Henricus Nijgh


Familie

Vroege loopbaan

De strijd rondom Atjeh

Tochten door de Indische Wateren

De ondergang van Zr. Ms. Adder

Aan de West- en Oostkust van Sumatra

Functies in Nederland

Latere loopbaan

Decoraties

Zie ook


Familie

Henricus Nijgh (Rotterdam, 21 januari 1845 - Den Haag, 15 april 1917) was de zoon van Henricus Nijgh (1815-1895) en Wilhelmina Adriana Hoedt (1817-1879). Zijn vader was actief als uitgever. Samen met drukker A. Wijnands richtte hij in 1837 het Rotterdamsch Staats-, Handels-, Nieuws- en AdvertentHemricus neijghieblad op, dat een jaar later werd voortgezet als Nieuwe Rotterdamse Courant. Het echtpaar Nijgh-Hoedt kreeg zeven kinderen, waaronder Henricus, Johannes Carolus en Eduard Nijgh.

De zoon van Johannes Carolus was Henricus (1873-1948); deze was bevriend met de vader van Willem Pluygers. Pluygers zou later een der initiatoren zijn voor de samenvoeging van de Nieuwe Rotterdamse Courant en het Algemeen Handelsblad. Hij was daarnaast reserve-majoor en begiftigd met het Bronzen Kruis.

Henricus Nijgh zelf trouwde op 25 maart 1875 met Petronella Johanna van Ommeren (1849-1907), een dochter van de oprichter van het Rotterdamse agentuur- en cargadoorsbedrijf, later bekend als Koninklijke Van Ommeren NV. Zij kregen een zoon, Henricus Paul (1876-1949).

Vroege loopbaan

Nijgh volgde vanaf 1 oktober 1859 de opleiding aan het Koninklijk Instituut voor de Marine  te Willemsoord en vertrok in de rang van adelborst der eerste klasse op 30 oktober 1862 vanuit Vlissingen met een schip via Brazilië naar Reteh schipBatavia (27 april 1863). Aldaar werd hij tijdelijk ingedeeld op het Wachtschip en vervolgens op  Zr. Ms. transportschip Heldin geplaatst, waarmee hij terugkeerde naar Nederland.  Met ingang van de 26ste november 1864 werd hij overgeplaatst  aan boord van Zr. Ms. korvet Maurits der Nederlanden, dat bestemd was voor de vaart in de Indische wateren.

Nijgh werd met ingang van 1 juli 1866 bevorderd tot luitenant-ter-zee tweede klasse; hij was toen al geplaatst op het Wachtschip te Makassar. Enige tijd later werd hij overgeplaatst op Zr. Ms. schroefstoomschip Reteh en twee maanden daarna op het schroefstoomschip der tweede klasse Bali. Op dit schip diende hij ruim twee jaar en bezocht in die tijd onder meer Celebes, Sumbawa, Borneo en de Molukken.

Halverwege het jaar 1868 werd Nijgh overgeplaatst in de rol van het Wachtschip te Soerabaja, waarna hij met de boot Fop Smit terugkeerde naar Nederland. In september 1869 werd hij geplaatst op Zr. Ms. Admiraal van Wassenaer, waarmee hij een reis maakte door het Middellandse Zeegebied. Eind 1870 werd hij gedetacheerd op Zr. Ms. Argus, bestemd voor  Nederlands-Indië en met ingang van 23 februari 1871 als eerste officier op Zr. Ms. schroefstoomschip  vierde klasse Stavoren geplaatst. In maart 1873 volgde een overgeplaatsing op Zr. Ms. Prinses Amalia, in afwachting van de dan op handen zijnde eerste expeditie naar Atjeh (april 1873). Na nog enige wisselingen werd hij met ingang van 26 augustus 1873 aan boord van Zr. Ms. Soerabaija overgeplaatst.  

De strijd rondom Atjeh

Nijgh werd voor zijn activiteiten tijdens de tweede expeditie naar Atjeh op Zr. Ms. Soerabaija voor de eerste maal Eervol Vermeld. Hij hield tijdens zijn dienst gedurenBlokkade eskaderde dit strijdperk een journaal bij van de krijgsverrichtingen  (10 augustus 1873 - 8 januari 1874).   In zijn dagboek uitte hij forse kritiek op de leider, luitenant-generaal Jan van Swieten, maar over de tweede opperbevelhebber, generaal Verspyck, was hij zeer positief: "algemeen wordt erkend dat generaal Verspyck onze troepen voor een kolossaal verlies en echec heeft gespaard. Generaal van Swieten en kolonel de Neve zijn beiden te oud" (over het gevecht van 25 en 26 december 1873).

