Veteraan3
 

Lezing van Dietrick Willem Ferdinand (Dieter) van der Schilden (Soerabaja, 1935) tijdens de regionale veteranendag van Gooise- en Wijdemeren, Weesp en Hilversum op 9 juni 2018.  Voor een filmisch verslag klik op deze link. Dit stuk is in de "ik-vorm" gescheven, precies zoals Van der Schilden een voorstelling van zijn leven in voor-oorlogs Nederlands-Indië en de historie van en de bezetting door Japan gaf.  
 
Al het gebruikte illustratiemateriaal en de tekst is - zij het hier en daar bewerkt - afkomstig uit de film die Frits Ahlrichs van de lezing van Van der Schilden maakte. Het fotoalbum vindt u hier


Ik heb maar een half uurtje gekregen dus ik ga direct maar beginnen. Ik ben Nieuw-Guinea-veteraan, dus een echte veteraan. Ik heb gezien dat een aantal Nieuw-Guinea-veteranen ook in de zaal zit, dus ik voel mij weer een klein beetje thuis. Dank u wel.  Veteraan1
 
Ik geef wel eens voordrachten op scholen en dan vragen ze mij soms: “Meneer, wat is het meest heftige dat u beleefd hebt?” Ik zeg dan: "dat was op 16 oktober 1945. Toen lag ik, als tienjarig jochie, met mijn zieke moeder en mijn kleine broertje, op de grond onder het kruisvuur. 
 
Links Indonesische Pemoeda’s. Dat waren die jongeren die door de Japanners opgeleid waren om op Hollanders te jagen. Wij zaten er al een week gevangen in afwachting van het moment dat wij vermoord zouden worden. 
 
En aan de andere kant een groep woedende Japanse militairen. Vier dagen daarvoor waren honderd Japanse militairen in de gevangenis te Samarang afgeslacht door Pemoeda’s. Dus die zochten wraak en mensen die ze konden pakken. 
 
Mijn vader zat ook in die gevangenis, samen met 1.100 Hollandse mensen, Hollandse mannen, en die wachtten daar ook op hun dood. Er werden ongeveer zestig mensen in een cel gestopt. En de cel was zes bij zes meter, dus ze zaten als haringen in een ton te wachten op het einde.  De Japanners kwamen tussenbeide en bestormden de gevangenis en vervolgens ook de plek waar wij zaten." 
 
Indonesië bestaat uit een gigantische hoeveelheid eilanden. Weet u hoeveel ambtenaren in Nederland de zaak bestuurden? Ongeveer 900.000. ArchipelHet gehele Indonesische rijk werd geregeerd door 35.000 ambtenaren. Er waren hele gebieden waar geen ambtenaar te vinden was. Heerlijk lijkt mij dat!
 
Nou goed, mijn vader had dus het financiële toezicht over een gedeelte daarvan. Wat ook bijna niemand weet: in de Indische archipel bevonden zich 200 vorstendommen. De bekendste vertegenwoordigers daarvan waren de sultans van Solo, Djokja en Pontianak. De sultan van Pontianak was ook adjudant in Buitengewone Dienst van Koningin Wilhelmina. 
 
We hebben het er in Nederland wel eens over dat de Friezen een apart taaltje hebben...nou in Indië zijn veel meer groepen met eigen talen. In het Nederlandse gedeelte van de Oost sprak men meer dan 700 verschillende talen. Java, het hoofdeiland, bezat 55 miljoen inwoners. Men spreekt vaak over de onderdrukking van de bevolking door Nederlanders, maar indien men zich met 200.000 Europeanen op Java bevond, dat 55 miljoen inlanders bezat, dan viel er eigenlijk weinig te onderdrukken. 
 
Soerabaja is mijn geboorteplaats, in 1935 ben ik daar geboren, en het heeft nu ongeveer drie miljoen inwoners. Op Java bevinden zich een groot aantal vulkanen en af en toe was er een uitbarsting. Java
 
Ik vraag mij wel eens af als men zegt dat wij minder dienen te roken en minder giftige stoffen moeten uitstoten of men wel enig besef heeft wat het effect van een vulkaanuitbarsting is. Feitelijk zou men alle vulkanen af moeten sluiten, want die zorgen voor veel meer uitstoot van kwalijke gassen dan wij ons kunnen voorstellen. 
 
