afb. 3. C. Meijer

 


Vroege jaren

Carel Meijer (Amsterdam, 9 juli 1819 - Bussum, 6 maart 1889) was de zoon van Martinus Meijer en Maria Hendrica Smit. Hij trouwde op 6 januari 1853 met Helena Adofina Kruger. Hij trad op 23 februari 1835 in militaire dienst en werd uiteindelijk op 18 september 1837 benoemd tot tweede luitenant der infanterie bij het Tweede Bataljon Infanterie.  

Meijer vertrok op 7 november 1839 met de Baron van de Capellen naar Batavia, waar men hem met ingang van 22 december 1840 bij de Tweede Afdeling Algemeen Depot Indië plaatste. Hij werd in november 1841 bevorderd tot eerste luitenant bij de Tweede Afdeling van het Algemeen Depot te Palembang.

Volgende overplaatsingen waren op 13 jabuari 1842 naar het Twaalfde Bataljon Infanterie, op 14 september 1844 naar de Tweede Afdeling Algemeen Depot Indië en op 14 maart 1847 naar het Zevende  Bataljon Infanterie. 

Expeditie naar Palembang en andere werkzaamheden

Meijer werd op 29 februari 1848 bevorderd tot kapitein bij het Zevende Bataljon en op 4 augustus 1848 overgeplaatst bij het Garnizoensbataljon te Palembang. 800px Bij Goenoeng Maraksa

Hij was gedurende 1849 enige tijd actief als waarnemend civiel gezaghebber te Tebing Tingie (Palembang). In de eerste helft van 1851 nam hij deel aan de expeditie naar Palembang. Voor zijn verrichtingen aldaar werd hij bij Koninklijk Besluit van 15 december 1852 nummer 42 benoemd tot Ridder in de Militaire Willemsorde. 

Hij werd met deze onderscheiding vereerd omdat hij op 29 juni 1851 bij Goenoeng Meraksa binnen de Doesson krachtig en koelbloedig had meegewerkt aan het behoud van de colonne bij een verraderlijke overval van de vijand. 

Na deze expeditie werd Meijer op 7 augustus 1851 bij het Tweede Bataljon Infanterie geplaatst en later van het Garnizoensbataljon te Palembang overgeplaatst bij het Achtste Bataljon. Kort daarop werd hij benoemd tot civiel gezaghebber en waarnemend vandum te Tebing Tingie (Palembang). 

Uit deze functie werd hij in november 1851 ontheven omdat hem bij besluit van de 11de van die maand een jaar verlof naar Europa was verleend. 

Latere loopbaan

Meijer keerde op 21 juni 1853 met de Prins Frederik der Nederlanden naar Batavia terug, waar hij eerst bij het Eerste Bataljon en vervolgens bij het Zevende geplaatst werd (7 november 1853). Hij ontving op 27 november MWO2 1853 het Onderscheidingsteken voor Langdurige Dienst als Officier. 

Op 13  januari 1854 werd Meijer overgeplaatst naar het Vierde Bataljon bij het Garnizoensbataljon aan de Westkust van Sumatra. 

Aldaar werd hij, gerekend vanaf 26 december 1854, bevorderd tot majoor. De 13de oktober 1856 volgde een overplaatsing naar het Garnizoensbataljon op Celebes. Meijer werd op 19 februari 1858 bevorderd tot luitenant-kolonel bij het Veertiende Bataljon Infanterie.

Met ingang van 11 september 1858 volgde een aanstelling als waarnemend plaatselijk commandant te Batavia. Meijer woonde in deze tijd te Weltevreden.  Op 21 januari 1869 kreeg hij, tot herstel van zijn gezondheid, een twee-jarig verlof naar Nederland. De terugtocht ondernam hij met de Rotterdam.  

Meijer werd op zijn verzoek bij Koninklijk Besluit van 24 december 1861 nummer 90  met ingang van 1 januari 1862 eervol uit de militaire dienst ontslagen, onder toekenning van een pensioen. Hij vestigde zich in Bussum,  waar hij in maart 1889 op 69-jarige leefijd overleed. Hij ligt begraven op de Algemene Begraafplaats in Bussum. 

Op zijn grafsteen staan de woorden: "Carel Meijer. Gep. Lt. Kol. O.I. Leger. Ridder M.W.O. Overleden te Bussum. 6 maart 1889."

f t