img004 - kopie

 


Zie ook het fotoalbum. Dit artikel is mede mogelijk gemaakt door Victor Alting van Geusau die ons zijn archief ter beschikking stelde. De muziek van de treurmars, die geschreven werd ter nagedachtenis van W.A. Alting von Geusau. is hier te beluisteren.


Familie

Loopbaan

De Lombok-expeditie: de aanloop

De overval

Terugtrekking op de Dewatempel

De dood van Alting von Geusau

Alting von Geusau als schrijver

De mening van Alting von Geusau

Na de dood van Alting von Geusau

Archief van Alting von Geusau

Transcriptie brief door Victor Alting von Geusau

Familie

Paul Auguste (Guus) Alting von Geusau (Maastricht, 21 februari 1867 - Lombok, 26 augustus, 1894) was officier in het Indische leger, journalist en schrijver. Hij was een telg uit de familie Von Geusau, zoon van jhr. W.A. Alting von Geusau (1836-1885), officier,Alting von Geusau en echtgenote  en laatstelijk luitenant-kolonel, en M.E.J. Colen (1842-1925). Zijn broer jhr. George August Alexander Alting von Geusau (1864-1937) was minister van Oorlog (1918-1920), zijn jongste broer jhr. J.Th. Alting von Geusau (1881-1940) was ook officier, laatstelijk generaal-majoor, en directeur van de Hogere Krijgsschool.

Alting von Geusau trouwde in 1892 met Victorine Marie Dumonceau (1867-1938) met wie hij een zoon kreeg, de latere advocaat en voorzitter van de landraad te Kediri Willem Henri Alting Von Geusau.

Loopbaan

Alting von Geusau volgde het gymnasium in Amsterdam, waar zijn vader toen als kolonel der artillerie in garnizoen was. Stamboom Alting von GeusauHij maakte het gymnasium niet af maar deed in september 1886 toelatingsexamen voor de hoofdcursus in Kampen, waarvoor hij slaagde. Hij behaalde in juli 1887 het overgangsexamen voor het eerste naar het tweede studiejaar en werd voorgedragen om per 1 oktober in de tweede klasse te worden geplaatst.

Bij Koninklijk Besluit van november 1888 werd hij vanuit de rang van sergeant benoemd tot tweede luitenant bij het tweede regiment en bij Koninklijk Besluit van juni 1892 overgeplaatst bij het leger in Oost-Indië, samen met de tweede luitenants W.A. Herold, J.J. Boreel en J.W. Schiff.

Hij vertrok op 17 september vanuit Rotterdam per stoomschip Ardjoeno, met onder zijn medecommando (overige commandanten waren kapitein der genie M.A.J. de Haan en tweede luitenant G. van Ginkel) een detachement suppletietroepen van 4 onderofficieren, 45 korporaals en manschappen.

De Lombok-expeditie: de aanloop

Alting von Geusau werd bij zijn aankomst in Nederlands-Indië geplaatst bij het achtste bataljon te Fort Willem I en in juni 1894 overgeplaatst bij het zevende bataljon. Hij werd als commandant van de derde sectie Gezicht op de grote weg tussen Tjakra Negara en Mataram bij de BrahmatempelMadoerezen, tijdens de Lombok-expeditie, op 26 augustus 1894, dodelijk gewond. Tijdens deze expeditie dachten generaal Vetter en de overige leden van de generale staf dat Lombok rustig was en dat de eisen van het Nederlandse gouvernement zouden worden ingewilligd.

Er werd nog gewacht op een antwoord van de kroonprins van Lombok en in afwachting daarvan werd door Vetter besloten de nacht door te brengen in Tjakra Negara. Het hoofdkantoor werd van de Poeri naar het bivak overgebracht. 's Avonds zaten de luitenanten Greve, Boerma en Alting von Geusau met dominee Rogge aan een drankje en generaal Vetter had zich ter ruste gelegd.

De overval

Omstreeks kwart voor twaalf klonk nabij de artilleriestallen in het westen een schot, waardoor een onderofficier dodelijk werd getroffen. Direct daarna weerklonkenDe terugtocht van generaal Vetter in Tjakra Negara overal doffe slagen van de tong tong en werd er luid geschreeuwd vanachter de muren en in de poeri. Vanaf alle kanten ratelde nu het geweervuur van de Balinezen, die door eerder gemaakte schietgaten vuur op het bivak richtten. 

