Groep aan boord van de Willem Barents midden met pijp J.H Calmeyer2



Familie

Vroege loopbaan

Derde poolexpeditie met de Willem Barents

Latere loopbaan

Hogere rangen

Latere loopbaan

Bronvermelding


Familie

Johan Hendrik Calmeyer (Amsterdam, 5 april 1854 - Heemstede, 8 september 1924), zoon van Christiaan Rudolph Calmeyer en Catharina Sophia Staudenmayer, trouwde op 19 oktober 1893 met Jane Ann de Veer (1871-1966). Zij was een nazaat van gouverneur van SuCalmeyer 002riname, Abraham de Veer (1767-1838).

Hun zoon was Michael Rudolph Hendrik Calmeyer (1895-1990), luitenant-generaal en staatssecretaris. Deze trouwde in 1921 met Caroline Ottoline Jeekel (1896-), dochter van Christiaan Antoon Jeekel (1866-1927) en Ottoline Johanna Vreede. Hun dochter Ottoline huwde met Synco Meyburg. Hun zoon is Willem Synco Michael Calmeyer Meijburg, chef-staf van de Inspecteur-Generaal der Krijgsmacht, generaal Bart Hoitink.

Vroege loopbaan

Calmeyer werd in gevolge van artikel 11 van het reglement van het Koninklijk Instituut voor de Marine te Willemsoord en overeenkomstig het door de commissie voor het afnemen van het examen ingediend procesverbaal van rangschikking, door de Minister van Marine met ingang van 1 september 1870 benoemd tot adelborst der derde klasse.

Met ingang van 1 september 1873 werd hij vanuit de rang van adelborst der tweede klasse bevorderd tot adelborst der eerste klasse en per 1 januari 1874 geplaatst op Zr. Ms. transportschip met stoomvermogen Java, dan gelegen te Willemsoord met bestemming Kaap de Goede Hoop.

Calmeyer werd in juli 1874 overgeplaatst op het opnemingsvaartuig Hydrograaf, dat op Batavia voer,  en in oktober 1874 in de Oost overgeplaatst op Zr. Ms. korvet Van Speijk. In dezBanka stoomschipe tijd vond  de tweede expeditie naar Atjeh plaats. Calmeyer werd in februari 1875 overgeplaatst op Zr. Ms.  stoomschip Banka en met ingang van 1 april 1876 bevorderd tot luitenant-ter-zee tweede klasse.

In deze rang diende hij eerst  op Zr. Ms. wachtschip Gedeh, om vervolgens, begin 1877, weer geplaatst te worden op de Banka. November 1877 werd Calmeyer overgeplaatst op Zr. Ms. stoomschip Bommelerwaard; pas in februari 1878 kreeg hij wegens langdurige verblijf in de Oost verlof om naar Nederland terug te keren, alwaar hij op nonactiviteit werd gesteld.

Calmeyer werd in september 1878 op Zr. Ms. fregat Evertsen geplaatst en met ingang van 1 april 1879 geplaatst in de rol van Zr. Ms. Wachtschip te Amsterdam. In de tweede helft van dat jaar nam hij deel aan de tweede Poolexpeditie met de Willem Barentsz.

Met ingang van november 1880 werd Calmeyer overgeplaatst op Zr. Ms. schroefstoomschip Koningin Emma der Nederlanden en in mei 1882 overgeplaatst op het stoomschip Curaçao. 

In april 1882 kwam hij aan te Batavia, om, samen met luitenant ter zee tweede klasse J.A.P. van Dorth, de wateren aan de rede van Soerabaja op te nemen.

Derde poolexpeditie

Calmeyer nam in juli 1882, samen met luitenant-ter-zee eerste klasse H. van Broekhuizen, commandant, luitenant-ter-zee eerste klasse A.F.J. Frackers en luitenant-ter-zee tweede klasse L.A.H. Lamie deel aan de derde poolexpeditie met de Willem Barentsz. 

