Afdrukken
Details: Hoofdcategorie: Marine Categorie: Artikelen marinepersoneel | Gepubliceerd: 10 oktober 2016

Graaf van den bosch2


Vroege loopbaan

Johannes Hendrik Otto graaf van den Bosch (Pasoeroean (Java), 16 september 1869 - Den Haag, 13 maart 1940) was de zoon van resident Johannes Hendrik WIllem graaf van den Bosch, de kleinzoon van Minister van Koloniën Johannes van den Bosch, gouverneur-generaal van Nederlands-Indië, en de zwager van de latere luitenant-generaal, commandant KNIL, M.B. Rost van Tonningen. Galen vaart helder binnen

De Minister van Marine benoemde Van den Bosch met ingang van 1 september 1885 tot adelborst der eerste klasse voor de zeedienst aan het Koninklijk Instituut voor de Marine te Willemsoord.

Bij Koninklijk Besluit van 28 juli 1889 nummer 30 vond zijn bevordering tot adelborst der eerste klasse plaats en stelde men hem tewerk aan boord van Zr. Ms. schroefstoomschip Van Galen. Dit schip voer, samen met Zr. Ms. Tromp en Zr. Ms. Atjeh, naar Rio de Janeiro, waar de Tromp koers zou zetten naar Suriname en de Van Galen en Atjeh hun reis naar Batavia gingen vervolgen. 

Van den Bosch werd met ingang van 1 juni 1890 op nonactiviteit gesteld om in de Indisch wateren respectievelijk overgeplaatst te worden op Hr. Ms. Atjeh en Hr. Ms. Prins Hendrik der Nederlanden. Tenslotte, in de rol van luitenant-ter-zee tweede klasse, bevond hij zich op Hr. Ms. Flores (september 1891). 

Activiteiten op diverse schepen

Van den Bosch kreeg bij Koninklijk Besluit van 16 oktober 1892 zijn bevorderding tot luitenant-ter-zee tweede klasse en werd in maart 1893 van Hr. Ms. Flores oNautilusvandenboschvergeplaatst op Hr. Ms. Gedeh, waarna nog een aantal overplaatsingen volgden, waaronder die op de Matafor. 

Gedurende deze periode nam hij in 1893 deel aan de expeditie naar Tamiang. In Januari 1894 kreeg hij, wegens langdurige dienst in de Oost, toestemming naar Nederland terug te keren, waar hij op nonactiviteit werd gesteld en met ingang van 1 november een plaatsing op Hr. Ms. Matador kreeg. 

In de directievertrekken der Marine te Hellevoetsluis ontving Van den Bosch in januari 1895 het Ereteken voor Belangrijke Krijgsbedrijven met de gesp Tamiang 1893.

Hij werd in september 1895 van de Matador overgeplaatst op Hr. Ms. Nautilus en met ingang van 1 april 1896 aan boord van Hr. Ms. logementschip Neptunus tewerk gesteld. 

Nog datzelfde jaar ontving hij de opdracht op het Wachtschip te Amsterdam dienst te gaan doen bij de opleiding voor zeemiliciens tot vletroeier. In deze functie commandeerde hij Hr. Ms. logementschip VII, waarmee hij de oefeningen der vletroeiers in de Nieuwe Hollandse Waterlinie begeleidde.

In de Indische wateren 

De functie van commandant van het Wachtschip in Amsterdam bekleedde Van den Bosch tot 22 maart 1898, het moment dat hij aan boord van de monitor Hr. Ms. Cerberus werd geplaatst. Toen Hr. Ms. flottieljevaartuig Koetei met ingang van 25 augustus Koetei den bosch1898 in dienst werd gesteld plaatste men Van den Bosch aan boord van dit schip. 

De Koetei, gebouwd op de werf van de Nederlandse Scheepswerfmaatschappij te Amsterdam, was een metalen schip, bewapend met tien stukken geschut en bedoeld voor de dienst in Nederlands-Indië. Alvorens in deze richting te vertrekken nam de Koetei echter eerst op 15 september, met Van den Bosch aan boord, deel aan de vlootrevue. 