Dit vuur zorgde al snel voor enorme verliezen bij de weerloze troepen. Van diverse kanten naderden vijandelijke bendes het bivak; de ingevoegdPlan van Tjakranagarasituatie was te vergelijken met een sluipmoord, waarbij de aanvaller, goed beschut achter de hoge muren, naar harteloos zijn moordlust bot kon vieren. De Nederlandse manschappen vielen bij tientallen tegelijk en het bivak vulde zich met doden en gewonden.  

Het strekte het Indische leger tot eer dat onder dergelijke omstandigheden de houding van de troepen kalm bleef en dat de manschappen met grote doodsverachting in hun stelling bleven. Deze toestand werd echter al snel onhoudbaar; de troepen kregen nu last met de doden en de gewonden in een ommuurde ruimte terug te trekken. Maar ook hier was men niet veilig en nam het aantal doden en gewonden nog steeds toe.

Terugtrekking op de Dewatempel

Er werd nu besloten om op het ommuurde plein voor de Dewatempel terug te trekken.  Toen de dag aanbrak bleek pas dat er van de De Dewatempel te Tjakranegara250 man 16 gesneuveld en 87 gewond waren geraakt. De meeste paarden en muildieren waren gedood. Binnen de enceinte werd een kuil gegraven, waarin de gesneuvelden werden begraven en waarbij dominee Rogge een toespraak hield. De toestand was buitengewoon zorgwekkend, want vrijwel alle munitie was verschoten en er was vrijwel geen voedsel of water meer.

Zonder aanvoer van leeftocht was het onmogelijk te handhaven en dus werd er besloten om op Mataram terug te trekken. Deze retraite werd vastgesteld plaats te vinden in de middag van de 26ste om 3 uur. De tocht was zo erg dat hij bijna niet te beschrijven valt omdat hij plaatsvond door vuurspuwende gangen en langs straten waarbij men zich weerloos moest laten neerschieten.

De dood van Alting von Geusau

De voorste troepen hadden nog maar nauwelijks het bivak verlaten of zij werden door een overstelpend vuur ontvangen, waarbij Colonne Segov in Tjakra Negaraluitenant Kotting sneuvelde. Alting von Geusau kreeg een schot in zijn dijbeen, die hij probeerde te verbinden, maar gedurende welke hij door een schot in de borst dodelijk werd getroffen. Gelijktijdig vielen tal van minderen dood of gewond op de grond en sloegen de paarden van de artillerie op hol, waardoor de verwarring nog vergroot werd.

Tegen vijf uur kwamen de troepen te Mataram aan en trokken naar de Hindoetempel, die daar op 500 meter afstand vandaan lag. Generaal Vetter was ongedeerd gebleven maar generaal van Ham was eerder al, bij het verlaten van Tjakra Negara, getroffen door een kogel die in de borst doordrong en werd direct daarop door een kogel in de buik geraakt. Hij wist nog korte tijd voort te strompelen maar stierf kort na aankomst in de Dewatempel.

Alting von Geusau als schrijver

In de tijd dat Alting von Geusau in Kampen verbleef publiceerde hij zijn eerste gedicht: Gevallen (dat handelde oveIn memoriam een limburgerr de dood op het veld van eer, met als laatste zin: Gevallen - zijn roeping vervuld). Later, tijdens zijn militaire loopbaan, bleef hij onder zijn pseudoniem Fabian de Indische warongpraatjes schrijven voor Het Weekblad. Justus van Maurik wijdde in het Weekblad een hartelijk woord aan Alting von Geusau: Op de cursus in Kampen toonde hij wat een flinke kop hij was en niet alleen als zodanig werd hij geacht; hij was ook een der meest beminden onder zijn kameraden.

