Scheepsjes op zee


Vroege jaren

Wilhelm Bernhard Johann Antoon Scheepens (Amboina, 13 april 1868 - Segli, Atjeh, 17 oktober 1913) was de zoon van Wilhelmus Lodewicus Johannes Scheepens en Hubertha Cornelia Elzabina Roskott. Hij trouwde in 1900 met R.H. Halewijn. Een van hun kinderen was de latere kapitein Willem Jan Scheepens (1907-1949), Bronzen Leeuw, eerste commandant van het Korps Speciale Troepen (zijn opvolger aldaar was kapitein Raymond Westerling).  

Scheepens kwam met ingang van 1 september 1885 in aanmerking voor plaatsing aan de Koninklijke Militaire Academie, richting infanterie voor het leger in Indië en werd per 1 september 1889 bevorderd tot tweede luitenant. Onder zijn bevel en dat van medegeleider tweede luitenant K.E. Schutt vertrok op 16 november 1889 een detachement suppletietroepen, bestaande uit 3 onderofficieren en 35 korporaals,  per stoomschip "Merapi" naar Nederlands-Indië. Aldaar werd Scheepens bij het linkerhalf vierde bataljon te Kedong Kebo geplaatst.

Scheepens werd in januari 1894 bevorderd tot eerste luitenant en in dezelfde maand overgeplaatst bij de troepenmacht die gelegerd was te Atjeh.

Tuchtiging der zes Moekims te Atjeh

In het voorjaar van 1896 werd te Atjeh met een hoofdaanval vanaf Ketapan Doewa en Belang begonnen met het tuchtigen der  zes Moekims. Tegelijkertijd vond een aanval op de linkervleugel van de vijand te Lamtih plaats. De Atjeh officieren rechts luitenant Scheepens verder Geertsema Beckering van Goor Gesseler VerschuurMarechaussee en het derde bataljon stonden onder opperbevel van luitenant-kolonel J.B. van Heutsz, maar de algemene leiding van de gehele onderneming (bestaande uit zes bataljons, dus omgeveer vierduizend man) was in handen van kolonel J.W. Stemfoort.

Tijdens dit belangrijke treffen met de vijand raakte Scheepens levensgevaarlijk gewond door een schot in de schouder. De Nederlandse troepen leden tijdens het gevecht sowieso zware verliezen want kapitein der infanterie H.W.O.L. Kramer overleed en vijf officieren, kapitein der infanterie J. Adama van Scheltema en de luitenants G.H. de Wilde, J. van Hasselt, P.G. Ramaer en J. Brunsting, werden licht gewond tijdens de verovering van Lampisang. In totaal 180 mindere militairen sneuvelden eveneens of liepen ernstige verwondingen op.  

Scheepens werd in december 1897 van het eerste garnizoensbataljon van Atjeh en Onderhorigheden overgeplaatst bij het derde bataljon en bij Koninklijk Besluit van 11 mei 1898 nummer 34 benoemd tot ridder in de Militaire Willemsorde voor zijn verrichtingen in het tijdvak van half november 1896 tot en met juli 1897 en in Segli in de maand augustus 1897. Bij ditzelfde besluit werd kapitein G.CE. van Daalen, zoon van de kapitein met dezelfde naam, bevorderd tot ridder in de Militaire Willemsorde derde klasse.  Niet lang hierna, in november 1898, kreeg Scheepens wegens ziekte een verlof van twee maanden naar Pajacombo.

Korps Marechaussee te voet

In 1899 werd het Korps Marechaussee te voet te Atjeh uitgebreid en deelde men Scheepens in bij de Eerste Divisie, standplaats Seulimoen, commandant kapitein G.C.E. van Daalen. Deze Divisie bestond uit 4 officieren, 12 Europese onderofficieren (brigadecommaOeloeboelangsjkl hahahahndanten) en 6 sergeanten, 6 korporaals en 102 fuseliers van het derde bataljon, allen Ambonezen.

Daarnaast waren 6 sergeanten, 6 korporaals en 102 fuseliers, deels Timorezen, deels Soendanezen, afkomstig van het zevende bataljon, bij de brigade ingedeeld. De Marechaussee zelf bestond nu in totaal uit zes brigades, waarvan de eerste er dus een was, met in totaal 1.200 man.