Er was, onder leiding van Maurits Snellen, eeDe schoener Willem Barents in de Noordelijke IJszee geschilderd door Calmeijern team samengesteld en in Noorwegen werd de Varna gecharterd. Op 5 juli 1882 vertrok dit stoomschip onder grote publieke aandacht uit Amsterdam.

Het doel was Port Dikson, aan de monding van de Jenisej, waar een onderzoeksstation zou worden opgericht. Dikson werd echter niet bereikt. Het expeditieschip kwam samen met het Deense schip Dymphna muurvast te zitten in het ijs van de zuidwestelijke Karazee. Het hele observatieprogramma werd, noodgedwongen, op het ijs uitgevoerd.

Meteorologiscwwwopache gegevens als barometerstand, bewolking, en temperatuur maar ook oceanografische data als watertemperatuur en -diepte werden nauwkeurig bijgehouden. Tijdens verschillende stormen verschoven de ijsplaten rondom de Varna en raakte het schip zwaar beschadigd. Gedurende de poolwinter werden meerdere nooddepots aangelegd en als het erg tekeer ging sliep de hele bemanning met hun kleren aan, klaar om het schip te verlaten. Uiteindelijk zou het schip pas in juli 1883 zinken, na een volle winter en lente vol waarnemingen.

Na het vergaan van het schip vertrok het hele team, 23 man, voorzien van sledes en sloepen, naar het zuiden. Het doel was het Siberische vasteland te bereiken. Na een maand zwoegen kwamen ze aan bij het eiland Vaigatsj, waar ze een klein onbekend eilandje tegenkwamen en het vernoemden naar Buys Ballot.

Op weg naar het Siberische vasteland werden ze opgepikt door het schip Louise en op 1 september keerden ze terug in de bewoonde wereld, in Hammerfest. Een maand later werden de expeditieleden enthousiast verwelkomd in Nederland.

Latere loopbaan

In januari 1883 werd Calmeyer overgeplaatst op Zr. Ms. Zeeland en in maart 1884 overgeplaatst op Zr. Ms. Soerabaja. Hij verkreeg tegelijkertijd vergunning tot terugkeer naRammonitor draakar Nederland, wat hij op 14 maart 1884 deed per stoomschip Soenda vanaf Batavia.

Terug in Nederland werd hij vanaf  22 juli geplaatst op  Zr. Ms. rammonitor eerste klasse Draak, vervolgens geplaatst bij de torpedodienst der Marine te Willemsoord en in mei 1886 als eerste officier geplaatst op rammonitor Wesp.

Calmeyer werd nu, met ingang van 1 maart 1887, overgeplaatst op Zr. Ms. schroefstoomschip Van Speyk en, opnieuw in de Indische wateren, in april 1888 overgeplaatst op Zr. Ms. Gedeh. Niet lang hierna werd hij als eerste officier tewerk gesteld op Zr. Ms. Bromo en in mei 1889 benoemd op de eerste afdeling van het Departement der Marine in de Oost.

Calmeyer kreeg in oktober 1890 wegens langdurig verblijf in de Oost toestemming om naar Nederland terug te keren, wat hij op 30 oktober Dog bootdeed met de Prins van Oranje. Met ingang van 23 mei 1891 werd hij geplaatst in de rol van Hr. Ms. wachtschip te Hellevoetsluis en belast met het bevel van Hr. Ms. stoomkannoneerboot Dog.

Per november 1891 werd Calmeyer gedetacheerd in de Marinedirectie te Hellevoetsluis, om onder de bevelen van de commandant der Stelling van de Monden der Maas en van het Haringvliet te worden toegevoegd aan de stafofficier der zeemacht aldaar. Hij verrichtte hier voornamelijk werkzaamheden ten behoeve van de militaire hydrografie. 

Na afloop hiervan keerde hij weer terug naar eerder genoemde functie en het commandoschap van de Dog en Fret.