Als schrijver, zo meende Van Maurik, gaf Alting von Geusau duidelijk blijk van zijn talent en opmerkingsgave, hij, die een open oog en oor had voor al wat schoon en goed was en wiens kleine schetsen grote beloften voor de toekomst hadden ingehouden. Naar aanleiding van het gedicht "Gevallen" schreef Van Maurik: Ja, Von Geusau heeft zijn roeping als krijgsman vervuld, en dat is dan ook de enige troost die zijn jeugdige diepbedroefde echtgenote, zijn treurende en bejaarde moeder en bloedverwanten overblijft, want hij viel in de volle bloei van zijn leven, en werd slechts 27 jaar oud.

De mening van Alting von Geusau

Alting von Geusau zelf schreef in een brief van 19 augustus 1894 over generaal J.A. Vetter en de keuze van het bivak:

We moesten in het donker terugtrekken om het bivak te vernauwen. Ziet u, al kijkt zo'n generaal als de oneindig hoge Vetter, die geen subaltern officier aankijkt, ook nog zo deftig en voornaam, toen heeft hij een fout gemaakt, de enige die hij Gedichtkon maken, en was er een vijand gekomen, dan hadden wij een catastrofe aan diezelfde hoge generaal te danken gehad.

Natuurlijk wordt dit door ons allen door de mantel der discipline bedekt. Dat niemand van te voren gezien heeft wat ik terstond heb gezien, dat we in een open bivak stonden, waar een inlandsche vijand 's nachts tussenin zit, voordat men het weet, dat is mij onbegrijpelijk van de staf die in grote getale met de expeditie is meegegaan. 't Is waar dat de staf niets aan de opperbevelhebber durft op te merken, die weet alles alleen.

U zult zeggen dat ik wat bitter ben tegen Vetter, maar ik ga nu ook al zes weken gebukt onder de druk die hij uitoefent. Wij, mannen van het zwaard, vol illusie opgerukt naar de velden van Lombok, bezield met het heiligste vuur om ons bloed te offeren en lauweren te vergaderen, wij krijgslieden vol strijdlust … wij doen hier in het bivak niets dan voortdurend heen en weer snellen om soep te proeven. En om deze hartverheffende bezigheid te beoefenen zit ik hier midden in een sawah in een strohut, ver van vrouw en kind! dat is hard.

Na de dood van Alting von Geusau

Na de dood van Alting von Geusau werd er in diverse tijdschriften en kranten aandacht besteed aan een officier die zowel soldaat, schrijver, dichter en Maastrichtenaar was. In het tijdschrift Limburg van het Provinciaal Genootschap voor Geschiedkundige Wetenschappen (Taal en Kunst) werd in 1895 Alting von Geusau gememoreerd in een gedicht met als laatste woorden:

Nog pas vóór luttel tijds, op Lomboks oorlogsvelden,
Daar stroomt ook Limburgs bloed, daar sneefden jeugd en kracht,
Maastrichtenaars zijn gevallen onder de eerste helden,
Die ’s vijands lood en staal verraderlijk neervelden,
 De dichter-officier heeft daar zijn roep volbracht.

De opbrengst van de uitgave van Alting von Geusau's gedicht Gevallen werd bestemd voor het Nationaal Fonds ter Ondersteuning van de Nagelaten betrekkingen van Gevallen Strijders in Nederlands-Indië. 

 


Archief van Alting von Geusau

Victor Alting von Geusau, achterkleinzoon van Alting von Geusau, was zo vriendelijk om een aantal brieven en foto's ter beschikking te stellen. kopieën daarvan kunt u in het fotoalbum bekijken.  

 Transcriptie brief door Victor Alting von Geusau

Op 19 augustus 1894 schreef Alting von Geusau de volgende brief aan zijn moeder: Lombok, bivak Mataram, 19 Augustus 1894. Beste Moeder, Ik schaam mij dat ik nu al zes weken op Lombok zit en nog eens niets van mij heb laten horen. Maar ik wil het goed maken en op deze dag schrijven om te tonen dat ik aan U denk.

