Otto de Booy


Vroege loopbaan

Otto de Booy (Den Haag, 28 maart 1904 - Den Haag, 7 april 1963) volgde de HBS,  deed in juli 1921 eindexamen en vervolgde toen zijn opleiding aan het Koninklijk Instituut voor de Marine. Bij Koninklijk Besluit en met ingang van 16 augustus 1924 werd hij benoemd tot luitenant-ter-zee derde klasse, dan bestemd vooHNMS K XVIr de dienst in  Nederlands-Indië. Hij vertrok op 27 september met het stoomschip Prins der Nederlanden naar de Oost, waar hij eerst werd geplaatst op Hr. Ms. Zeven Provinciën en in mei 1925 overgeplaatst naar het Station voor Onderzeeboten.

De Booy werd met ingang van 19 augustus 1926 bevorderd tot luitenant-ter-zee der tweede klasse; het jaar daarop trouwde hij te Soerabaja met Mary Jane Pijnacker Hordijk. In de periode die volgde werd De Booy voornamelijk ingezet op duikboten; eerst op Hr. Ms. KVII, vervolgens, in februari 1927, op Hr. Ms. KVI en aan het einde van dit jaar op Hr. Ms. KX.

Het jaar daarop werd hij belast met de functie van oudste officier aan boord van Hr. Ms. KIV, om aan het eind van het jaar 1928, op 21 november, weer terug te keren naar Nederland met het stoomschip Slamat.

Loopbaan onderzeebootdienst

De Booy werd, eenmaal terug in Nederland, op 11 februari geplaatst op de Onderzeedienstkazerne te Willemsoord. In deze tijd schreef hij een artikel in het Marineblad over onderzeebootmijnenleggers. In dit werk kwam hij tot de conclusie dat onderzeebootmijnenleggers voor de Nederlandse kolonies in de Oost noch wenselijk noch noodzakelijk waren. Op 7 februari 1934 vertrokken DeHNLMS K IV Booy, in de functie van commandant van Hr. Ms. K IV, en luitenant-ter-zee J.L.K. Hoeke, commandant van Hr. Ms. KV, met deze twee boten opnieuw naar de Oost.

In februari 1936 werd De Booy, inmiddels bevorderd tot luitenant-ter-zee der eerste klasse,  van Hr. Ms. KIV overgeplaatst naar de onderzeedienst in Nederlands-Indië. Naast zijn werk gaf hij toen ook lezingen voor een groter publiek over de Indische Marine; in januari 1937 behandelde hij in een van zijn causerieën de "Marine-problemen in Nederlands-Indië" voor de Vereniging Onze Vloot.

In zijn betoog wees De Booy op de zijns inziens noodlottige eigenschap der Nederlanders handelsbelangen en handelsovereenkomsten belangrijker te achten dan versterking van de militaire positie; hij beargumenteerde dat men niet dan slechts in tijden van spanningen bereid was hiervan af te zien, vaak met noodlottige consequenties.

Periode voor de Tweede Wereldoorlog

Indertijd was er veel gekrakeel over de aanvaring tussen Hr. Ms. KVI (waar De Booy toen commandant van was) en een prauw (4 februari 1938 in Straat Madoera), waardoor de prauw zonk. De Marineraad te Batavia weet de botsing geheel aan de werkwijze van de commandant, De Booy, van Hr. Ms. KVI, die zij verantwoordelijk achtte voor de navigatie en de uitgevoerde manoeuvre.

De Booy werd in juli 1938 overgeplaatst op Hr. Ms. Java en kreeg in januari 1939 vergunning om naar Nederland terug terug te keren. Aldus voer hij met de Marnix van St. Aldegonde terug naar Nederland, dat aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog stond. Met ingang van 24 augustus 1939 werd De Booy bij het Department van Defensie geplaatst. In maart 1940 sprak hij tijdens een avond van de Haagse Afdeling van het Nationaal Jongeren Verbond over het onderwerp "Duikbootaanvallen".

Tweede Wereldoorlog 

De Booy ontsnapte in 1940 met de half afgebouwde onderzeeboot OXXIV naar Engeland en boekte als commandant van deze boot in de Middellandse Zee diverse successen. Voor zijn verrichtingen werd hij bij Koninklijk Besluit 7 december 1941 nummer 7 begiftigd met de Bronzen Leeuw. Dat wwwwopacas met name omdat hij onder moeilijke en gevaarvolle omstandigheden gedurende geruime tijd het bevel voerde over de Nederlandse onderzeeboot OXXIV gedurende welke tijd meerdere successen tegen de vijand werden behaald. Later verkreeg hij van de Engelse regering de Distinguished Service Order.