In de Oost werd Van den Bosch met ingang van 1 maart 1900 van de Koetei als eerst aangewezen officier overgeplaatst op Hr. Ms. Nias, later dat jaar naar Hr. Ms. Piet Hein gezonden en in november 1901 op Hr. Ms. Koning der Nederlanden geplaatst. Kort daarop zond men hem per stoomschip Gedeh terug naar Nederland, zette hem toen eerst op nonactiviteit en stelde de officier met ingang van 1 december 1902 tewerk op Hr. Ms. pantserschip Schorpioen.  

Hogere rangen

Na de Schorpioen voer Van den Bosch gedurende enige tijd in de rol van eerste luitenant-ter-zee op Hr. Ms. pantserdekschip Koningin Wilhelmina, omUdurbiscg vervolgens in september 1903 overgeplaatst te worden op Hr. Ms. torpedo-instructieschip Marnix.

Hij werd met ingang van 1 augustus 1904 bevorderd tot luitenant-ter-zee eerste klasse en in december 1906 op Hr. Ms. pantserschip Tromp, dat in de Indische wateren voer,  tewerk gesteld. 

Aldaar was Van den Bosch onder meer werkzaam bij de Torpedo-dienst en op Hr. Ms. Koning der Nederlanden, tot hij in 1909 toestemming kreeg naar Nederland terug te keren, waar hij met ingang van 2 mei 1910 werd belast met het commando over Hr. Ms. Udur te Hellevoetsluis. Op 6 augustus van datzelfde jaar kreeg hij als eerste officier een plaatsing op Hr. Ms. Schorpioen.

Niet veel later detacheerden de autoriteiten hem bij het Departement van Marine en bevorderde men hem aldaar, met ingang van 1 februari 1915, tot kapitein-luitenant-ter-zee. In deze rang werd hij opnieuw bij de torpedobootdienst ingedeeld en benoemden de autoriteiten hem een paar maanden later achtereenvolgens tot commandant van Hr. Ms. Wolf, Zeeland en het pantserdekschip Hr. Ms. Noordbrabant.

Op dit laatste schip voer Van den Bosch in 1918, toen hij bij Koninklijk Besluit van  12 augustus 1918 nummer  43 met ingang van 1 september bevorderd werd tot kapitein-ter-zee.  

Latere loopbaan. 

Van den Bosch werd  bij Koninklijk Besluit in december 1918 als tijdelijk raad toegevoegd aan het Hoog Militair Gerechtshof in Utrecht en stond in 1919 op de lijst van sollicitanten naar een positie in de Algemene Rekenkamer.Hoog Militair Gerechtshof van den bosch2 Aan de functie bij het Militaire Gerechtshof kwam een einde toen hij in november 1920 door de Minister van Marine a.i. ter beschikking werd gesteld. 

In februari 1921 werd Van den Bosch tot ondercommandant van de Stelling van Hellevoetsluis benoemd en in december van datzelfde jaar aangesteld als commandant der Marine te Middelburg en van de Stelling van de Monden van de Maas en Schelde.

Bij hetzelfde Koninklijke Besluit (oktober 1923) waarin vice-admiraal W.J.G. Umbgrove eervol ontslag verkreeg uit de militaire dienst bevorderde men Van den Bosch tot schoutAfscheid van den Bosch-bij-nacht. Op 21 november volgde een benoeming tot lid bij het Hoog Militair Gerechtshof en met ingang van 1 januari 1924  eervol ontslag uit de functie van commandant te Middelburg. 

Van den Bosch werd met ingang van 1 november 1925 bevorderd tot vice-admiraal. Een van de zaken die het Hoog Militair Gerechtshof in de periode dat Van den Bosch daar actief was als lid behandelde was die tegen de gewezen commandant van Hr. Ms. Zeven Provinciën, kapitein-luitenant P. Eikenboom, Het Java-eskader, waarop indertijd kapitein-ter-zee M.H. van Dulm actief was, werd door de muiterij gedwongen orde op zaken te stellen. 

Tijdens een plechtige zitting van het Hoog Militair Gerechtshof op 28 december 1939 legde Van den Bosch wegens het bereiken van de wettelijke leeftijdsgrens zijn functie neer.  Drie maanden later overleed hij op 70-jarige leeftijd in Den Haag. Zijn laatste rustplaats vond Van den Bosch op de Algemene Begraafplaats in Den Haag. 

Decoraties