798px-De staf der expeditie voor Boni


Inleiding

De Boni-expedities waren twee strafexpedities van het Koninklijk Nederlandsch-Indisch Leger naar Celebes in 1824 en 1825. Na de val van het Makassaarse rijk was Boni, op het eiland Celebes, het machtigste gebied van het hele eiland geworden; van oudsher was het onafhankelijk en oefende het invloed uit op de meeste vorsten van Celebes; de vorsten van Luhu en een aantal kleinere staten waren bondgenoten van Boni, evenals het sultanaat van Soppeng.522px-Cornelis Kruseman - Godart Alexander Gerard Philip Baron van der Capellen

Na de overdracht van het gezag van de Engelsen aan het Nederlands-Indisch gouvernement was het er een tijd rustig gebleven maar toen de vorst van Boni in 1823 overleed en opgevolgd werd door zijn zuster Aru Datu trachtte het gouvernement de vorsten te bewegen tot een herziening van het Bongaisch tractaat, dat aan alle leden van dit bondgenootschap, die onder het gouvernement vielen, gelijke rechten zou toekennen. Van 8 maart tot 21 september 1824 deed gouverneur-generaal Godert van der Capellen een reis door de Molukse eilanden en naar Celebes; alle vorsten kwamen hem eerbewijzen brengen (ook gezanten van de koningin van Boni), met uitzondering van de vorsten van Supa en Tanete.

De eerste expeditie

Van der Capellen had verwacht dat de onderhandelingen met genoemde staten niet tot een goede uitslag zouden leiden; daarom had hij nog voor zijn vertrek uit Batavia een expeditie voorbereid en ingescheept met ongeveer 500 man geregelde troepen, 4 kanonnen en twee houwitsers en 600 man inlandse hulptroepen om zijn eisen kracht bij te zetten.

Het bevel over de troepen was opgedragen aan luitenant-kolonel De Stuers, die op 15 juli 1824 voor Tanette aankwam; de maritieme middelen stonden onder leiding van kapitein-luitenant Buys. Nadat een poging om alsnog de radja tot toenadering te bewegen was mislukt werden de troepen ontscheept en de verdedigingswerken om Tanette aangevallen. Voordat tot de bestorming van de hoofdplaats zelf werd overgegaan stelde De Stuers de vijand nogmaals in de gelegenheid zich te onderwerpen waarop de bevolking de radja onttroonde en in zijn plaats zijn zuster benoemde, die haar onderwerping aan het gouvernement persoonlijk bevestigde.

De nu onttroonde radja vluchtte naar het binnenland en bleef de bevolking tegen het gouvernement opzetten maar verder werden de zaken in Tanette tot een goed einde gebracht. De stad Soepa was echter geheel versterkt; luitenant-kolonel Reeder deed een aanval met 240 man en een paar vuurmonden; meer dan eens werden de aanvallen afgeslagen; de 14de augustus werd de aanval hernieuwd: de Boeginezen lieten de troepen ongedeerd naderen tot aan de voet van de heuvel en openden toen het vuur; na een verlies van een derde van de Nederlandse manschappen moest worden teruggegaan.

De Stuers haastte zich met regeringscommissaris Tobias naar Supa dat steeds meer werd ingesloten; in de morgen van de 30ste konden de operaties worden hervat, na een inleidend geschutvuur tegen de vijandelijke bentings, maar de macht waarover De Stuers te beschikken had was onvoldoende. Met een verlies van 14 doden en 60 gewonden was men gedwongen terug te trekken en besloot men van verdere pogingen af te zien. Een volgende expeditie werd noodzakelijk geacht.

De tweede expeditie

Gouverneur-generaal Van der Capellen had nog maar net Celebes verlaten of de Boniërs trokken in groten getale over de grens van het Nederlands-Indische gouvernement, veroverden de Nederlandse posten Pangkajene en Labakkang, bezetten Tanete en brachten de verjaagde vorst weer op de troon. 574px-Nederlandse troepen op Celebes

Met 25.000 man hielden zij de vruchtbare streek tussen Tanete en Maros en ook in het zuiden de omgeving van Bantaeng en Bulukumba bezet; majoor Wachs viel hen in de vlakte van Maros aan en bracht de Boniërs gevoelige verliezen toe; daar stond tegenover dat de versterkingen van het gouvernement te Maros, Bantaeng en Bulukumba onvoldoende bezet aan een aanval blootstonden en geheel Celebes verloren dreigde te gaan.