Indertijd vonden te Atjeh diverse expedities en acties, waaraan Scheepens bij de Marechaussee deelnam, plaats. Een daarvan, in de zomer van 1902, was die met vijf brigades over Merdoe en Pameue naar de Gajoelanden en Beutong. Hierbij was de leiding in handen van Scheepens en kapitein H. Colijn.

Scheepens werd in september 1902 bevorderd tot kapitein met de bepaling dat hij ook in deze rang in zijn betrekking als divisiecommandant bij het Korps Marechaussee te voet gehandhaafd zou blijven. Hij werd benoemd tot civiel gezaghebber te Indrapoeri en in juni 1903 tijdelijk (tot september 1903)  belast met het bestuur van de onderafdeling Seulimeun (Groot-Atjeh).

Scheepens verkreeg bij Koninklijk Besluit van 30 september 1903 nummer 56 de Eresabel toegekend voor zijn verrichtingen te Atjeh, met name in het tweede semester van 1902. In het voorjaar van 1904 raakte hij voor de tweede keer gewond tijdens een tocht door Groot-Atjeh. .

Hervatting activiteiten Atjeh

Scheepens stond in hoog aanzien bij zijn superieuren; al in februari 1905 werd hij voor de eerste keer voorgedragen voor een buitengewone bevordering tot majoor. Wegens zijn gehouden gedrag tijdens de tocht in de Gajolanden in 1904 werd hij bij Koninklijk Besluit van 10 april 1905 nummer 75 benoemd tot ridder in de Militaire Willemsorde derde klasse. Hij vertrok op 30 maart 190kapitein20bwa20scheepens5 met verlof, aan boord van de "Prinses Sophie", van Batavia naar Europa, waar hij tijdelijk te Nijmegen ging wonen en zijn zoon Willem Jan geboren werd.

Op 7 september 1907 keerde hij per stoomschip Oranje, met onder zijn bevelen een detachement suppletietroepen,  naar de Oost terug, waar hij ter nadere indeling werd ingedeeld bij de troepenmacht te Atjeh. In december was hij al weer zeer actief bij de troepen want onder zijn leiding werd  door het derde bataljon infanterie toen een schuilplaats van de vijand in de bergen zuidelijk van Lamkra en oostelijk van Leupoeëng ontdekt.

Hij werd echter pas in juli 1908, via een detachering bij de vijfde divisie te Lho Soekon, teruggeplaatst bij het Korps Marechaussee te voet, waar hij in december 1909 buitengewoon bevorderd werd tot majoor. Dat was "wegens uitstekende daden en uit daden gebleken buitengewone militaire talenten". In deze rang bleef hij gehandhaafd in zijn toemalige functie als civiel gezaghebber over de onderafdeling Lho Soekon, afdeling Noordkust van Atjeh. Pas in september 1910 werd hij uit deze positie ontheven.

Dood en begrafenis van Scheepens

Scheepens werd in juli 1912 bevorderd tot luitenant-kolonel en in januari 1913 overgeplaatst bij het derde garnizoensbataljon te Atjeh en Onderhorigheden. Tijdens de zitting van de Landraad van Segli werd hij, dan gezagheb800px Het graf van luitenant kolonel WJBA Scheepens te Peutjoetber in de onderafdeling Pidië en chef van de staf van het veertiende bataljon,  door een inlander met een rentjong aangevallen en dodelijk verwond door een steek in zijn maag. De dader was de oelebalang van Titeuë, Tenkoe Bentara.

In eerste instantie leek Scheepens zich van de verwonding te herstellen maar al snel kwam een kentering in zijn gezondheidstoestand en overleed hij.

Tijdens de begrafenis van Scheepens op kerkhof Peutjoet hield gouverneur van Atjeh, generaal Swart een rede, waarin hij meldde dat Scheepens als bestuurder hoog bij de Atjehnese hoofden stond aangeschreven door stipte rechtvaardigheid, door zijn tactvolle optreden en door verantwoordelijkheidsgevoel en plichtsbesef te kweken.

Max Blokzijl schreef in 1910 over Scheepens: "Scheepens is de enige officier in het Atjehnese leger, over wie we niets dan goeds gehoord hebben, tot in de diepste binnenlanden. Zoals hij geroemd wordt, door allen zonder onderscheid, zoals een ieder meeleeft met zijn persoon en zijn werk, dat is meer dan treffend; de Atjehnezen hebben uit eigen beweging een brief naar de gouverneur gezonden om hem te mogen behouden".


 

 

 

 

f t