Om een voorbeeld te noemen: in 1814 vond een vulkaanuitbarsting plaats op het eiland Soembawa. Deze ramp is eigenlijk altijd onderbelicht gebleven. De uitbarsting was zodanig dat er door de stof- en rookwolken in China hongersnoden ontstonden.
 
Zelfs in Europa kwam er het jaar daarop, in 1815, een zomer die geen zomer wilde worden. Er was geen zon, geen warmte en het regende aan een stuk door. Waarschijnlijk is Napoleon hierdoor in de modder bij Waterloo vastgelopen, omdat hij de troepen op moerassige bodem moeilijk verplaatsen kon. Dit alles was een direct gevolg van de uitbarsting op Soembawa.  
 
Soerabaja is de plaats waar ik geboren ben. Op het wapen van Soerabaja staan een haai en een zoetwaterkrokodil. Het verhaal hierachter is volgens de overlevering het volgende. In 1293 vond in de monding van de river de Was een gevecht plaats tussen een zoetwaterkrokodil en een haai. Op de plek waar de lichamen, van de haai en de zoetwaterkrokodil, die elkaar gedood hadden, uiteindelijk  aanspoelden werd in 1293 de stad Soerabaja gesticht.  Hondenkar
 
Mijn vader is in 1897 in Aalsmeer geboren. Oorspronkelijk was het de bedoeling dat hij de groentewinkel van mijn oom zou overnemen omdat deze geen opvolger had. Mijn vader begon aldus met de werkzaamheden voor zijn oom en werd hiertoe de Haarlemmermeer met een hondenkar in gestuurd. Hij vond dat echter een verschrikkelijk toekomstbeeld. Al snel nam hij daarom een baantje bij de gemeentesecretarie in Aalsmeer aan en studeerde daarnaast Indisch Recht. Uiteindelijk werd hij in 1920 uitgezonden naar Nederlands-Indië. 
 
Mijn vader werd in Batavia ter beschikking gesteld van de gouverneur-generaal. Daar bleek hij de gave te hebben bijzonder goed met de Indonesische bevolking om te kunnen gaan. Daarnaast bezat hij een groot financiële talent en was dus de aangewezen persoon de diverse begrotingen te onderzoeken. Men stuurde hem uiteindelijk naar Soerabaja, waar hij het financiële toezicht kreeg over de regentschappen en gewesten. Soerabaja
 
Ik sprak thuis met de mensen, we hadden, zoals indertijd gebruikelijk was, veel personeel, altijd Javaans. Mijn ouders verstonden die taal niet, dus wanneer ze zich mengden in de conversatie schakelde ik over op Maleis. 
 
In Indië bestond een soort van driedeling wat de bevolking betreft: Europeanen, inheemse bevolking en Vreemde Oosterlingen. Chinezen vielen bijvoorbeeld onder de vreemde Oosterlingen, hoewel Chinezen een vrij groot deel van de Indonesische bevolking uitmaakten. 
 
Japanners werden echter ingedeeld onder de Europeanen. In die tijd, voor de oorlog, verbleven veel Japanners in Indië.  Zij bezaten meestal foto- en kapperszaken. Mijn vader ging in die tijd naar een Japanse kapper. Een aantal jaren later, in het laatste concentratiekamp, ontdekte hij dat zijn kapper daar de rang van kolonel in het Japanse leger bekleedde.  Hij begreep nu dat deze "kapper" dus al lang voor de oorlog naar Indië gestuurd was om te spioneren en aldus de oorlog voor te bereiden. 
 
Ik werd in 1935 in Soerabaja geboren, waartoe mijn vader was overgeplaatst. Hij was in deze tijd, naast zijn werk als ambtenaar,  jarenlang een van de topruiters in Indië. Er waren toen bij de rennen en bij het springen twee soorten ruiters: cavalerie-officieren en beroepsjockey's. topruiter van der Schilden
 
Mijn vader behoorde tot geen van die twee groepen. Daarom benoemde men hem tot "heerruiter". Hij mocht in die positie geen geld aannemen voor het deelnemen aan de rennen, alleen cadeaus als horloges en dergelijke zaken. 
 
