Johannes van Gogh


Vroege loopbaan

Johannes (Jan) van Gogh (Benschop, 19 augustus 1817 - Helvoirt, 12 augustus 1885), zoon van de predikant Van Gogh, volgde de Latijnse school en het Koninklijk Instituut voor de Marine te Medemblik en werd op 1 oktober 1836 benoemd tot adelborst der eerste klasse (gelijktijdig met de latere vice-admiraal F. de Casembroot). Op 28 november 1840 volgde zijn bevordering tot luitenant-ter-zee tweede klasse. Hij vertrok op 15 april 1844 vanuit Rotterdam met Zr. Ms. stoomschip Vesuvius (dan nieuw gebouwd) naaJohannes van Gogh5r Indië, waar hij in september 1846 werd geplaatst op de Ceres.

In 1848 moesten de bakens vervangen worden, die waren geplaatst om het vaarwater naar de rede van Makassar, tussen de banken Gosong Boni en Klein Lelij, aan te wijzen. Zij werden op last van de gouverneur van Celebes en Onderhorigheden aan de wal gehaald. Van Gogh, die met de opnames der vaarwaters belast was, maakte de zeil-aanwijzingen daarvoor. Van dit werk werd een kaart uitgegeven: "Kaart van het vaarwater ten noorden van Makassar".

Van Gogh werd bevorderd tot luitenant ter zee eerste klasse en benoemd tot adjudant van de directeur en commandant der Marine te Hellevoetsluis. In december 1854 werd hij aangesteld als directeur voor de waarnemingen ter zee bij het Koninklijk Meteorologisch Instituut te Utrecht, waar hij in nauwe betrekking stond met professor Buys Ballot.

In oktober 1855 gingen er geruchten dat Zr. Ms. schoener Atalanta in de Noordzee zou zijn vergaan, waarop Van Gogh zich gedwongen zag in een ingezonden brief in de kranten te verklaren: "Ik acht het nuttig te verklaren dat ik op zaterdag de 20ste oktober, 's middags om 4 uur, gemeld vaartuig in de Noordzee verlaten heb en dat de Atalanta toen in goede staat ter hoogte van Kamperduin zeilde".

Directeur Meterologisch Instituut

In zijn functie als directeur van het Meterologisch Instituut hield Van Gogh in april 1856 een rede tijdens de openbare vergadering van de commissie tot beMeteorologisch instituutvordering van het onderzoek naar de verschijnselen op de oceaan. Die rede behandelde de nieuwe route naar Australië, waardoor, volgens kaartenmaker Maury, de ontmoeting met ijsbergen minder gevaarlijk zou worden. De toespraak verscheen later in druk.

Een jaar later, tijdens eenzelfde gelegenheid, hield Van Gogh, in tegenwoordigheid van onder meer Z.K.H. prins Hendrik en Minister van Marine de Smit van den Broecke, een lezing waarin hij meldde dat de medewerking van Nederlandse gezagvoerders geleid had tot ontdekkingen ter bespoediging van reizen naar Australië en Java, zodat de reizen naar Oost-Indië volgens de kaarten van Maury gemiddeld elf etmalen minder duurden.

Activiteiten voor het instituut

Andere activiteiten die onder leiding van Van Gogh door het Instituut werden ontplooid waren de uitgifte van een nieuwe druk van het geschrift over de snijpunten der schepen met de breedtecirkels der meridianen en het leveren van bijdragen aan de kennis van de gesteldheid van de atmosfeer van de oceaan ten zuiden van de parallel van 40 graden zuidJohannes van Gogh2erbreedte. Daarnaast werden nieuwe gegevens toegevoegd aan de kennis van de fysische thalassografie. Voor dit laatste deed men temperatuurbepalingen van het zeewater aan de oppervlakte en van de golfstromen.

Van Gogh was sinds 2 mei 1857 lid van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen. Op 28 juni 1858 sprak hij in een vergadering over de storm- en regenkaart in de streken van de Kaap de Goede Hoop, uit een aantal journalen van Nederlandse schepen, volgens het stelsel van Maury, opgemaakt.

