Afdrukken
Gegevens: Hoofdcategorie: Koninklijk Nederlandsch-Indisch Leger Categorie: Officieren, kaderleden en manschappen van het KNIL | Gepubliceerd: 03 december 2014

Heutsz1


Vroege jaren

Joannes Benedictus van Heutsz (Coevorden, 3 februari 1851 – Montreux, 11 juli 1924) was een Nederlands luitenant-generaal, onder meer gouverneur-generaal vHeutsz JB vanan Nederlands-Indië (1904-1909) en militair en civiel gouverneur van Atjeh.

Van Heutsz nam in 1867 als volontair dienst bij het Instructie Bataljon in Kampen, werd in 1870 als fourier geplaatst bij de infanterie in Maastricht en werd in 1872 benoemd tot tweede luitenant. Hij werd in 1873 op zijn verzoek overgeplaatst naar het Nederlandsch-Indische leger en vertrok in september van dat jaar naar Soerabaja waar hij bij het dertiende bataljon infanterie werd geplaatst.

Hij vroeg en kreeg overplaatsing naar Atjeh en werd voor zijn verrichtingen aldaar bij Koninklijk Besluit van 12 november 1875 nummer 18 benoemd tot ridder in de Militaire Willemsorde vierde klasse voor zijn verrichtingen te Atjeh in 1875. In 1877 werd hij als adjudant bij het civiel en militair bestuur te Soerabaja overgeplaatst en in 1880 keerde hij terug naar Atjeh onder generaal van der Heijden.

Visie ten aanzien van Atjeh

In deze periode ontwikkelde Van Heutsz de visie dat voor Atjeh een zuiver militaire oplossing noodzakelijk was. Daarmee ging hij in tegen de officiële politiek van het Indische gouvernement dat een snelle invoering van civiel bestuur beoogde. Van Heutsz presenteerde zijn visie in het artikel Civiel of militair bestuur, dat anoniem in het Militair Blad van 15 november 1882 verscheen. Hij was toen met verlof in Nederland (1881-1883) voor de verdere opleiding aan de Hogere Krijgsschool voor officieren in Den Haag.

In 1883 keerde Van Heutsz terug naar Nederlands-Indië en was achtereenvolgens gedurende zes jaren commandant van verschillende garnizoenen. Hij werd in 1889 voor de derde maal, nu in de rang van kapitein (1886), naar Atjeh overgeplaatst, waar hij onder generaal-majoor van Teijn alle kansen kreeg zich te ontplooien.

Strijd te Atjeh

Van Heutsz ging deel uitmaken van de Marechaussees en nam onder meer deel aan de verovering van Kota Toeankoe in 1890. In datzelfde jaar werd Van Heutsz bij keuzeHeutsz 1-2 bevorderd tot majoor. Toen Van Teijn wegens gezondheidsredenen aftrad en in 1891 door Pompe van Meerdervoort werd opgevolgd, vroeg en verkreeg Van Heutsz overplaatsing en werd benoemd tot garnizoenscommandant te Batavia. Hier schreef hij zijn brochure De onderwerping van Atjeh ('s-Gravenhage, 1893) - eerder gepubliceerd in Het Indisch Militair Tijdschrift - waarin hij pleitte voor het weer instellen van een marineblokkade als middel tot de pacificering van Atjeh.

Van Heutsz leerde in deze jaren Snouck Hurgronje (Islam deskundige en adviseur Inlandse Zaken) kennen en waarderen. Beiden waren van oordeel dat Atjeh eerst militair onderworpen diende te worden alvorens er een civiel bestuur gevestigd kon worden en waren tegen de bezuinigingspolitiek van het Indisch gouvernement. Zij zetten vragen bij de methodes van generaal Deykerhoff om Toekoe Oemar met geld te bewegen zijn verzet op te geven. Snouck Hurgronje had dan ook alle waardering voor de militaire uitgangspunten van de brochure De onderwerping van Atjeh.

In 1894 werd Van Heutsz bevorderd tot luitenant-kolonel en in die rang in 1895 benoemd tot gewestelijk militair commandant van Sumatra's Oostkust in Medan. Snouck Hurgronje, adviseur van gouverneur-generaal van der Wijck, prees Van Heutsz aan als de enige die het Atjeh-probleem aan kon pakken. Toen in 1896 het bericht kwam dat Teukoe Oemar zich tegen Deijkerhoff had gekeerd, werd Van Heutsz opnieuw overgeplaatst naar Atjeh als deelnemer aan de expeditie onder leiding van generaal Vetter.

