Vroege loopbaan

Frans Rijk Pieter van den Abeelen (geboren te Soerabaja, 29 Juli 1838, overleden te Maastricht, 29 maart 1901) was een kolonel der infanterie van het KNIL, ridder in de Militaire Willemsorde en bezitter van de Eresabel. Van den Abeelen was in 1859 in de rang van sergeant ingedeeld bij het tweede regiment en werd bij Koninklijk Besluit van 28 december 1859 bevorderd tot tweede luitenant bij het vijfde regiment.Mesigit Siem tussen Toenkoeb en Kroeng Kali

In maart 1860 werd hij in rang en anciënniteit overgeplaatst bij het wapen der infanterie van het leger in Oost-Indië en hij vertrok op 10 juni van dat jaar per Amsterdam naar zijn bestemming. Dat was via Harderwijk, waar hij zich aansloot bij een detachement, bestaande uit 125 onderofficieren en manschappen. Van den Abeelen was, samen met tweede luitenant W.A. Coblijn, medebegeleider; commandant was majoor der artillerie D.T. Hoedt. Coblijn zou later bekend worden door de tochten door Atjeh die hij maakte tijdens het commando van kolonel Karel van der Heijden.

Activiteiten in Oost-Indië

Van den Abeelen werd in Nederlands-Indië geplaatst bij het eerste bataljon en in maart 1862 overgeplaatst bij het zevende, Strijdtoneel te Atjehtevens, in augustus 1863, aldaar benoemd tot adjudant. In januari 1864 werd hij bevorderd tot eerste luitenant met de bepaling dat hij in deze rang in zijn dan tegenwoordige functie als adjudant actief zou blijven en in februari 1867 trouwde hij te Salatiga met Louisa Augusta Maier.

In juli 1867 werd Van den Abeelen op zijn verzoek eervol ontslagen uit zijn functie als adjudant bij het zevende bataljon en in oktober van dat jaar overgeplaatst bij het vijfde bataljon. Hij bleef bij dit bataljon gestationeerd tot februari 1871, toen hij werd overgeplaatst bij het eerste bataljon, en werd in april 1872 bevorderd tot kapitein. In december 1874 (tot november 1875) werd hij benoemd tot lid van de plaatselijke schoolcommissie te Ambawara (Samarang).

Activiteiten te Atjeh

Van den Abeelen werd eerst overgeplaatst naar het tweede bataljon en in juli 1875 benoemd tot chef van de staf in de Tweede MilStrijdtoneelitaire Afdeling op Java; dat was met de bepaling dat hij à la suite van zijn wapen zou worden gevoerd. In december 1876 werd hij overgeplaatst bij het depot bataljon te Meester Cornelis, in april 1877 geplaatst bij het garnizoensbataljon van Groot Atjeh en in juni 1877 benoemd tot souschef van de staf aldaar.

In juni 1878 werd Van den Abeelen overgeplaatst bij het vierde bataljon, in september van datzelfde jaar geplaatst bij het subsistentenkader te Soerabaja en in april 1879 bevorderd tot majoor. In mei 1880 kreeg hij wegens vijftien jaar onafgebroken dienst in Nederlands-Indië een tweejarig verlof naar Europa; eerder was hij al overgeplaatst naar Padang Pandjang.

Militaire Willemsorde

Na terugkeer werd Van den Abeelen weer te Atje20h geplaatst en in november 1883 bevorderd tot luitenant-kolonel. In april 1884 werd hij overgeplaatst naar Batavia en in juni 1884 tewerk gesteld bij de tweede afdeling van het Departement van Oorlog. Dat was tegen de zin van de militair commandant van Atjeh, die hem aldaar graag had willen behouden maar de legercommandant besliste anders. Voor zijn werk te Atjeh werd hij bij Koninklijk Besluit van 14 september 1884 nummer 33 benoemd tot ridder in de Militaire Willemsorde. 

Dat was met name voor zijn verrichtingen te Atjeh in de periode april tot en met december 1883. In januari 1885 werd Van den Abeelen overgeplaatst bij het derde bataljon en nam hij weer deel aan de krijgsactiviteiten te Atjeh. In april van dat jaar raakte hij gewond; toen de post Lamjong werd opgericht werden de wachten van Penditi aangevallen door schijnbaar bevriende Atjehnezen. Hierbij raakten negen militairen gewond, waaronder drie dodelijk. Bij Koninklijk Besluit van 7 april 1886 nummer 4 kreeg Van den Abeelen voor zijn werk de eresabel toegekend. Dat was, om precies te zijn, voor zijn verrichtingen te Atjeh gedurende het laatste gedeelte van 1884 en de eerste acht maanden van 1885.

Krijgsverrichtingen in beeld

De vijandelijke stelling lag buiten de noordelijke rand van Lepong en was van de zuidelijke rand van Dilip door een 60 meter brede droge sawah gescheiden. Ten westen van de stelling lag een nipabos en daarvoor een moeras. De vijand had de lage aarden walletjes die voor de eigenlijke kampongrand van Lepong lagen sterk bezet.

Toen de vijand de Nederlandse troepen ontdekte opende hij een hevig vuur dat door de voorhoede en de mortier beantwoord werd. Maar omdat de Nederlandse troepen bij een vuurgevecht in het nadeel waren deed Van den Abeelen het vuur staken en door drie pelotons de vijandelijke stelling bestormen. Op hetzelfde moment drong Scheuer aan de oostkant de kampong binnen en verjoeg hij de bende die daar stelling genomen had (uit Indisch Militair TijOverlijdensbericht Abeelendschrift, 1 januari 1887, bladzijde 431 en 432).

Latere loopbaan

Van den Abeelen werd in maart 1887 overgeplaatst naar Djokjakarta maar volgde deze bestemming niet omdat hij een tweejarig verlof naar Nederland kreeg aangeboden. Hij werd eind 1889 bevorderd tot kolonel en in november van dat jaar benoemd tot militair commandant van Sumatra´s Westkust.

Van den Abeelen werd in juni 1891, wegens voortdurende ongeschiktheid voor alle militaire diensten, ontslagen uit de militaire dienst, met behoud van het recht op pensioen. Hij overleed in 1901.


[ Terug ]

 

f t