Daarnaast was Van Gogh lid van het genootschap Felix Meritis van de afdeling natuurkunde; in januari 1858 hield hij daarvoor een lezing over reddingsboten. Door het instituut werden, bij monde van Van Gogh, tevens adviezen gegeven aan de commissie voor de gevolgen van de doorgraving van de landengte van Suez.

Tochten door de Indische wateren

Bij Koninklijk Besluit van 13 oktober 1858 nummer 63 werd Van Gogh ontheven van zijn functie als directeur van het meterologisch Instituut. In een vergadering, gehouden op 29 december 1858, werden de bijdragen van Van Gogh door luitenant ter zee eerste klasse M.H. Jansen zeer Pallasgeroemd: spreker vond niets dan lof voor de ijver en de bekwaamheid waarmee in het bijzonder door Van Gogh was gewerkt. Zijn getrouwe waarnemingen vormden de grondslagen waarop het werk der afdeling tot stand was gebracht.

Van Gogh werd geplaatst op Zr. Ms. schip 't Loo, waarmee hij in 1859 tussen Indië en Nederland voer. Op 14 september 1860 had hij het commando over Zr. Ms. brik Cachelot, waarmee hij naar Japan (op 1 november 1861 bevond deze zich te Nagasaki) voer. Hij was inmiddels (1861) bevorderd tot kapitein-luitenant ter zee. In 1862 voer hij Johannes van Gogh4op Zr. Ms. korvet Pallas, als deel van het eskader, in de Indische wateren. Met zijn schip werd hij gestationeerd aan de westkust van Sumatra en deed hij in de eerste helft van juni 1862 een kruistocht om de noord.

In mei 1863 keerde hij met de Pallas naar Nederland terug en werd voor de tochten naar Japan afgelost door F. de Casembroot  (boot: de Medusa), die verzeild zou raken in het bombardement van Shimonoseki. In de vergadering van de Koninklijke Nederlandse Academie van Wetenschappen van 1 november 1864 hield Van Gogh een lezing over de weersgesteldheid van Japan.

Van Gogh werd op 16 april 1865 benoemd tot chef van de afdeling personeel bij het Departement van Marine. Op 21 september 1867 volgde zijn plaatsing op Zr. Ms. schroefstoomschip Curaçao, waarmee hij naar Batavia voer, waar hij de daarop volgende jaren weer deel ging uitmaken van het Indische eskader. In november 1869 werd hij, dan tijdelijk gedetacheerd bij het department der Marine in Nederlands-Indië, benoemd tot lid van het hoog militair gerechtshof. De detachering werd in mei 1872 ingetrokken, waarna Van Gogh, die toestemming had te repatrëren wegens langdurig verblijf, als passagier per stoomschip Neva naar Singapore vertrok.

Expedities naar Atjeh

Het blokkadekader voor de kust van Atjeh na afloop van de eerste expeditie na Atjeh bestond uit de volgende schepen:  

  • Stoomfregat Zeeland onder commando van Van Gogh
  • de stoomschepen eerste klasse Metalen Kruis (commandant kapitein-ter-zee Kip)
  • De Citadel van Antwerpen (commandant kapitein-luitenant-ter zee J.W. Binkes)
  • De Watergeus (commandant kapitein-luitenant-ter zee K.C. Bunnik)
  • Het stoomtransportschip Soerabaja (commandant luitenant-ter-zee eerste klasse Walther)
  • De stoomschepen derde klasse Timor (commandant luitenant-ter-zee eerste klasse C.H. Bogaert)
  • De Sumatra (commandant luitenant-ter-zee eerste klasse H. Dyserinck)
  • De Schouwen (commandant luitenant-ter-zee eerste klasse Van der Star)
  • De Kinsbergen (commandant luitenant-ter-zee eerste klasse H.P. König)
  • De Maas en Waal (commandant luitenant-ter-zee eerste klasse Holtzapffel)
  • De Den Briel (commandant luitenant-ter-zee eerste klasse Van Broekhuizen)
  • De Coehoorn (commandant luitenant-ter-zee eerste klasse De Klopper)
  • De gouvernementsstomer Hertog Bernhard (militair commandant luitenant-ter-zee eerste klasse Six)
  • De Telegraaf (commandant luitenant-ter-zee tweede klasse Bervoets) 
  • De gouvernementsstomer Siak (commandant luitenant-ter-zee eerste klasse Winkelman).

