuw. 
  • Commandeur in de Orde van Sint-Mauritius en Sint-Lazarus
     
f t