Ik groeide op in de Javastraat 17 te Soerabaja. Achter het huis bevonden zich bijgebouwen, waar het personeel gehuisvest was. Ze konden zelf bepalen of ze 's nachts naar hun kampong terug wilden gaan of in hun kamer in Soerabaja wilden slapen. Ons personeel, moslims, nam gewoon aan al onze feestdagen deel. Tijdens de kerstviering bijvoorbeeld hielpen die mensen mee de kerstboom op te tuigen. Als zij een feestje hadden dan faciliteerden mijn ouders dat weer. 
 
Toen mijn broertje in 1939 geboren werd vond ons personeel dat er een offerfeest moest worden gehouden omdat er anders onheil zou geschieden. De plechtigheid vond plaats in onze tuin en als jong kind deed ik daar braaf aan mee. Naast ons woonde generaal Buurman van Vreeden en twee huizen verderop schout-bij-nacht Karel Doorman. Met diens zoon Theodoor zat ik samen op de kleuterschool.
 
Van mijn eerste bezoek aan Bali in 1938 heb ik geen foto's meer. De foto's die indertijd naar Nederland gestuurd zijn bleven behouden maar voor de rest ging alles tijdens de oorlog verloren. Wij gingen naar Bali omdat mijn vader voor zijn werk daar heen gestuurd werd en wij mee mochten gaan. Mijn vader was in die tijd ook voorzitter van de Boksbond. In die functie haalde hij met veel plezier de wereldkampioen halfzwaargewicht naar Java.
 
De inheemse bevolking oefende zelf ook zelfstandige beroepen uit. Onze huisarts was een Javaan, een volbloed Javaan, die in Leiden gestudeerd had. Boxles in de voortuinDe tandarts van mijn familie was een Sumatraan, dokter Sokoto, eveneens in Leiden opgeleid. Aldus hadden wij overal in de bevolking zo onze kennissen en relaties. Suzantro en Subroto, mensen uit de Volksraad, waren als huisvriend aanwezig bij het huwelijk van mijn ouders. Suzantro werd na de soevereiniteitsoverdracht de eerste ambassadeur in Nederland. 
 
Regelmatig gingen wij naar een berg, die niet zo ver van Soerabaja was gelegen, toe, waar we de plantages van vrienden bezochten. Op een van die plantages ging ik vaak met de huisvrouw mee het bos in om plantjes te plukken voor het avondeten.  En van de kennis die ik toen opdeed heb ik later, tijdens de oorlog, in het allerlaatste kamp, veel plezier gehad. Bij de plantage was ook een natuurhistorisch museum met allerlei opgezette vlinders en kevertjes. Er waren ook gifkikkers, die ik erg interessant vond, en gifslangen. 
 
Weet u wat Kamikaze, zelfmoordmissie, is en waar de term oorspronkelijk vandaan komt? In de dertiende eeuw leefde Kublai Khan, de kleinzoon van Genghis Khan. Hij was boos op de keizer van Japan omdat deze geen schatting betaalde. Daarom tuigde hij een grote vloot op en begon zijn eerste invasie. Deze mislukte omdat er een tyfoon (Kamikaze, Goddelijke Wind) opstak die de hele vloot vernietigde. 
 
Enige jaren later probeerde hij opnieuw Japan aan te vallen met een meer uitgebreide vloot en veel meer manschappen. Maar opnieuw vernietigde de Goddelijke Wind, Kamikaze, de vijandelijke vloot. Aan het einde van de Tweede Wereldoorlog dienden de Japanse piloten deze  "Goddelijke Wind" te vervangen en de vijand te verslaan. Deze keer stond Kamikaze echter niet langer achter hen.  Kamikaze2
 
Japan heeft zich jarenlang geheel afgesloten van de buitenwereld. De enige personen die met het land handel konden drijven waren Hollanders, die zich op Decima gevestigd hadden. Een keer per jaar ging een delegatie naar Japan, naar de hoofdstad, om een schatting aan de keizer te geven. Deze periode duurde tot in 1854 de Amerikaanse admiraal Perry Japan dwong om het land ook voor de handel met andere landen open te stellen. Decima
 
Japan diende een grote inhaalslag te maken in haar industriële ontwikkeling. Een probleem was echter dat het land geen grondstoffen bezat. Die had men met name nodig om kruisers en torpedoboten, die met olie gestookt werden, van brandstof te voorzien. 
 
