Afdrukken
Details: Hoofdcategorie: Marine Categorie: Artikelen marinepersoneel | Gepubliceerd: 26 maart 2015

Kip Militaire Willemsorde


Jonge jaren

Hendrik Bernardus Kip (Berbice, mei 1823 - Den Haag, 1 augustus 1897) was de zoon van Bernardus Cornelis Kip en Henriette Jones. Hij werd met ingang van 1 oktober 1842 benoemd tot adelborst der eerste klasse aan het Koninklijk Instituut Kip als adjundantvoor de Marine te Medemblik en met ingang van 1 januari 1946 bevorderd tot luitenant-ter-zee der tweede klasse. In de jaren die volgden maakte Kip onder meer reizen naar de West met Zr. Ms. schoenerbrik Ternate (commandant J.W. de Ruijter de Wild, 1852) en als commandant van Zr. Ms. schoener De Wesp (1854 en 1855).

Kip werd in november 1855 bevorderd tot luitenant-ter-zee der eerste klasse en in 1856 als commandant geplaatst op Zr. Ms. schoener Adder. Enige jaren later werd hij overgeplaatst op Zr. Ms. transportschip de Heldin (1860) en benoemd tot adjudant van de commandant der Marine te Amsterdam. In juni 1961 werd Kip tevens aangesteld als lid van de Raad van Tucht.

Uit deze functies werd hij op zijn verzoek in juni 1864 eervol ontslagen, onder dankzegging voor de bewezen diensten, en hij vertrok in januari van het jaar daarop per Willem Daniel van Amsterdam naar Batavia.  Aldaar werd hij geplaatst op Zr. Ms. raderschip vierde klasse Madura, waarmee hij gestationeerd werd in de wateren van de Zuider- en Oosterafdeling van Borneo, waar hij tot taak had de Beneden-Doessoen te bewaken.

Blokkade-eskader Atjeh

Kip werd in juni 1866 bevorderd tot kapitein-luitenant-ter-zee en werd toen geplaatst op Zr. Ms. Ardjoeno, gestationeerd ter rede van Batavia, later te Soerabaja en Makassar. In februari 1867 vertrok hij met dit schip naar Singapore om de dan nieuw benoemde gouverneur-generaal, Pieter Mijer, af te halen. Ook in later jaren maakte hij vele reizen op genoemde boot, tot hij in april 1870 op Zr. Ms. wachtschip te Hellevoetsluis werd geplaatst.

Bij Koninklijk BeBelegeringseskadersluit van 19 februari 1872 nummer 4 werd Kip benoemd tot ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw en met ingang van 1 november 1872 bevorderd tot kapitein-ter-zee. Na de desastreus verlopen eerste expeditie naar Atjeh, tijdens de blokkade van de Atjehse wateren, maakte Kip met Zr. Ms. Metalen Kruis (met ingang van 16 maart 1873 in dienst gesteld) deel uit van het blokkade-eskader.

Andere commandanten van schepen van dit eskader waren onder meer kapitein-ter-zee J. van Gogh (de oom van schilder Vincent van Gogh), Zr. Ms. Stoomfregat Zeeland, kapitein-luitenant-ter-wwwopac4Y0F06D7zee J.W. Binkes, Citadel van Antwerpen, en luitenant-ter-zee eerste klasse H. Dyserinck, de latere Minister,  Zr. Ms. raderstoomschip Sumatra.

Zr. Ms. schroefstoomschip eerste klasse Metalen Kruis werd op 23 juli 1873 ter rede van Atjeh afgelost door Zr. Ms. Watergeus en vertrok de 26ste juli naar de Westkust, om daar te patrouilleren. Dat was in het bijzonder het gedeelte tussen Saddle Eiland en Rigas. Vervolgens zette het schip koers naar Padang, waar het de 13de augustus 1873 aankwam. Hier werd de kolenvoorraad aangevuld teneinde de weg terug naar Singkel te kunnen aanvaarden.

Werkzaamheden in Nederland

Intussen onderhandelde Kip met de hoofden van de staatjes aan de westkust van Atjeh. In maart 1874 telegrafeerde hij dat vijf  daarvan, Analaboe, Poeloe-Kaioe, Hoeske, Laboean-Hadji en Moekin, de souvereiniteit van het Nederlands-Indische gouvernement zouden hebben erkend. Bij Koninklijk Besluit van 6 oktober 1874 nummer 10 verkreeg Kip de Militaire Willemsorde vierde klasse voor zijn verrichtingen in en om Atjeh in de periode 1873-1874.

Kip kreeg in juni 1875, hij had inmiddels het commando over de mariene middelen te Atjeh overgenomen van kapitein-ter-zee Van Gogh,  wegens ziekte vergunning terug te keren naar Nederland en werd met ingang van 1 september van dat jaar gedetacheerd bij het Departement van Marine ter waarneming van de betrekking van chef der afdeling personeel en als lid van de Commissie tot het examineren van zeeofficieren. In deze tijd schonk hij een orang-oetan aan de Koninklijke Zoölogisch-Botanische tuin in Den Haag.

Gouverneur van Curaçao

Kip werd bij Koninklijk Besluit van 8 februari 1877 benoemd tot gouverneur van Curaçao en aanvaardde die positie op 1 mei in een plechtige zitting van de Koloniale Raad.  Hij kreeg bij Koninklijk Besluit van 22 mei 1878 nummer 24 eervol ontslag uit de zeedienst met het recht tot behoud van pensioen. In oktober 1878 werd hem door de president van Venezuela de Bolivar-medaille verleend.

Kip verkreeg bij KCuracau tiponinklijk Besluit van 31 mei 1880 nummer 23 op eigen verzoek eervol ontslag uit zijn functie van gouverneur van Curaçao en werd in die functie opgevolgd door J.H.A.W. baron van Heerdt tot Eversberg. Kip schreef in de proclamatie die hij bij deze gelegenheid uitvaardigde, dat hij, bij het neerleggen van het bestuur, de behoefte gevoelde zijn welgemeende dank te betuigen voor de van zoveel kanten ondervonden bijstand en medewerking. Hij uitte de vurige wens dat de kolonie een tijdvak van bloei en welvaart tegemoet mocht gaan.

Kip verkreeg in 1884 het Ordeteken der derde klasse van het Borstbeeld van de Bevrijder, hem door de president van Venezuela geschonken, en werd in 1890 geaccepteerd als lid van het Instituut voor Taal- Land- en Volkenkunde van Nederlands-Indië. Daarnaast was hij commissaris van de Handel- en Industrie Maatschappij Curaçao en de Koninklijke West-Indische Maildienst.

Kip overleed op 1 augustus 1897 in de leeftijd van 73 jaar en werd begraven op Nieuw Eik en Duinen.


 [Terug