Er werd tot een grote expeditie (de zogenaamde Makassaarse expeditie) besloten onder opperbevel van generaal-majoor Van Geen; hij werd tevens benoemd tot eerste commissaris voor de zaken van Celebes en aan hem toegevoegd werden de civiele ambtenaren Tobias en Van Schelle. De expeditionaire troepen telden 4.100 man, waaronder 2.200 soldaten, 1.100 Soemenappers en 800 man hulptroepen van de het gouvernement goedgezinde vorsten van Celebes.

De vloot stond onder bevel van kapitein ter zee Pietersen en telde 7 oorlogsbodems, 3 kanonneerboten en enige gewapende sloepen. Gey van Pittius ARWOp 20 januari 1825 aanvaardde Van Geen het opperbevel en een week later kwam het schip de Louisa met de bevelhebber en de staf te Makassar aan. De baai van Boni werd nauwkeurig opgenomen en de kust verkend.

Bij deze gelegenheid onderscheidde zich de adelborst eerste klasse Jan van Speijk; de expeditie verscheen voor Bantaeng en Bulukumba en nu werden alle versterkingen genomen; de vloot vervolgde haar tocht naar Boni, waar de Bonische strijdkrachten bij Sinjai waren samengetrokken; er werd nu een aanval in de flank (door majoor Gey van Pittius geleid) uitgevoerd en de Boniërs werden verdreven maar groepeerden elders samen en dreigden de terugtocht af te snijden; ze werden verjaagd door het vuur van de barkassen onder leiding van Zoutman. 

Verder strijd

Op de 15de maart was de landing afgerond, was er een veldwerk op het strand opgeworpen en stonden er 5.000 Boniërs gereed om de troepen aan te vallen. 800px-Landing op de kust van Badjoa 27 maart 1825Van Geen liet enkele congrevische vuurpijlen tussen de Bonische ruiters werpen, waardoor deze op de vlucht sloegen en men van de paniek gebruik kon maken om tot de aanval over te gaan.

De vijand trok zich in het gebergte terug, waar nog ongeveer 7.500 man als reserve stond opgesteld, en deed een onverwachte aanval met zoveel kracht dat ze door de tirailleurlinie van de Nederlandse troepen heenbrak en zich op de colonnes wierp.

Van Geen liet het zevende regiment huzaren de vijand in de flank aanvallen, terwijl majoor Gey van Pittius de aandacht van de Boniërs probeerde af te leiden, waarop de vijand zich weer in het gebergte terugtrok.

Mangara Bombang was veroverd en de volgende dag zou de vijandelijke hoofdmacht worden aangevallen te Groot Sinjai maar de vijand was bijtijds afgetrokken. De 22ste werden de troepen weer ingescheept om Bajoe en Boni te veroveren. Bajoe werd verdedigd door een uitgestrekte linie, een uur gaans, waarvan de linkervleugel gedekt werd door een redoute, de rechter tegen ondoordringbare moerassen lag aangeleund en waarvan de verdedigingswerken bewapend waren met zwaar geschut.Spijck JCJ van

Na het debarkeren bestormden de Nederlandse troepen Bajoe en werden de Boniërs op de vlucht gedreven. De 30ste maart bereikten de troepen de omwalling van Boni; de stad was, onder de indruk van de overwinning van de Nederlandse troepen bij Bajoe, in allerijl verlaten door de Boniërs; de koningin was gevlucht en er werd door Van Geen een proclamatie verspreid om de hoofden over te halen weer tot onderhandelingen over te gaan. Le Bron de Vexela werd met een sterke macht naar Makassar gestuurd om ook hier de kracht van de Nederlandse wapens te laten zien.

De 20ste juni vertrok de vloot naar Supa, werden alle vijandelijke werken genomen en werd een proclamatie gericht aan de koning en de rijksgroten om hen alsnog in de gelegenheid te stellen zich te onderwerpen. De koning onderwierp zich, wapens werden ingeleverd en dat betekende het einde van de Tweede Boni-expeditie.


Bronvermelding

  • 1900. W.A. Terwogt. Het land van Jan Pieterszoon Coen. Geschiedenis van de Nederlanders in oost-Indië. P. Geerts. Hoorn
  • 1900. G. Kepper. Wapenfeiten van het Nederlands Indische Leger; 1816-1900. M.M. Cuvee, Den Haag.
  • 1876. A.J.A. Gerlach. Nederlandse heldenfeiten in Oost Indië. Drie delen. Gebroeders Belinfante, Den Haag.

[ Terug
f t