Voor dit doel viel Japan Korea aan, alwaar men in conflict kwam met Rusland, dat toen Mantsjoerije binnenviel (1904). De tsaar van Rusland stuurde vervolgens een Baltische Oostzeevloot naar Japan om dit land een lesje te leren. 
 
Toen de Russische vloot in de buurt van Engeland arriveerde, bij de vissersvloot, viel ze de schepen aan. De bevelhebber dacht namelijk de Japanse kust bereikt te hebben. Pas enige maanden later bereikten de Russische schepen de Japanse zeestraat, waar de Japanse vloot de schepen al opwachtte. Deze slag werd een debacle voor de Russen. Alle boten werden naar de zeebodem gejaagd en slechts een torpedobootjager wist uiteindelijk Vladivostok te bereiken.  
 
Bij het zien van de expansiedrang en toenemende agressie van Japan begon ook Nederland zich, omstreeks 1900, zorgen te maken. Indien Japan haar blik ook op andere gebieden zou richten, hoe zou Nederland ooit Indië tegen het krachtige Japan kunnen verdedigen? Er werden nu eindeloos veel commissies ingesteld om te bezien wat nodig was om de gehele Indische archipel te verdedigen. Japanse kruiser Indertijd was men in de veronderstelling dat de Japanse agressie het beste te beteugelen was middels de inzet van een groot aantal onderzeeboten.
 
Later veranderde de regering meermalen van opinie. De strategie wisselde van het inzetten van grote hoeveelheden kruisers tot het gebruik van negen slagschepen. Niet een van deze plannen werd echter uitgevoerd. De bestuurders bleven wachten en dralen tot het veel te laat was.  Ruyterschip
 
Men was volkomen onvoorbereid op een eventuele oorlog. De eerder genoemde staatscommissies deden  in 1922  een voorstel voor een wet, de Vlootwet,  die in 1923 in de Tweede Kamer behandeld werd. In deze tijd heerste in Nederland echter de geest van het “gebroken geweertje” en was men fel anti-militair.
 
De vlootwet kwam in de Tweede Kamer en werd afgestemd met 50 tegen 49 stemmen. Het enige dat aan de vloot toegevoegd mochten worden waren twee kruisers. Het was echter verboden op beide schepen grote batterijen te plaatsen; enkel een 15cm stuk artillerie werd toegestaan.  Japan drong intussen steeds verder op. In 1931 viel  het Mantsjoerije binnen.
 
Voor deze inval en andere daden werd Japan veroordeeld door de Volkenbond, waarop zij de Bond verliet en een eigen koers bleef volgen. Die was om geheel Azië te veroveren, van Australië tot aan Hawaï toe. Indië werd gezien als een zeer aantrekkelijk doelwit, met name door de olievelden en de rubberplantages. 
 
In 1940 bracht een Japanse delegatie een bezoek aan Indië om de regering te dwingen de olievelden open te stellen voor de Japanners. Niet lang voor de aanval op Hawaï had het Japanse leger namelijk voor nog maar twee maanden olie ten behoeve van haar vloot en luchtmacht. 
 
Onderstaande foto werd op 7 december 1941 vanaf een Japans vliegtuig genomen. De Nederlandse schepen lagen als het ware klaar om onder vuur genomen te worden. Ondanks de slechte staat van haar defensie verklaarde Nederland op 8 december 1941 als eerste land ter wereld Japan de oorlog. 
 
Dat was zelfs nog voordat het Amerikaanse congres deze stap had ondernomen. Japan zelf was oorspronkelijk van plan geweest eerst Australië aan te vallen maar wijzigde dit plan als gevolg van de Nederlandse oorlogsverklaring. 
7 december 1942
 
De oorlogsverklaring vormde nu een directe aanleiding om de Japanse vloot koers te doen zetten richting Borneo, waar zich de rijke olievelden bevonden. Omdat het schip, waarop zich de mensen bevonden die opgeleid waren het bestuur over te nemen, getorpedeerd werd, kon men de overname van het landsbestuur later moeilijk realiseren. 
 