Nijgh beschreef de diverse gevechten en de vele onnodige doden die aan Nederlandse zijde vielen.Ook vestigde hij de aandacht op de wanorde die door het gebrek aan leiderschap van generaal van Swieten in de bivaks te Kampong Djawa en  Penajoeng heerste en onderstreepte welk goed werk de  traverse batterij onder commando van kapitein Borel  ondanks de barre omstandigheden tijdens de verovering van de Mesigit had verricht. Nijgh eindigde zijn logboek op 9 januari 1874, toen hij overgeplaatst werd op Zr. Ms. korvet Van Speijck, waarmee hij terugkeerde naar Batavia. 

Tochten door de Indische wateren

In mei 1875 werd Nijgh in de rol van eerste officier op Zr. Ms. monitor Heiligerlee geplaatst en keerde in september 1876 op Zr. Ms. Koning der Nederlanden terug naar de Indische wateren, waar hij op Zr. Ms. raderstoomschip der tweede klasse Merapi werd geplaatst. Met ingang van 1 juli 1877 weKuststrook van Edird hij bevorderd tot luitenant-ter-zee eerste klasse. Met de Merapi was Nijgh gestationeerd in het station van Sumatra's Oostkust, waar een van zijn taken het kruisen tussen Simpang Olim en Edi was.  Samen met de schepen Bommelerwaard en het raderstoomschip Boni nam de Merapi van 5 tot 20 mei 1877 deel aan de expeditie tegen Langsar.

Nijgh zelf was tijdens deze actie belast met het transport der infanterie van de rede naar de wal. Voor zijn verrichtingen in de dagen tussen 10 en 19 mei 1877 werd hij bij Koninklijk Besluit van 2 maart 1878 nummer 29  voor de tweede keer Eervol Vermeld. Bij gouvernementsbesluit van 16 augustus 1878  volgde een benoeming tot lid der commissie die het vaarwater tussen in Straat Madoera diende te onderzoeken en in november van dat jaar  werd Nijgh overgeplaatst op Zr. Ms. Wachtschip Gedeh te Soerabaja. Zijn taak binnen de eerder genoemde commissie was hydrografische informatie betreffende onder meer de diepte, getijden, kracht en richting der stromingen  te onderzoeken.

De ondergang van Zr. Ms. Adder

In januari 1880 diende de commissie een voorlopig rapport in bij het gouvernement. Hierna vertrok Nijgh naar Nederland, waar hij in november 1881 in de functie van waarnemend officier van politie gedetacheerd werd op de Rijkswerf te WillemsoorAdder monitrod. Op 5 juni 1882 verging de rammonitor Adder voor de kust van Scheveningen, waarbij de 63 bemanningleden (waaronder luitenant-ter-zee George Borel, oomzegger van kapitein George Frederik Willem Borel, en Ridder Militaire Willemsorde luitenant-ter-zee M. Smits), een loods en een passagier omkwamen.

In juni 1882 werd bij Koninklijk Besluit een onderzoekscommissie benoemd, waarin Nijgh, samen met een ingenieur,  werd belast met de uitvoerende werkzaamheden der commissie. Van 10 juli tot en met 13 november leidde hij het onderzoek ter plaatse en rapporteerde hierover aan de voorzitter der commissie. In december 1883 ontving Nijgh van de Minister een bijzondere tevredenheidsbetuiging voor de ijver en toewijding die hij had betracht bij zijn werkzaamheden met betrekking tot de Adder.

Eind december 1884 werd Nijgh tijdelijk in commissie gesteld tot het vervaardigen van kaarten en  kreeg in mei 1885 het bevel opgedragen over Zr. Ms. stoomkanonneerboot Brak. Een van zijn taken was de hydrografische opname van vaarwaters. In oktober 1885 volgde een detachering bij het Ministerie van Marine te Den Haag, waar hij tot april 1886 opnieuw kaarten vervaardigde.