Van Gogh vertrok op 17 april 1873 met Zr. Ms. stoomschip Zeeland naar Batavia, om met zijn schip deel te nemen aan de blokkade van de wateren van en de tweede expeditie naar Atjeh. Hij was in de Oost daarnaast werkzaam als commandant der maritieme middelen. In deze functie rapporteerde hij ten aanzien van het begin van de tweede expeditie op 19 december 1874: "De vijftiende vuurden wij op de ooster- en westeroever van de Atjeh-rivier. De landmacht nam de oosteringang in bezit en gewapende sloepen werden ter verkenning opgezonden. 's middags werd het vuur van de schepBelegeringskaart van Atjehen gericht op de kraton en het voorliggende terrein. De rivier is gedeeltelijk versperd en een paar van onze troepen kregen schampschoten."

In een ingezonden brief aan de De Locomotief werd over Van Gogh geschreven: "Ik geloof dat alles goed gaat en ik druk de mening van iedere officier van de marine uit wanneer ik Blokkadeschepeneen woord van lof over kolonel van Gogh spreek; bezwaarlijk had men een bedaarder en geschikter commandant der marine middelen kunnen vinden."

Van Gogh keerde in augustus 1874 naar Nederland terug en werd bij Koninklijk Besluit van 6 oktober 1874 nummer 10 benoemd tot ridder in de Militaire Willems-Orde derde klasse voor zijn verdiensten tijdens de tweede expeditie (eerder was hij al benoemd tot ridder in de Militaire Willems-Orde vierde klasse voor zijn verdiensten tijdens de blokkade na de eerste expeditie).

De uitreiking vond op 23 oktober 1874 plaats op het plein der marinewerf te Den Helder. Vice-admiraal F.A.A. Gregory hechtte het onderscheidingsteken op de borst van de gedecoreerde officieren (naast Van Gogh onder meer de Marineofficieren J.W. Binkes, C.J. Marinkelle en J. Cardinaal).

Latere loopbaan

In 1875 werd Van Gogh geplaatst op de oorlogsstomer Leeuwarden en maakte hij met de oefeningsdivisie een reis naar Lissabon. In april 1876 werd hij bevorderd tot schout-bij-nacht en in 1877 aangesteld als commandant en directeur der scheepswerf in Amsterdam. InHuldeblijk aan vice admiraal Jan van Gogh commandant der zeemacht 1878 had hij zitting in de hoofdcommissie voor het huldeblijk ter gelegenheid van het huwelijk van Hendrik van Oranje-Nassau met Maria van Pruisen. Van Gogh werd in september 1879 eervol ontheven van zijn functie als directeur der marine te Amsterdam onder dankzegging voor de door hem in deze betrekking bewezen diensten.

Op 14 februari 1880 vertrok hij als passagier per stoomschip Prinses Marie naar Batavia, waar hij in mei 1880 werd bevorderd tot vice-admiraal en benoemd tot commandant van de zeemacht en chef van het departement van Marine in Oost-Indië. Hij was in deze functie de opvolger van viceadmiraal J.M.L. Brutel de la Rivière (bij Koninklijk Besluit van 11 februari 1880). In oktober van dat jaar werd hij aangenomen als lid van het Bataafs Genootschap voor Wetenschap en Kunsten en het jaar daarop, op 15 november, vierde hij zijn 50-jarig dienst als officier. Hij verkreeg op 1 juni 1883 eervol ontslag uit zijn functie als commandant van de zeemacht.

Van Gogh overleed in 1885 na een kort ziekbed. Hij was onder meer ridder in de Militaire Willems-Orde derde klasse en ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw en de oom van de schilder Vincent van Gogh.


 

f t