Japanse torpedo’s, die afgeschoten werden van de 125 torpedobootjagers, konden een afstand van veertig kilometer overbruggen. Mede hierdoor wonnen de Japanners de Slag om de Javazee (27 februari 1942). De eerste aanval vond plaats met zestig torpedo's.  Slag in de Javazee
 
De geallieerde vloot voer netjes in linie, met Karel Doorman en kruisers, waaronder de zware Amerikaanse kruiser de "Houston" en de Britse kruiser "Exeter", voorop. Zij werden gevolgd door torpedobootjagers, die eveneens in linie voeren.  
 
Karel Doorman zelf zag weinig in een eventuele slag in de Javazee en had eerder gezegd: "We kunnen beter uitwijken naar Ceylon, want we hebben geen schijn van kans”. Hij kreeg echter de order toch te proberen de Japanse landingen te verhinderen.  Dat Doorman gezegd zou hebben: "Ik val aan, volg mij" is apocrief. In werkelijkheid voer de "Houston" tegen een torpedo en week hierdoor uit. Doorman vreesde dat de achter hem varende schepen mee zouden gaan, dus seinde hij: "All ships follow me". 
 
De eerste geallieerde schepen wisten een Japanse aanval succesvol te ontwijken. Vervolgens keerde Doorman zijn schip en viel, tot verbazing van de Japanners, opnieuw de vloot aan. Een Japanse officier verklaarde later dat hij gedacht had dat de geallieerde vloot op zoek zou gaan naar Japanse schepen met landingsvaartuigen. Doorman, die geen vliegtuigen beschikbaar had om hun locatie te bepalen, wist echter niet waar die zich bevonden.  Australiërs, Amerikanen en Engelsen hadden daarnaast moeite de bevelen van Doorman te verstaan en de schepen onderling begrepen elkaars seinen niet. 
 
In februari 1942 startte Japan met bombardementen op Soerabaja. Ik heb daar regelmatig naar staan kijken. Ik kreeg van mijn vader een stalen helm op, die mij voldoende zou beschermen tegen de scherven. Mijn kleine broertje kreeg de jachtpet van mijn vader en zo stonden we de vliegtuigen en bombardementen te bezichtigen. Wij voelden ons heel erg veilig met zo’n stalen helm op. 
 
Op 1 maart 1942 landden de Japanners op Java en op 15 maart stonden ze bij ons voor de deur. We hadden indertijd een aantrekkelijk vrijstaand huis in Soerabaja en een Japanse officier in Soerabaja wilde deze woning hebben. De Japanners confisqueerden alles van waarde dat zij op hun weg vonden. Wij kregen nog heel even de tijd om alles in te pakken, zodat mijn moeder nog net een juwelenkistje mee kon smokkelen. Vervolgens werden we allemaal op de ossenwagen gezet en op 17 maart 1942 weggevoerd. 
17 maart 1942 uit huis gezet
 
Inmiddels was de Nederlandse militaire- en civiele leiding deels uitgeweken naar Australië en Ceylon. In eerste instantie werden wij opgevangen in het huis van een Russische arts. Mijn vader kreeg de opdracht voorlopig zijn werk voor het bestuur voort te zetten.  Pas op 22 april werd mijn vader, samen met 4.000 andere mannen, opgesloten in de gevangenis.
 
Een keer per week mochten we hem daar bezoeken. Dan ging de poort open, werd een touw gespannen en konden we soms zeepjes of andere benodigdheden overhandigen. Intussen ontruimden de Japanners een wijk met vrijstaande huisjes in Soerabaja en werden mijn moeder, broertje en ik daar toen in een kamertje ondergebracht. 
 
De vorige bewoners hadden alles achter moeten laten. Ik heb de tijd dat we daar verbleven lezend doorgebracht. Ik vond namelijk in de kast allemaal Karl May boeken, die ik verslonden heb.
 
Aldaar was het leven nog redelijk. Je moest alleen niet te dicht bij de poort, die om de huisjes heen gebouwd was, komen. In het begin konden we het complex nog wel verlaten om inkopen te doen maar op een gegeven moment werd  dit verboden.  Bombardementen Soerabaja
 
Bij de poort was een poortgebouw, waar de Kempeitai, de Japanse militaire politie, post hield. Zij had een onbeperkte macht. Als de Kempeitai bijvoorbeeld van mening was dat een generaal een verkeerde beslissing had genomen dan konden ze hem van zijn bed lichten zonder dat ze daar verantwoording voor behoefden af te leggen.
 