Ik heb door het ongewone leven geen felicitatiebrief kunnen schrijven, maar dat doe ik nu en u moet maar denken dat ik telegrafeer. 't Is niet te verwonderen dat men hier langzamerhand versuft. Les jours se suivent et de ressemblent terwijl we hierheen waren gekomen vol vuur en vol ambitie in die mooie expeditie, op elf schepen van de Pakketvaartmaatschappij, terwijl we alle emoties (en ze zijn vele) van de soldaat hebben doorleefd die voor 't eerst de kogels zal horen piepen, na speech op speech te Magelang, te Willem I, te Semarang te Soerabaya …

Telegram van de Koningin voor het welslagen, brieven geschreven van meer betekenis, komen we voor Ampenan op de westkant van Lombok. 't Was een onvergetelijk mooi gezicht, ziet u, met die gemoedsstemming, die trotse vloot van elf stomers en vier kolossale oorlogsschepen op de rede van een vijandelijk land. De proclamatie van de koningin werd reeds voorgelezen, de drie muziekkorpsen speelden, hoerageroep, enz, enz. Dat was werkelijk een mooi moment in het leven al gevoelt men zich dan ook zo klein bij die grote massa. De landing werd bepaald voor de volgende dag. Men wist niet of die bemoeilijkt zou worden, er scheen nog in 't geheel niets bekend te zijn van de bedoelingen van de vijand. Toen, en ik verzeker u, dat ik daar alle emoties van het oorlogsveld had, de volgende morgen voor zonsopgang alles gereed gemaakt, ontbijten kon ik moeilijk.

Aangetreden op het dek van de boot (ik was op de Jan Pieterszoon Koen) en daarna afgedaald in de sloepen met geweren en uitrusting en dat met z'n zessen gesleept door een barkasje, ik hoef u niet te zeggen dat dat een angstig idee was, op die wiegelende zee (de zee was gelukkig nogal kalm) met het idee: straks krijgen we de volle laag van de kust. En dat is het ergste wat ons kan gebeuren, als haringen in een ton opgepakt beschoten te worden. Een massa gewapende sloepen van de marine zouden aanvankelijk de landing dekken terwijl de kanonnen van de schepen nauwkeurig gericht waren op verschillende punten van de kust om dadelijk bij het eerste schot van de kust alles te vernielen. De Hotchkiss kanonnen in de mast van het pantserschip Sumatra zouden met hun snelvuur de rest doen. Zoo kwamen de barkassen nauwkeurig in bataille en daar lagen we te wiegelen en ons lot af te wachten.

Plotseling werd het sein voorwaarts gegeven en stortte zich om zo te zeggen de hele massa op de kust, 't was een steeplechase, een overstroming, geen schot werd gelost en we kwamen aan wal, waar terstond de bataillevorm werd aangenomen om op alle eventualiteiten te zijn voorbereid. Generaal van Heutsz, die de landing commandeerde, ging als een echte waaghals dadelijk voor de troepen uit naar den vlaggestok, trok de vlas naar beneden, hetgeen met een donderend hoera! van de troepen werd begroet. In zulke momenten gevoelt men de hoge poezie van het soldatenleven, maar ook alleen in zulke momenten. We rukten op om een bivak te Ampenan te betrekken.

Met de grootste voorzichtigheid ging het voorwaarts, alles was rustig, geen schot, de chinezen wandelden met joajongs, de inlanders hurkten in verbazing in onze nabijheid, gewapend (zoals ze altijd zijn) met krissen van een halve meter lengte. Maar van vijandelijkheden geen spoor. Toen hebben wij daar evenwel, door de stomme keuze van bivak van de grote Vetter een paar nachten gehad, die met geen pen zijn te beschrijven. We zaten daar geheel geisoleerd, konden niet achteruit en niet opzij en ook niet vooruit, onversterkt, en hoorden toen het bericht dat Anak agoeng madé, de radja die ingeleverd moest worden, van plan was zich met zijn 500 laatste getrouwen (alles was hem afgevallen) dood te vechten en dat te zullen doen op de plaats waar wij stonden.

Verbeeld u nu mijn gemoedstoestand toen (ik was op wacht voor het front, maar vlak tegenover een muur van een Balische kampong) midden in den nacht ± half vier, het uur waarop de inlander gaarne overvalt op eens alarm wordt geblazen. Ik kijk om en zie om zo te zeggen Ampenan geheel in brand staan (zoo leek het mij). Nu zullen we 't hebben, dacht ik, en ik zette mij in postuur, ik dacht niet anders dan een ogenblik later in het pikdonker 500 kerels met krissen op ons af te zullen zien komen.

