Afdrukken
Details: Hoofdcategorie: Koninklijk Nederlandsch-Indisch Leger Categorie: Officieren, kaderleden en manschappen van het KNIL | Gepubliceerd: 29 oktober 2017

Zondag 29 oktober 2017 1


Inleiding

Johan Werner Daniel Kobold ( 's-Hertogenbosch, 20 februari 1803 - Maastricht, 26 juli 1863) was bij leven generaal-majoor bij het Nederlands-Indisch Leger en ridder in de Militaire Willemsorde derde en vierde klasse.

Hij trad op 16 september 1820 in de rang van soldaat in dienst bij de negende afdeling infanterie en werd bij deze eenheid achtereenvolgens bevorderd tot korporaal, fourier en sergeant-majoor. Kobold vertrok in 1825 naar Nederlands-Indië om zich daar te voegen bij het Nederlands-Indische Leger.

Java-oorlog

Kobold werd in augustus 1826 bij de achttiende afdeling infanterie bevorderd tot tweede luitenant en bij Koninklijk Besluit van 10 maart 1831 Eervol Vermeld voor zijn diensten, tijdens de Java-oorlog bewezen. Op  19 juni 1832 ontving hij tevens de Bronzen Medaille. Michiels2

Cobold nam onder meer onder kolonel De Leeuw deel aan aan de aanval nabij de dessa's Mengong en Siddon, waarbij de troepen onder leiding van kapitein van der Worm en ondersteund door de luitenants Kobold, Boelhouwer, Halwachs, en Barbier de muitelingen (1.600-2.000 man), die zich daar verzameld hadden, wisten terug te drijven.

Later, in 1828, ondersteunde hij met zijn manschappen de troepenbewegingen gecommandeerd door onder meer majoor Michiels. Kobold werd nog hoger onderscheiden want bij Koninklijk Besluit van 13 november 1832 werd hij  voor zijn werkzaamheden tijdens de Java-oorlog alsnog benoemd tot ridder in de Militaire Willemsorde vierde klasse.

In december 1830 werd hij overgeplaatst bij het zevende bataljon infanterie. Tijdens het oproer der Chinezen in 1832 te Poerwakarta vond een expeditie onder leiding van majoor Michiels naar het opstandige gebied plaats.

Michiels roemde later zeer het ingehouden optreden van de troepen in het algemeen en in het bijzonder dat van de dan tweede luitenant van het zevende bataljon infanterie Kobold. Kobold werd in datzelfde jaar als commandant van een kleine expeditie naar de Lampongse districten gestuurd, een tocht die echter weinig succes had omdat de opstandelingen zich na de strjidhandelingen slechts verplaatsten naar een andere locatie.

Naar Nederland en weer terug naar de Oost

Kobold werd in maart 1833 a la suite van het algemeen depot bevorderd tot eerste luitenant. In deze functie verkreeg hij op 16 september 1834 een Eervolle Vermelding voor zijn verrichtingen tijdens de veldtocht naar de Westkust van Sumatra.

In mei 1835 werd hij in de functie van tijdelijk adjudant toegevoegd aan de commandant van het observatiekorps. Zijn benoeming tot kapitein volgde in december 1836, met de bepaling dat hij in zijn eerder genoemde functie werkzaam zou blijven. In november 1837 vertrok Kobold ter herstel van zijn geschokte gezondheid uiteindelijk naar Nederland.

Overste Michiels2

Op 11 mei 1839 vertrok een detachement, groot 20 onderofficieren en manschappen, onder leiding van Kobold naar Hellevoetsluis, ten einde te embarkeren op het schip "Jacobus". Deze boot zou eerst naar de kust van Nieuw Guinea varen om daar recruten in te laden om vervolgens naar Java koers te zetten.

Kobold werd in november 1841 benoemd tot lid van de subcommissie van onderwijs te Banda en in september 1842 aangesteld als lid van de Raad van Justitie aldaar.

Kort hierop werd hij benoemd tot militair commandant van Makassar, waar hij op 25 oktober 1842 huwde met Maria de Val, dochter van kapitein-ter-zee W. de Val. Het echtpaar kreeg drie dochters.

Kobold werd op 18 januari 1843 tot majoor bevorderd en in 1845 tot luitenant-kolonel benoemd. In deze rang was hij werkzaam als inspecteur der Schutterijen, Djajang Secars en Pradjoerits en ontving hij op 12 februari 1846 het Onderscheidingsteken voor Langdurige Dienst als Officier. 

Latere loopbaan

Enige tijd later werd  Kobold van het negende naar het twaalfde bataljon overgeplaatst. Op 4 juli 1853 werd hij bevorderd tot kolonel en benoemd tot commandant van de Eerste Militaire Afdeling op Java.800px Het vaandel van het zevende bataljon infanterie

In deze rang verkreeg hij bij Koninklijk Besluit van 6 mei 1855 nummer 45 de Militaire Willemsorde derde klasse voor zijn verrichtingen tijdens de veldtocht aan de Westkust van Sumatra (in 1833), waarvoor hij eerder een Eervolle Vermelding had ontvangen.

In december 1856 nam hij, namens het zevende bataljon,  het vaandel dat het commandeurskruis der Militaire Willemsorde droeg in ontvangst op het Waterlooplein te Batavia. In deze tijd was hij tevens actief als directeur van het verhoogd militair pensioenfonds.

Kobold keerde halverwege het jaar 1860 wegens ziekte terug naar Nederland. Bij Koninklijk Besluit van 25 april 1862 nummer 41 werd hij, op zijn verzoek, eervol uit de militaire dienst ontslagen, met toekenning van de rang van generaal-majoor, alsmede, met ingang van 1 augustus 1862, van pensioen.

Overlijden en begrafenis

Kobold overleed, na een korte ziekte,  op 26 juli 1863, in Maastricht en werd aldaar begraven. De slippen van het lijkkleed werden gedragen door generaal-majoor Knoop, kolonel le Bron de Vexela, kolonel Konig, plaatselijk commandant, en luitenant-kolonel Kamerling, provinciaal adjudant.

Een wapenbroeder, Le Bron de Vexela (indertijd commandant zevende bataljon en leider van de beroemde omtrekking van Djaga Raga),  en predikant Suringar hielden toespraken aan het graf. Kobold werd zestig jaar en met militaire eer begraven. Hij liet een echtgenote en drie dochters na.