Een der kapiteins van de Kempeitai had de gewoonte tegen zonsondergang straffen uit te delen aan de vrouwen die dat zijns inziens verdienden. Het was heel naar om dat te aanschouwen. Mijn moeder had, vlak voor we opgesloten werden, nog kans gezien de geboortebewijzen van mij en mijn broertje te pakken te krijgen.
 
Dat was haar mede door de positie van mijn vader gelukt. Het was toen namelijk al streng verboden. De ironie is dat de persoon die de papieren aan mijn moeder verstrekte later, onder Soekarno, een van de felste nationalisten was en een groot voorstander alle Hollanders het land uit te werpen. Later, na de soevereiniteitsoverdracht, werd hij de eerste ambassadeur in Washington. 
 
Na de oorlog zijn we nog eens bij hem thuis geweest. Daar vond toen een vraaggesprek tussen hem en mijn vader plaats. Mijn vader zei: "Ali, julllie zijn hardstikke gek dat jullie alle Hollanders eruit gooien. Je hebt ze heel erg hard nodig bij de wederopbouw van het land." Toen zei Ali: "Nou, we gaan nog liever kapot dan nog een enkele Nederlander toe te laten."  Prikkeldraad om kamp Twintig minuten later vroeg hij aan mijn vader of hij terug wilde komen naar Indonesië om het herstel van de financiële inrichtingen voor te bereiden. Daarop antwoordde mijn vader: "Ja, maar Ali, jij gaat nu naar Washington, wie garandeert nu mijn veiligheid?" "Ja", zei Ali, "Daar heb je wel gelijk aan".   
 
Op 11 maart 1944 werden wij opgepakt, moesten onze spullen pakken en kregen het bevel naar de trein te gaan. Men dwong ons in een treintoestel, een goederenwagon, waarin smalle bankjes stonden, en sloot de deuren.  Vervolgens werden we, 458 vrouwen en kinderen, van stationnetje naar stationnetje gereden. Soms bleef de trein uren staan en daarna werden we weer gerangeerd.
 
Dit rangeren ging gepaard met schokken, waardoor we van het bankje afvielen en de koffers alle kanten uit vlogen. De reis was een hel, die 32 uur duurde, zonder eten of drinken in een brandende hitte. Na afloop waren we meer dood dan levend. Karangpanaskamp
 
Op 13 maart bereikten wij dan eindelijk Karangpanas, oorspronkelijk een weeshuis, en werden wij ondergebracht in de kapel.  Per persoon was er 60 cm. ruimte waarbinnen alle persoonlijke zaken bewaard  dienden te worden. Eten moesten we in de gaarkeuken halen en was erg karig, vaak alleen rijst met wat groente erin.  
 
Iedere dag was het aantreden voor appel, en die werden voortdurend gehouden, met name strafappels.  Het bewaken van vrouwen zagen Japanse officieren als een schande. De commandant leefde zich dus voortdurend uit om zijn nadelige positie te wreken. Waar hij maar kon sloeg hij erop los. Iedereen moest voor hem buigen zodra hij in de buurt was en zo blijven staan tot hij het genoeg vond. Als iemand zich ook maar een beetje bewoog dan sloeg hij erop los. Hij is later dan ook als oorlogsmisdadiger berecht.  Buigende vrouwen en kinderen
 
Dag en nacht waren er appels, en vooral de nachtelijke appels werden gevreesd.  Gebruikelijk was dat om drie uur 's nachts strafappel begon en vervolgens stond men tot diep in de nacht aangetreden. De kinderen gaven geen kik en bleven altijd doodstil staan, zo bang was iedereen voor de Japanners.
 
We moesten ook staan kijken als een bepaalde gestrafte afgeranseld werd of, wat ook erg "leuk" was: vrouwen moesten met een bamboestokje knielen in het grind en in de hitte uren blijven liggen. Als ze uiteindelijk omvielen werd er op los geranseld en dienden ze weer op te staan. Wanneer ze na uren weer naar hun verblijfplaats terug mochten gaan konden ze meestal niet meer lopen van de pijn en gilden ze het uit. 
 