Ik moet zeggen mijn Madurezen waren toen nogal moedig, en vreemd, ik die ogenblikken van zwakheid had gehad aan boord, ik was op dat oogenblik dat er een vreselijk gevaar dreigde, zoo kalm dat ik niet begreep of het gelatenheid, of moed of vertrouwen was. De bamboezen knapten zoo hevig dat het net was of er aan de andere kant geschoten werd. Zo hebben we een uur in alarm gestaan, de brand nam af, en om vijf uur was alles afgelopen. 't Was een gewoon brandje geweest, dat spoedig geblust was en dat in de oost-moesson natuurlijk dikwijls gebeurt.

De volgende nacht waren we gewaarschuwd dat er nu positieve berichten waren, dat Madé nu de aanval zou wagen. En toen (de kolosale fout werd gedaan) moesten we in het donker terugtrekken om het bivak te vernauwen. Ziet u, al kijkt zo'n generaal als de oneindig hoge Vetter, die geen subaltern officier aankijkt, ook nog zoo deftig en voornaam, toen heeft hij een fout gemaakt, de enige die hij kon maken, en was er een vijand gekomen, dan hadden wij een catastrofe aan diezelfde hogen generaal te danken gehad.

Natuurlijk wordt dit door ons allen door de mantel der discipline bedekt. Dat niemand van te voren gezien heeft wat ik terstond heb gezien, dat we in een open bivak stonden, waar een inlandse vijand 's nachts tussen in zit, voordat men het weet, dat is mij onbegrijpelijk van de staf die in grote getale met de expeditie is meegegaan.

't Is waar dat de staf niets aan de opperbevelhebber durft op te merken, die weet alles alleen. U zult zeggen dat ik wat bitter ben tegen Vetter, maar ik ga nu ook al zes weken gebukt onder de druk die hij uitoefent. Wij, mannen van het zwaard, vol illusie opgerukt naar de velden van Lombok, bezield met het heiligste vuur om ons bloed te offeren en lauweren te vergaren, wij krijgslieden vol strijdlust … wij doen hier in het bivak niets dan voortdurend heen en weer snellen om soep te proeven. En om deze hartverheffende bezigheid te beoefenen zit ik hier midden in een sawah in een strohut, ver van vrouw en kind! Dat is hard.

Enfin, de militaire stand is nu eenmaal zo. Het klimaat van Lombok is heerlijk. Warmte zoals op Semarang en Batavia kennen we hier niet, op klaarlichten dag zitten we in uniform een partijtje te maken. 't Loopt nu naar 12 uur en er is geen idee van hitte.

Een lam ding is dat we misschien lang hier zullen moeten blijven. Nu zal ik misschien kunnen ruilen met een jongmens van een ander bataljon, die graag hier blijft. Als dat lukt wil ik heel graag van het 7e regiment, want de troupiergeest die men hier onder de officieren aantreft is in strijd met de hogere begrippen van officieren die ik er op nahoud. En nu, beste moeder, eindig ik deze brief om binnen enige dagen het vervolg te leveren. Misschien komen ze wel gelijk aan. Ik omhels u in gedachte als felicitatie.

Ik heb in de courant gelezen dat de cholera in Maastricht is, ik hoop van harte dat het bij enige sporadische gevallen mag blijven. Vele groeten aan Betje en de jongens, ik beloof u over een paar dagen nog een brief om mijn laatste luiheid weer goed te maken. Dag moeder, een hartelijke zoen van Uw liefste zoon Guus.

Vele groeten aan Gr. Mama

Mijn lief vrouwtje en mijn snoezig kindje, o 't is zo'n mooi kind, moeder! maken het volgens de laatste berichten heel goed in ons huis te Magelang. Vic is zo verkwistend geweest om een kinderwagen voor hem te kopen! Het arme vrouwtje verlangt ontzettend naar mijn terugkeer, ik trouwens niet minder. We kunnen mekaar niet meer missen, ziet u. Enfin 't zal wel in orde komen, zo'n afscheid houdt de nieuwsgierigheid er een beetje in. Salut."


[ Terug ]

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

f t