Van Heutsz en de situatie te Atjeh

Van Heutsz werd in 1897 benoemd tot kolonel, chef van de generale staf te Batavia.  In Batavia raakte Van der Wijck mede dank zij Snoucks pleidooien steeds meer overtuigd van de juistheid van de militaire inzichten van Van Heutsz. In 1898 werd deze dan ook bevorderd tot generaal-majoor en benoemd tot civiel en militair Gouverneur van Atjeh, waarbij Snouck Hurgronje hem als adviseur diende. In de periode van zijn gouverneurschap, Overste van Heutsz bij Selimoen begin 1897van 1898 tot 1904, wist hij onder het motto waakzaamheid en bewegelijkheid met snelle onverwachte aanvallen gehele streken te bezetten.

In 1899 sneuvelde bij een van die aanvallen Teukoe Oemar. Intussen ontstond een verwijdering tussen Snouck Hurgronje en Van Heutsz. De eerste had vooral bezwaren tegen Van Heutsz' naaste medewerker, majoor van Daalen, die bekend stond als bekwaam militair maar op persoonlijk vlak niet met Snouck Hurgronje kon opschieten. In 1900, toen Van Heutsz tot luitenant-generaal was bevorderd, leerde hij de jonge stafofficier en overtuigde antirevolutionair Colijn kennen.

In 1902 werd Van Heutsz benoemd tot adjudant-generaal van de Koningin. Nadat hij in 1903 de pretendent-sultan van Atjeh had onderworpen vertrok hij het jaar daarop naar Nederland. In 1904 volgde zijn benoeming tot gouverneur-generaal. Colijn werd zijn rechterhand, hoewel Snouck Hurgronje tot 1906 adviseur Inlandse Zaken was.

Diverse verwikkelingen

Samen met Colijn wist Van Heutsz bezuinigingen door te voeren in het bestuursapparaat en wist hij door middHeutsz22el van het doen tekenen van korte verklaringen alle nog onafhankelijke Indische vorsten op de eilanden buiten Java onvoorwaardelijk aan het Nederlands gezag te onderwerpen. Van Heutsz voerde als gouverneur-generaal de onderwijspolitiek in, waardoor dessascholen werden opgericht; de dorpen bekostigden het onderwijs, terwijl het gouvernement voor de leermiddelen zorgde.

In Atjeh was in 1903 Van Daalen als gouverneur benoemd met de instructie alle verzet te breken. Minister Fock verzocht naar aanleiding van parlementaire kritiek op de werkwijze van Van Daalen Van Heutsz om opheldering. Deze zag niets in een commissie van onderzoek en bood daarom aan zelf nasporingen te doen om zo de zaken in de hand te houden. Van Heutsz rekende hierbij op de medewerking van Van Daalen maar deze weigerde, aangezien hij meende dat hij zich aan zijn instructies had gehouden en nam vervolgens ontslag.

In 1908 werd de antirevolutionair A.W.F. Idenburg minister van Koloniën en deze wist de parlementaire kritiek te doen luwen. Eind 1909 trad Van Heutsz af als gouverneur-generaal en vestigde zich in Amsterdam.

Latere activiteiten

Aanvankelijk hield hij zich actief bezig met allerlei Indische zaken en was hij onder meer betrokken bijSFA03 SFA022001217 X de oprichting van het Koloniaal Museum (het huidige Koninklijk Instituut voor de Tropen). Tijdens de Eerste Wereldoorlog hield hij zich bezig met het verdedigingsstelsel in de koloniën, na de dood van zijn vrouw, in 1919, trok hij zich terug uit het openbare leven en verhuisde naar Bussum en vanaf 1922 woonde hij deels in Montreux en Meran.

Van Heutsz overleed op 11 juli 1924 en werd op maandag 14 juli 1924 om half drie begraven op het Kerkhof Clarens, nabij Montreux. Op donderdag 9 juni 1927 om twee uur werd hij bijgezet in het mausoleum op de Nieuwe Oosterbegraafplaats in Amsterdam. Hij kreeg hierbij als enige niet-koninklijke persoon een staatsbegrafenis.

Decoraties

Monumenten

 


[ Terug ]