De Kampcommandanten waren mannen die zelfs in hun eigen leger werden mishandeld. Het waren Aziaten en die zijn over het algemeen een stuk wreder, ook tegen elkaar, dan Nederlanders. Hoewel wij Nederlanders in bepaalde omstandigheden niet veel beter zijn. 
 
Op een zeker moment was er een jongetje, een kindje uit Soerabaja, dat kinderverlamming kreeg en stierf. Vervolgens ontstond een epidemie en daarnaast ook een mazelenepidemie, waaraan heel veel kinderen stierven.
 
Aangezien de Japanners doodsbang voor besmettelijke ziekten waren sloten ze het kamp hermetisch af en mocht niemand er nog in of uit. We konden zelfs niet meer met ons pannetje naar de gaarkeuken. Dagenlang hadden we hierdoor niets meer te eten, water was gelukkkig nog wel beschikbaar. 
 
Mijn moeder werd op een gegeven moment  doodziek en kon vrijwel niet meer lopen. Aangezien wij ’s avonds voor zonsondergang voor onze tampatjes moesten gaan staan en afwachten tot de inspectie der Japanners was afgelopen werd dit een probleem. WC
 
De commandant begon op mijn moeder los te ranselen, waarop  mijn broertje die Japanner aanvloog. Iedereen dacht: "Jezus, nou begint het". De Japanner keek naar mijn broertje en…..liep weg. Wij waren stomverbaasd. De volgende dag stonden we weer netjes op de lijn en opnieuw kwam de Japanner rechtstreeks op ons af. Hij pakte iets uit zijn zak, een koekje, stopte het in de mond van mijn broertje en liep vervolgens weg. Ik denk dat mijn broertje toch een bepaalde snaar in hem had geraakt. 
 
Mijn moeder werd in de ziekenzaal gezet en vanaf dat moment was ik samen met mijn kleine broertje, waar ik toen alleen voor moest zorgen. Op een gegeven moment werd de zaal ontruimd, op 25 november 1944, en werden de zieken, waaronder mijn moeder, per truck op transport gesteld.
 
Mijn broertje (4 jaar) en ik (8 jaar) bleven alleen achter. We hadden geen idee waar onze vader was, waar onze moeder was....We moesten het zelf maar uitzoeken. Kamp Karangpanas werd op 27 en 28 november 1944 ontruimd. We moesten met zijn allen (1.600 vrouwen en kinderen) naar het volgende kamp lopen. Op een gegeven moment viel mijn kleine broertje en zei: “Laat mij maar liggen, ik ga toch dood”. Ik heb hem toen op mijn nek gezet en meegesleept naar onze eindbesteming.
 
In de ochtend  kwamen we op een pleintje terecht en daar zaten we, mijn kleine broertje en ik, met de gedachte: "wat nu?" Lampersari was een dorpje, oorspronkelijk gebouwd voor 2.000 Javaanse mensen. In 1945 verbleven er meer dan 8.000 vrouwen en kinderen. 
Lampersari
 
Gelukkig kwamen wij toen de dochter van een arts, een verpleegster, tegen. Zij had mijn moeder in het transport ontdekt en zei tegen ons: “ik weet waar jullie moeder zit, ik breng jullie naar haar terug”. Zij was namelijk ook naar dit kamp getransporteerd. 
 
Het kamp was een dorpje en oorspronkelijk voor 200 Javaanse mensen gebouwd, een achterbuurt. In onze tijd was het omheind en werden wij daar ondergebracht. De huisjes waren klein, de voorgalerij mat 2 bij 4 meter, en daar plaatste men mijn moeder en zes andere vrouwen en kinderen.  
 
Ik ontdekte in een laantje plantjes die ik al kende van de eerder genoemde plantage. Deze ging ik plukken en slakken en muizen (met een katapultje) vangen. Daarnaast verzamelde ik kikkers, die ik slachtte. Bij kikkertjes moest je wel eerst het galblaasje verwijderen omdat de smaak anders te bitter was. Veel mensen werden ziek omdat ze giftige kikkers aten maar ik had eerder al geleerd welke soorten wel of niet gegeten konden worden en daar heb ik veel levens mee gered. 
 