Calmeyer werd in oktober 1893 opnieuw gedetacheerd in de directie der Marine. Op 1 maart 1894  werd hij weer geplaatst op de stoomkannoneerboot Fret tot het doen van militair hydrografische opnemingen, onder meer opBromo boot de rivier de Maas. Een jaar later werd hij geplaatst op de Amstel en weer naar de Oost gezonden.

Aldaar werd hij tewerk gesteld op Hr. Ms. Gedeh en vanaf januari 1896 op Hr. Ms.  Batavia. Met ingang van 15 december 1896 werd hij bevorderd tot kapitein-luitenant-ter-zee. Calmeyer werd nu tijdelijk belast met het bevel over Hr. Ms. wachtschip Gedeh en de betrekking van oudst aangewezen zeeofficier te Batavia.

Belangrijke functies

Calmeyer werd in augustus 1897 tijdelijk belast met het bevel over Hr. Ms.  fregat  Atjeh. Na enige tijd op de Bromo gevaren te hebben werd hij in augustus 1898 in de functie van commandant overgeplaSunmatra bootatst op Hr. Ms. Sumatra, onder eervolle ontheffing van oudstaangewezen zeeofficier ter rede van Soerabaja.

Het jaar daarop nam Calmeijer zitting in de commissie voor het afnemen van het eindexamen aan de adelborsten der tweede klasse. Hij werd in september 1899 benoemd tot officier in de Orde van Oranje-Nassau. In deze tijd voerde hij het bevel over Hr. Ms. Instructieschip Admiraal van Wassenaer; van dit bevel werd hij bij Koninklijk Bevel met ingang van 1 oktober 1901 ontheven.

Met ingang van 1 november werd Calmeyer belast met het bevel over Hr. Ms. schoener Zeehond en bij Koninklijk Besluit van 21 mei 1902 bevorderd tot kapitein-ter-zee. Hij vertrok in juli van het jaar daarop weer naar de Oost.

Latere loopbaan

Calmeyer werd aldaar geplaatst als commandant van het pantserdekschip Gelderland, in januari 1904 overgeplaatst op Hr. Ms. Koningin Regentes en in november van ddd 010656987 mpeg21 p008 imagedat jaar op de Noordbrabant. Hij keerde terug naar Nederland en werd aldaar in de Directie der Marine te Amsterdam geplaatst en tot hoofd van het vak van uitrusting aan 's lands werf benoemd.   

Deze positie bekleedde hij tot augustus 1908, toen hij op zijn verzoek, wegens langdurige dienst als officier, eervol ontslagen werd en pensioen verkreeg. Calmeyer overleed op 70-jarige leeftijd in 1924 te Heemstede. Hij werd gecremeerd op Westerveld. Oud-luitenant-ter-zee Langelaar prees Calmeyer tijdens de plechtigheid als een bekwaam commandant.


Bronvermelding

  • Besluiten en benoemingen. In: Algemeen Handelsblad, 18 juli 1870
  • 1873. Besluiten en benoemingen. In: Bataviaasch Handelsblad, 24 september 1873
  • 1873. Plaatsingen. In: Het Nieuws van de Dag, 24 december 1873
  • 1874. Departement der Marine. In: De Locomotief, 31 oktober 1874
  • 1875. Overplaatsingen. In: De Locomotief, 8 februari 1875
  • 1876. De Locomotief,  2 januari 1877
  • 1877. Besluiten en benoemingen. In: Algemeen Handelsblad, 30 maart 1877
  • 1877. Benoemingen. In: Javabode, 14 november 1877
  • 1878. Verloven. In: de Java-bode, 22 februari 1878
  • 1878. Overplaatsingen. In: de Java-bode, 13 september 1878
  • 1880. Overplaatsingen. In: Het Nieuws van de Dag, 22 november 1880
  • 1882. Aangekomen. In: Soerabaija's Handelsblad, 29 april 1882
  • 1886. Plaatsingen. In: Algemeen Handelsblad, 29 mei 1886
  • 1887. Overplaatsingen. In: De Tijd, 17 februari 1887
  • 1896. Bevorderingen. In: Leeuwarder Courant, 8 december 1896

 [ Terug ]

 

f t