Aan de West- en Oostkust van Sumatra

Nijgh werd toen als eerste officier op Zr. Ms. Koning der Nederlanden geplaatst en met ingang van 18 augustus 1886 belast met het bevel over Zr. Ms. schroefstoomschipmAKASSAR SCHROEFSTOOM  Makassar, bestemd voor de dienst in de Oost. Aldaar maakte de boot onderdeel uit van het Indisch eskader en behoorde met name het kruisen van de Indische wateren en aldus het weren van zeeroof en slavenhandel tot haar taken. Van mei tot en met september 1887 nam Nijgh met zijn boot deel aan de expeditie tegen Troemon. Nadat de troepen naar de thuisbasis waren weergekeerd bleef de Makassar aan de monding van de Troemonrivier de wacht houden.

In deze tijd voer Nijgh onder meer tussen de West- en Oostkust van Sumatra teneinde toe te zien op de smokkelhandel en om verdachte koopvaardijschepen te schaduwen. In november 1886 werd hij met de Makassar naar Lambesie op de Westkust geroepen om een eventuele aanval van Toekoe Oemar af te slaan. Nijgh werd met ingang van 25 juli 1889 van zijn commando over de Makassar ontheven en per die datum bevorderd tot kapitein-luitenant-ter-zee.

Functies in Nederland

Nijgh keerde in augustus 1889 per Zeeland terug naar Nederland, waar hij te maken kreeg met een dispuut tussen zijn persoon en de commandant van het schroefstoomschip vierde klasse Zr. Ms. Java H. van BroekNijgh marinemanhuizen, als gevolg waarvan Nijgh een ernstige ontevredenheidsbetuiging  van de Minister ontving. Vlak voordat deze zaak ging spelen was hij benoemd tot ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw maar door deze kwestie ging een benoeming tot ridder in de Militaire Willemsorde niet door.

In maart 1890 werd Nijgh benoemd in een commissie die als doelstelling had advies uit te brengen omtrent de taak die de Zee- en de Landmacht te vervullen hadden inzake de verdediging van Nederland aan de zeekant en op de rivieren. Bij Koninklijk Besluit van 23 maart 1890 nummer 28 werd hij aangesteld tot lid der Staatscommissie van Zee- en Landmacht en met ingang van 6 november 1892 als stafofficier overgeplaatst bij de Marine Directie te Hellevoetsluis en toegevoegd aan de commandant der Stelling van de Monden van de Maas en het Haringvliet.  Ruim een jaar later verruilde hij deze positie (met ingang van 1 januari 1892) voor die van stafofficier der Zeemacht in de directie van de Marine te Amsterdam.

Latere loopbaan

Nijgh werd na twee jaar bevorderd tot kapitein-ter-zee (augustus 1892) en op  1 september 1892 benoemd tot commandant van Hr. Ms. Guinea, wOude Henricus Nijfhaarmee hij tussen Den Helder en IJmuiden voer. Met ingang van 1 februari 1895 verkreeg hij eervol ontslag uit de militaire dienst met recht op pensioen. Hij vervulde na zijn pensionering nog diverse functies, waaronder die van lid van het College van Regenten over de strafgevangenissen te Den Haag (vanaf 28 maart 1903 tot 18 april 1908).

Nijgh overleed in de leeftijd van 72 jaar in Den Haag en werd begraven op de Algemene Begraafplaats aan de Kerkhoflaan aldaar. Onder de vrienden en bekenden die de plechtigheid bezochten bevonden zich de gepensioneerde vice-admiraals jonkheer Röell, Mac-Leod en Engelbrecht en enige gepensioneerde officieren der Marine. De zoon dankte de aanwezigen voor de laatste eer aan zijn vader bewezen.

Decoraties

  • Twee keer Eervol Vemeld (Atjeh, 1873-1874 en 1877)
  • Drager Atjeh-medaille 1873-1874  (Kratonmedaille)
  • Ereteken voor Belangrijke Krijgsbedrijven met de gesp Atjeh
  • Ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw
  • Bijzondere Tevredenheidsbetuigingen voor zijn werkzaamheden rond de ondergang van de rammonitor Adder (1882)  en voor de wijze waarop hij een opdracht tot het tekenen van kaarten in 1884 had uitgevoerd 

Zie ook


 [ Terug ]

 

 

 

 

f t