Men deelde mij in bij de sjouwploeg, waar we moesten helpen met allerlei taken. Het is een keer gebeurd dat iemand een dode baby in mijn armen legde en zei: "Breng naar de poort". Negen jaar was ik toen. Iedereen moest een band omhebben, zodat men door kon lopen naar de ingang  
 
 Daar is de rest van ons leven bepaaldNiet ieder kamp was hetzelfde. Vooral  mannenkampen stonden onder leiding van mannen die meer van de Westerse wereld wisten en een redelijk humaan bewind voerden.  In de vrouwenkampen was dit echter niet aan de orde en waren de omstandigheden soms gruwelijk.
 
Intussen werd de inheemse bevolking ingehamerd dat de westerse invloed vernietigd moest worden. Het uiteindelijke doel van de Japanners was nog steeds een  Groot-Azië onder leiding van het Japanse Rijk.
 
Aks gevolg daarvan ontstonden de groepen Pemoeda’s, losgeslagen jongelingen, die militair geoefend waren om blanken op te sporen en te doden. Ook de eigen bevolking werden daarbij niet gespaard want als ze het er niet mee eens waren dan werden ze eveneens op gruwelijke wijze om het leven gebracht.  
 
Mensen in Nederland hadden geen idee wat er in de Oost allemaal speelde. De eerste groep oorlogsvrijwilligers werd in Maleisië door de Engelsen tegengehouden. Pas in maart 1946 landden de eerste Nederlandse troepen in Indië. Vervolgens werden dienstplichtigen, nauwelijks voorbereid,  naar de Oost gezonden, jongens die eigenlijk helemaal niet wisten wat er feitelijk speelde. 
 
Op 15 augustus 1945 capituleerde Japan en begon de Bersiapperiode. Mijn vader zat indertijd (11 september 1945)  in de trein toen men hem vertelde dat de vijand naderde.  Pemoeda's haalden vrijwel direct daarop een aantal mensen uit de trein en vermoordde ze. Mijn vader overleefde als enige deze slachtpartij. 
 
Op 12 september 1945 bracht onze vader ons naar een hotelletje, waar we op 11 oktober door een bende, gewapend met bamboesperen, werden overvallen. Op 14 oktober voerden Pemoeda's Hollandse mannen vanuit het hotel af naar gevangenis Boeloe. Aldaar werden 1.100 Nederlandse mannen en 100 Japanse militairen in overvolle cellen gepropt (60 man in een cel van 6 keer 6 meter). 
Armband opruimploeg
 
Op 15 oktober 1945 vermoordde men daar 99 van de 100 Japanse militairen. Op 16 oktober bestormden Japanse militairen vervolgens de gevangenis en bevrijdden de Nederlandse mannen, voordat die door extremisten afgeslacht zouden worden.
 
Zij richten onder de extremisten een waar bloedbad aan. Op 20 oktober, vlak voordat wij alsnog vermoord zouden worden, bestormde de Japanners opnieuw de plaats waar wij gevangen werden gehouden. Mijn nog doodzieke moeder, mijn broertje en ik lagen onder een kruisvuur op de grond en probeerden onszelf tegen de rondvliegende kogels te beschermen met matrassen en kussens. Wij overleefden het, de fanatieke permuda’s niet. 
 
Vier dagen later brachten Japanse militairen mijn door hen bevrijde vader terug, toen al op enkele plekken landingen van Engelse troepen plaatsvonden. Wij werden overgedragen aan een groep Gurkha’s en bleven tot acht november in hun kamp, dat ’s nachts meermalen door Indonesiërs werd overvallen. De Gurkha’s brachten ons uiteindelijk naar de kust, terwijl we onderweg nog meermalen beschoten werden.
 
Op 8 november 1945 werden wij met een klein bootje naar het voor Samarang voor anker liggende hospitaalschip m.s. Oranje gebracht en naar Australië overgevaren. Mijn vader kreeg, een jaar na de capitulatie, de keuze terug naar Indië te gaan om de algemene rekenkamer op te zetten, als voorzitter daarvan, waarna wij naar Nederland zouden terugkeren. 
 
Mijn moeder kwam uiteindelijk zwaar ziek uit deze periode terug naar de normale wereld. Uiteindelijk is ze op 72-jarige leeftijd gestorven. Zelf ben ik nu al bijna 83 jaar oud. Ons gezin heeft uiteindelijk alle verschrikkingen overleefd. 

 
 
f t