Asbeckje baron


Vroege loopbaan

Carel Johan baron van Asbeck (Den Haag, 5 februari 1891 - Wassenaar, 5 november 1962) was de zoon van Willem Dirk Hendrik baron van Asbeck (1858-1935), schout-bij-nacht, gouverneur Suriname en gevolmachtigd minister te Pappa is jonge asbeckMexico,  en Anna Marie Jeanne Henriette Kluit (1860-1927). Van Asbeck was de zwager van de zeeofficier en diplomaat,  ridder Militaire Willemsorde, François Cornelis baron van Aerssen Beijeren van Voshol. Zijn neef (neefzegger) was Carel Erwin baron van Asbeck.

Van Asbeck nam in de zomer van 1906 deel aan het examen voor adelborst der derde klasse en kwam zodoende in aanmerking voor een benoeming als adelborst voor de zeedienst aan het Koninklijk Instituut voor de Marine te Willemsoord. Bij Koninklijk Besluit van 24 augustus 1910 werd hij benoemd tot adelborst der eerste klasse bij de Zeemacht. Hij was in deze tijd actief bij de Adelborstenroeivereniging.

Van Asbeck werd eind 1911 ingedeeld bij het etat major van het pantserschip "Utrecht", dat op de West voer en werd bij Koninklijk Hermelijn van asbeckBesluit van 24 augustus 1912 bevorderd tot luitenant-ter-zee tweede klasse.  Met ingang van 15 oktober 1913 werd hij aan boord van Zr. Ms. pantserschip "Koningin Regentes" geplaatst, een schip dat in oktober 1913 in Amsterdam in dienst gesteld was en in Den Helder in gereedheid zou worden gebracht om medio november koers te zetten naar Nederlands-Indië.

Aldaar werd Van Asbeck in januari 1914 overgeplaatst op Hr. Ms. torpedobootjager "Hermelijn". Hij kreeg in november 1915 de Bronzen Erepenning voor Menslievend Hulpbetoon toegekend omdat hij met levensgevaar voor hemzelf een drenkeling ter rede van Goenoeng Sitoli op 13 mei 1915 gered had.

Plaatsingen op diverse schepen

Van Asbeck kreeg in december 1916 vergunning naar Nederland terug te keren en werd aldaar geplaatst op de onderzeeboot Hr. Ms. "O6", waarmee hij in de nazomer van 1920 een tocht maakte, die hem via Vlissingen, Groningen, Delfzijl, Terschelling en Nieuwe Diep, over IJmuiden en Amsterdam, de 25ste september 1920 weer naar Vlissingen terugvoerPelikkaantje asbeck in actiede.  Het jaar daarop commandeerde hij, inmiddels op 1 november 1920 bevorderd tot luitenant-ter-zee eerste klasse, een kruistocht van  de onderzeeboten Hr. Ms. "O6" en "O8" in de Noordzee en het Engelse kanaal.

Op 3 oktober 1922 vertrok een vloot van onderzeeboten, bestaande uit Hr. Ms. "K 2", "K 7" en "K 8", samen met Hr. Ms. "Pelikaan", naar Nederlands-Indië, waarbij Van Asbeck het commando voerde over Hr. Ms. "K 8". Hij bleef ook het jaar daarop dit commando houden en werd, nog steeds in de Indische wateren, vervolgens overgeplaatst op Hr. Ms. "K IV" en Hr. Ms. "Pelikaan".

Van Asbeck was een sociaal man, want in de Oost, in Soerabaja, richtte hij in mei 1926, samen met anderen, een commissie op ter voorbereiding van de stichting van een vereniging in de geest van een Young Men's Christian Association (YMCA). Hij kreeg vergunning terug te keren naar Europa en vertrok vervolgens, op 6 september 1927, per stoomschip "Patria" van Soerabaja naar Nederland, waar hij werd geplaatst bij het Departement van Marine.

Ministerie van Defensie en Marinevliegkamp

Van Asbeck werd in april 1926 benoemd in een commissie, ingesteld door de Minister van Marine, die rapport uit moest brengen over de door haaAspect als luitenantterzeer wenselijk geachte wijzigingen in het duik- en bergingsbedrijf en  het jaar daarop tot plaatsvervangend lid aangesteld van de commissie rangschikkingsonderzoek adelborsten. Hij schreef in een ingezonden brief aan het Algemeen Handelsblad op 21 oktober 1930 een kritiek op de kruiser uit het Vlootplan Deckers.

Van Asbeck werd met ingang van 28 februari 1931 ter beschikking gesteld en opnieuw aangewezen voor de dienst in de Indische wateren. Hij vertrok op 18 maart 1931 met het motorschip van de Rotterdamse Lloyd "Dempo" naar  Nederlands-Indië, waar hij eerst werd geplaatst op Hr. Ms. "SoembMorok vliegkampa" en in januari 1932 overgeplaatst bij het Marinevliegkamp Morokrembangan.

