Afdrukken
Details: Hoofdcategorie: Koninklijk Nederlandsch-Indisch Leger Categorie: Officieren, kaderleden en manschappen van het KNIL | Gepubliceerd: 03 december 2014

Somer JM


Vroege loopbaan

Jan Marginus Somer (Assen 22 oktober 1899 – Bussum, 3 april 1979) was een Nederlands kolonel der infanterie van het Indische leger en Nederlandse verzetsstrijder tijdens de Tweede Wereldoorlog. Somer volgde de HBS en slaagde in augustus 1916 voor het toelatingsexamen voor de cadettenschool te Alkmaar, bestemd voor de dienst in Nederlands-Indië. Aansluitend deed hij bij de Koninklijke Militaire Academie zijn vervolgopleiding, als bestemd voor de infanterie van het Indische leger.

Van 20 tot 31 juli 1920 was hij als zodanig gedetacheerd bij de stormcursus bij de IIIde divisie te Bergen op Zoom. In juni 1921 slaagde hij voor het examen, werd bij Koninklijk Besluit van 30 juli benoemd tot tweede luitenant en opnieuw gedetacheerd bij de IIIde divisie. Op 3 juni 1922 vertrekt hij per Tabanan van Rotterdam naar Genua en vervolgens per Jan Pieterzoon Coen naar Nederlands-Indië.

Somer werd in oktober 1922 bevorderd tot eerste luitenant en geplaatst in de Zuider- en Oosterafdeling van Borneo; in oktober 1925 werd hij naar het veertiende bataljon te Buitenzorg overgeplaatst. Hij trad in Nederlands-Indië onder meer op in bestuurs- en rechterlijke functies en was verantwoordelijk voor financiële en veiligheidszaken.

Wetenschappelijke loopbaan

In juni 1928 werd hij met ingang van zijn vertrek uit Nederlands-Indië ter beschikking gesteld van het Ministerie van Koloniën om te worden gedetacheerd bij het leger in Nederland, om de Minister van Oorlog in de gelegenheid te stellen hem aan te wijzen voor de betrekking van leraar aan de Koninklijke Militaire Academie. Op 11 juli 1928 vertrok Somer met het stoomschip Prins der Nederlanden naar Amsterdam, waar hij op 9 augustus van dat jaar aankwam.

Naast zijn werk bij de Koninklijke Militaire Academie volgde hij de opleiding Indologie aan de Universiteit van Utrecht; in 1932 slaagde hij voor het doctoraalexamen en in 1934 promoveerde hij op het proefschrift De korte verklaring, een koloniaal-historische studie over de jaren 1854-1866. In juni 1933 was hij intussen bevorderd tot kapitein. Het proefschrift van Somer verscheen bij drukkerij en uitgeverij Corona; in de dissertatie gaf hij een overzicht van de ontwikkeling der verhoudingen van het Nederlandse tot het inheemse gezag in het Aziatisch deel van het Nederlandse rijk en in het bijzonder van de voorgeschiedenis der Korte Verklaring, waarin die ontwikkeling een hoogtepunt bereikte. De nadruk ging in het proefschrift vooral uit naar de Buitenbezittingen; de met de daar gelegen zelfbesturen gesloten contracten vormden Somers belangrijkste bronnen.

In februari 1935 werd hij benoemd tot lid van het Historisch Genootschap en daarnaast werd hij aangesteld als conservator van het Etnografisch Museum van de Koninklijke Militaire Academie. Het Etnografisch Museum werd in november 1938, geheel gerestaureerd, heropend door minister-president H. Colijn; ook de Minister van Koloniën, Ch. Welter, de burgemeester van Breda, H.C.G. van Slobbe, de pangeran van Soerakarta en veel burgerlijke en militaire autoriteiten waren aanwezig.

Colijn overhandigde Somer vervolgens de eremedaille in zilver, de zogenaamde museummedaille, als erkenning voor zijn verdiensten voor het museum. Tijdens de organisatie van het feest voor het 110-jarig bestaan van de Koninklijke Militaire Academie was Somer penningmeester. Hij bleef conservator van het Etnografisch Museum tot augustus 1940.

Politieke overtuiging

Somer sympathiseerde met het Verbond voor Nationaal Herstel (1933-1941); deze bond pleitte voor een krachtig gezag en keerde zich tegen de partijpolitiek en het opkomend Bolsjewisme, het slappe koloniale beleid en het zich steeds meer verspreidende antimilitarisme. Het verbond werd geleid door enkele hoge militairen en hoge ambtenaren.

In 1933 was generaal C.J. Snijders de lijsttrekker van het Verbond; andere toonaangevende figuren waren generaal H.N.A. Swart en de Haagse gemeenteambtenaar W. Westerman, die namens het Verbond voor Nationaal Herstel in de Tweede Kamer zat.

Loopbaan in het verzet

 Somer was begiftigd met de Orde van het Britse Rijk Na het begin van de Tweede Wereldoorlog begaf Somer zich vrijwel direct in het verzet. Tijdens het begin van de bezetting vond hij veel oud leerlingen van de Koninklijke Militaire Academie bereid om van Breda uit koerierlijnen te leggen naar Zwitserland en Spanje. Veel van die leerlingen kwamen hierbij om, verklaarde Somer in juni 1948 bij zijn verhoor door de Parlementaire enquêtecommissie.

Somer zelf werkte tot 12 maart 1942 in Nederland. Het was al die jaren onmogelijk om contact te leggen met Engeland. Hij bereikte via de Van Niftrik-route Zwitserland, en via Suriname, Curaçao en de Verenigde Staten in januari 1943 het Verenigd Koninkrijk, waar hij in maart 1943 tot hoofd van het Bureau Inlichtingen werd benoemd. Hij was voornamelijk belast met de opleiding van agenten en met het contact met het bezette Nederland; hij bleef deze positie bekleden tot de bevrijding. Hij was toen inmiddels bevorderd tot luitenant-kolonel.

Verwikkelingen tijdens de Tweede Wereldoorlog

In mei 1943 werd het hem duidelijk dat er met de door de Engelsen in Nederland neergelaten agenten iets aan de hand moest zijn. Dat was de ontdekking van wat later het Englandspiel van de Duitsers bleek te zijn. In mei 1945 werd hij naar Nederland gestuurd met de opdracht het Bureau Inlichtingen af te wikkelen.

Met betrekking tot de deelnemers aan het Englandspiel verklaarde hij later in een interview: de Parlementaire Commissie moet dit gruwelijke marionettenspel, waarvan J. Scheieder de touwtjes in handen had, zo snel mogelijk uit de doeken doen. Wie garandeert ons, dat na de verkiezingen niet dezelfde mensen deel zullen blijven uitmaken van de commissie? Het gevaar bestaat dat dan de gehele zaak weer ter hand genomen zou moeten worden door eventuele opvolgers.

Tijdens het proces tegen Anton van der Waals trad Somer als getuige-deskundige op.  In 1948 werd hij in Nederlands-Indië, in de rang van kolonel, directeur van het Corps Militaire Inlichtingen en bleef dit tot 1949. Hij kreeg vele buiten- en binnenlandse onderscheidingen.

Bibliografie en onderscheidingen

 


Bronvermelding


[ Terug ]