De Booy werd in 1945 benoemd tot chef-staf commandant Zeemacht in Nederland. Hij werd in september 1946, samen met vijf andere vlagofficieren, waaronder de vice-admiraals G.W. Stroeve en L.A.C.M. Doorman en kapitein-ter-zee J. Logger (Commander) en de kapiteins-ter-zee C.J.W. van Waning en J. Tissot van Patot (Officier) begiftigd met de Order of the British Empire. De Booy was inmiddels bevorderd tot kapitein-luitenant-ter-zee en benoemd tot sous-chef staf Zeemacht Nederlands-Indië.

Loopbaan na de Tweede Wereldoorlog

Toen vice-admiraal A.S. Pinke in november 1947 een inspectiereis naar de Riouw-archipel en Sumatra maakte vergezelde De Booy hem op die reis. In deze tijd nam hij ook als lid plaats in de Marineraad, de instantie die hem eerder tijdens de botsing met de prauw als verantwoordelijk officier veroordeeld had. Op 1 september 1949 werd hij bevorderd tot kapitein-ter-zee en aangewezen als vertegenwoordiger van de Nederlandse Koninklijke Marine bij de gecombineerde staf van de vijf landen der West-Europese Unie (tot 1950, toen hij opgevolgd werd door kapitein-ter-zee D.J.A. Westerveld) in Fontainebleau. 

De Booy werd met ingang van 1 december 1950 benoemd tot commandant van de onderzeedienst in Rotterdam-Waalhaven. Ondanks deze eervolle promotie was dit een tragische tijd voor De Booy. Zijn zoon, W. Th. de Booy, kwam in mei 1951 om het leven toen hij, na afloop van de Varsity, op het station van Utrecht, tussen het perron en een trein viel; De Booy jr. was assistent-reserve Marineofficier, in opleiding bij de codedienst in het Marinekamp te Hilversum, en werd later met militaire eer begraven.

Na de Watersnoodramp van 1953 stelde de Marine haar materieel ter beschikking en had De Booy te Rotterdam de leiding over de hulpmiddelen  der onderzeebootdienst,  Hr. Ms. Rotterdam en in totaal omstreeks 2.000 man personeel. Van de Waalhaven in Rotterdam werden in de eerste dagen na de ramp 42 oorlogsschepen, waaronder mijnenvegers, motortorpedoboten, landingsvaartuigen, en alle beschikbare Marinesleepboten naar de provincie Zeeland gezonden.

Ontslag uit de militaire dienst en overlijden

De Booy vroeg en kreeg met ingang van 5 november 1954 eervol ontslag uit het bevel van de onderzeedienst en de functie van commandant van de maritieme middelen te Rotterdam. Hij werd opgevolgd door kapitein-ter-zee M.A.J. Derksema, tot dan commandant maritieme middelen te Willemsoord.  In zijn afscheid11149282 848634201856396 4461018648109646161 nstoespraak legde hij de nadruk op het grote personeelstekort bij de Marine.  Hij keurde daarnaast de geest bij een groot gedeelte van het Marinepersoneel af en haalde daarbij een passage uit de Openbaring van Johannes aan.

"Ik weet uw werken, dat gij de naam hebt dat gij leeft. Maar gij zijt dood". De daarop volgende phrase bedoelde De Booy als waarschuwing: "Wees wakker en versterk het overige, dat dreigt te sterven, want ik heb geen van uw werken wel bevonden". Hij waarschuwde hier dat de juiste geest binnen de Marine diende te zijn: "Pak aan en doe je plicht. Waak tegen de slappe geest, toon wat gij waard zijt, zoals gij mij dat hebt getoond gedurende de dagen van de watersnoodramp." 

De Booy overleed op 59-jarige leeftijd in zijn huis in Den Haag.


Onderscheidingen

  • Bronzen Leeuw
  • Oorlogsherinneringskruis met drie gespen
  • Ereteken voor Orde en Vrede
  • Onderscheidingsteken voor Langdurige Dienst als Officier met het cijfer XXX
  • Distinguished Service Order
  • Officier in de Order of the British Empire

Zie ook


 

[ Terug ]

f t