In dit Marinevliegkamp werd Van Asbeck belast met de functie van eerste officier.  Bj Koninklijk Besluit van 6 januari 1933 werd hij tijdelijk ter beschikking gesteld van de gouverneur-generaal om leiding te geven bij de crisis-werklozenzorg in Nederlands-Indië door de Amsterdamse Maatschappij voor Jonge Mannen.

In februari 1933 werd hij, ter vervanging van zijn ranggenoot C. Meijer, als eerste officier overgeplaatst op Hr. Ms. "Zeven Provinciën", Dat was vlak na de muiterij op dit schip, waar onder meer door de acties van het Java-eskader, dat indertijd onder commando van kapitein-ter-zee M.H. van Dulm stond, een einde aan kwam. In deze periode was Van Asbeck woonachtig aan de Tennisweg te Malang. Hij  werd op 27 maart 1933  bevorderd tot kapitein-luitenant-ter-zee.

Commandant Koninklijk Instituut voor de Marine

Van Asbeck werd nu op de Marinekazerne Oedjoeng te werk gesteld en op 15 januari 1934 als eerste officier geplaatst op Hr. Ms. "Java". Begin januari 1935 vertrokken Hr. Ms. torpedobootjagers "Van Ghent" en "Kortenaer" vanuit de Oost via het SueAspect commandant kimz-kanaal naar Nederland. Van Asbeck werd benoemd tot commandant van de "Van Ghent", tevens groepscommandant, tot commandant van de "Kortenaer' was luitenant-ter-zee eerste klasse A.S. Pinke aangesteld.

De schepen bereikten op 1 maart 1935 de haven van Niewe Diep, waar zij gestationeerd zouden worden. Van Asbeck werd in mei 1935 te Willemsoord geplaatst en bij het Koninklijk InstituScheidende asielpoezenut voor de Marine belast met de sociale aangelegenheden.

Met ingang van 1 februari 1936 (Koninklijk Besluit van 31 januari 1936) werd hij, als opvolger van kapitein-ter-zee C. baron de Vos van Steenwijk, benoemd tot commandant en directeur van het onderwijs van het KIM en nam hij voor het front van de troepen het vaandel over van zijn voorganger.

Tijdens het bezoek van Minister H. Colijn aan het KIM, in april 1936, werd deze door Van Asbeck en de eerste officier van het KIM, kapitein der Mariniers M.R. de Bruyne, begroet. De Bruyne zou later de functie van commandant van het Korps Mariniers gaan bekleden. Als commandant van de compagnie adelborsten fungeerde  bij deze gelegenheid de kapitein der Mariniers W.A.J. Roelofsen, later actief binnen de Mariniersbrigade in de Oost.

Van Asbeck werd met ingang van 1 december 1937 bevorderd tot kapitein-ter-zee. In het Marineblad van augustus 1938 schreef hij een artikel over de Ecole Navale te Brest en vergeleek hij de opleiding aldaar met die aan het Koninklijk Instituut voor de Marine te Willemsoord.

Latere jaren

Van Asbeck wist op tijd naar Londen uit te wijken en werd in oktober 1940 benoemd tot voorzitter der commissie die tot taak het onderzoeken en beoordelen van betoonde uitstekende daden of heldhaftig gedrag door het Commandant curakoutjepersoneel van de koopvaardij had. Dit gebeurde teneinde de Minister te kunnen adviseren inzake aanbiedingen en voordrachten voor de verlening van militaire eretekens. In januari 1941 trad hij toe tot de Raad voor de Scheepvaart.

In 1941 werd Van Asbeck op Curaçao, te Willemstad,  aangesteld als oudst aanwezend zeeofficier, benoemd tot algemeen commandant in het gebiedsdeel Curaçao en op 12 december 1942 bevorderd tot schout-bij-nacht.

Begin 1945 vond zijn benoeming tot commandant van het Marinecommandement in West- Indië plaats. Voor zijn werkzaamheden tijdens de Tweede Wereldoorlog werd Van Asbeck benoemd tot ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw.  Na de oorlog, op 1 mei 1946, werd hij bevorderd tot vice-admiraal en per diezelfde datum gepensioneerd.

Van Asbeck was later voorzitter van het algemeen bestuur van het Prinses Margrietfonds. Tijdgenoten schreven over hem dat hij "steeds een prachtige geest onder de op zijn schepen en inrichtingen dienende manschappen wist te brengen". Hij overleed in 1962 op 71-jarige leeftijd in Wassenaar.

Decoraties

  • Ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw
  • Erepenning voor Menslievend Betoon in Brons
  • Onderscheidingsteken voor Langdurige Dienst als Officier met het cijfer XXXV
  • Mobilisatiekruis 1914-1918
  • Nationale Vijfkampkruis van de NSF
  • Orde van de Bevrijder Simon Bolivar eerste klasse
  • Officer Legion of Merit 

Zie ook


 

f t