Koolemans


Expeditie naar Atjeh

Laurens Rhijnhart Koolemans Beijnen (Den Haag, 11 maart 1852 - voor de kust van Makassar, 11 november 1879) werd in september 1868 tot adelborst der derde klasse benoemd aan het Koninklijk Instituut voor de Marine en op 1 september 1871 bevordewwwopacrd tot adelborst der eerste klasse. In die rang werd hij in maart 1872 geplaatst op Zr. Ms. stoomschip fregat Admiraal van Wassenaer, commandant L.R. de Haes.

De 17de april 1873, de eerste expeditie naar Atjeh was toen net begonnen, voer Koolemans Beijnen, dan geplaatst op Zr. Ms. fregat met stoomvermogen Zeeland, commandant J. van Gogh, naar de Oost. Aldaar nam het schip deel aan de blokkade in de wateren rond Atjeh na de desastreuze afloop van de eerste expeditie naar Atjeh.  In april 1874 werd Koolemans Beijnen overgeplaatst op Zr. Ms. korvet Van Speijk. Na enig tijd werd hij echter ernstig ziek,  zodat hij door zijn artsen naar Nederland werd gezonden. De reis via De Kaap ondernam hij op een koopvaarder. Koolemans Beijnen werd op 1 september 1874 bevorderd tot luitenant-ter-zee tweede klasse

Engelse expeditie naar de Poolstreken

Koolenmans Beijnen was net terug in zijn vaderland toen in Engeland door Lady Allen en Sir Allen Young een expeditie werd voorbereid. Zij nodigden hem uit om ook aan de reis deel te nemen. Dat was mede doordat baron Groeninx van Zoelen eerder een grote som geld aan het Aardrijkskundig Genootschap hadCooleemans aangeboden voor de uitrusting van een Nederlands zeeofficier die aan de expeditie zou willen deelnemen. Koolemans Beijnen vervoegde zich hierop bij het bestuur en vroeg inlichtingen, waarop hij de aandacht naar zich toetrok door zich gedegen voor te bereiden op de tocht.

Het schip Pandora vertrok op 26 juni 1875 van Portsmouth; een der doelstellingen van de expeditie was het opsporen van de dagboeken van de beroemde Noordpoolreiziger John Franklin. Doordat Koolemans Beijnen tijdens de Poolreis (waarvan het commando bij Sir Allen Young berustte)  in het Algemeen Handelsblad publiceerde over de tocht, die tot Smithsound en door de Lancastersound tot Prince of Walesland doordrong,  werd hij steeds bekender, ook bij het grotere publiek. Hij rapporteerde daarnaast rechtstreeks aan de Minister van Marine. Na afloop schreef Koolemans Beijnen een verslag over Kooliede reis van de Pandora, dat gepubliceerd werd onder de titel: "De reis der Pandorra naar de Noordpoolgewesten in de zomer van 1875".

Naar aanleiding van de slechte kritieken die de wijze van oorlogvoering te Atjeh in Engeland kreeg schreef hij in een brief gericht aan kolonel M.H. Jansen, lid van de Raad van State en bestuurslid van het Aardrijkskundig Genootschap: "Naarmate ik meer lees en hoor wat men in den vreemde schrijft en denkt, ik meer en meer besef van hoe groot belang en voordeel het voor ons vaderland zou zijn als het zijn oude plaats kon hernemen temidden van die vreemde zeevaarders, die in het hoge noorden steeds roem en eer vergaren voor hun vaderland.

Nova Zembla en andere zaken

Koolemans Beijnen ontmoette een Engelsman, die het voornemen had naar Nova Zembla te gaan, en spoorde deze aan een aantal zaken uit de hut van Heemskerk enArtic Medal2 Barents mee te nemen. Onder deze voorwerpen bevond zich een kruithoorn, waarin een papier, met een kort verhaal van de tocht naar Nova Zembla, ondertekend door Barends en Heemskerk. De voorwerpen werden in 1876 in de modelzaal van het Ministerie van Marine tentoongesteld.

In het voorjaar van 1877 trad Koolemans Beijnen als spreker  in Doctrina et Amicitia op, waar hij een pleidooi hield om een gedenksteen te plaatsen op de locatie waar Barends en Heemskerk in 1596 en 1597 overwinterden. Tijdens de toespraak bracht hij hulde aan Barents en Heemskerk en zei hij het te betreuren dat in hun land van herkomst het minst aan hen gedacht werd. Hij vond dat Nederland, met het roemruchte zeevaartverleden, de historie ontrouw was geworden omdat alleen de Nederlandse vloot, in vergelijking met de omringende landen, in staat van verval verkeerde.

Nederlandse Poolexpeditie en terugkeer naar de Oost

Mede door de inspanningen van Koolemans Beijnen was het mogelijk fondsen bijeen te brengen voor een Nederlandse Noordpoolexpeditie, die in 1878 vertrok, en waaraan Koolemans Beijnen deelnam. De etat-major bestond uit de commandant, J.J. de BruyGrafne, Koolemans Beijnen, luitenant-ter-zee tweede klasse jhr. H.M. Speelman, de dierkundige C.P. Sluyter, een geneeskundige en een fotograaf. Na de tocht, in het voorjaar van 1879, voer Koolemans Beijnen gedurende twee weken in een vissersvaartuig op de Noordzee teneinde zich op de hoogte te stellen van de beugvisvangst.

Coolemans Beijnen vertrok in het voorjaar van 1879 naar de Oost, waar hij achtereenvolgens aan boord van Zr. Ms. Zeeland en het stoomschip Makassar werd geplaatst. Met de Makassar maakte hij nog een tocht in de wateren van Borneo en aan boord van dit schip benam hij zich, op de leeftijd van 26 jaar en getroffen door de Indische koorts,  in november 1879 het leven.

In eerste instantie werd in het telegram aan de Minister van Marine gemeld dat de dood van Koolemans Beijnen te wijten was aan een noodlottig ongeluk. Dr. Wap schreef een grafdicht, met de woorden: "Hij die zijn jonge naam in eeuwig ijsgraniet, naast die van Barents grifte aan Nova Zembla's kusten, heeft lang genoeg geleefd, daar hij deze aarde verliet, om onder Nederlandse vlag, op het lauwerblad te rusten." Koolemans Beijnen was officier in de Orde van de Eikenkroon, bezitter van de Atjeh-medaille, Ereteken voor Belangrijke Krijgsbedrijven en de Arctic Medal, ridder in het Legioen van Eer. Hij werd begraven te Makassar.

Zie ook


Bronvermelding

  • Biografisch Woordenboek der Noord- en Zuidnederlandse Letterkunde
  • 1872. Admiraal van Wassenaer. In: Het Nieuws van de Dag, 7 maart 1872
  • 1873. Marine en leger. In: de Java-bode, 30 mei 1873
  • 1874. Gouvernementsmarine. In: Bataviaasch Handelsblad, 22 april 1874
  • 1875. Brief van luitenant Koolemans Beijnen aan M.H. Jansen. In: Bataviaasch Handelsblad, 2 december 1875
  • 1876. Diversen. In: De Standaard, 29 november 1876
  • 1877. Huldeblijk aan Barents en Heemskerk. In: De Tijd, 7 maart 1877
  • 1878. Ons Poolschip. In: Het Nieuws van de Dag, 26 februari 1878
  • 1879. Algemeen Handelsblad, 23 november 1879
  • 1879. Nieuws. In: De Westindier, 28 december 1879
  • 1879. Surinaamse Courant, 30 december 1879

 

 [Terug]

 

f t