Epke willemfrederikhendrik


Vroege jaren

Willem Frederik Hendrik Epke (Willem I, Ambarawa, 14 september 1871 - Den Haag, 29 april 1960) was de zoon van Jan Hendrik Epke, kapitein KNIL,   en Karolina Philippa. Hij trouwde in 1896 met Wilhelmine Christine Kalkhoven (1874-1962),Bivak te Pidie met wie hij zich te Djokja in het jaar daarvoor verloofd had. Het echtpaar kreeg zes kinderen, waaronder een zoon, Jan Hendrik. De zoon van Jan Hendrik was Willem Epke (1923-2005), net als zijn grootvader ridder der Militaire Willemsorde en later commandant van Bronbeek.

Epke volgde de Militaire School te Meester Cornelis en werd in augustus 1895 vanuit de rang van sergeant bevorderd tot tweede luitenant der infanterie in Nederlands-Indië. Direct hierop werd hij geplaatst bij het rechterhalf vierde bataljon,  in april 1896 bij het tweede depotbataljon te Magelang en in juni 1897 bij het garnizoensbataljon van de Westerafdeling van Borneo overgeplaatst. Aldus vertrok Epke in de zomer van 1897 met het stoomschip Van Riebeeck naar Pontianak.

Epke werd  in 1898 bevorderd tot eerste luitenant en in augustus 1900 ter nadere indeling bij de troepenmacht te Atjeh overgeplaatst en onder de bevelen van luitenant-kolonel  der Generale Staf G.C.E. van Daalen, zoon van kapitein G.C.E. van Daalen, geplaatst. Te Atjeh werd hij ingedeeld bij het veertiende bataljon, dat in 1901 onder meer strijd leverde in Pidië (noordkust van Atjeh). Voor zijn activiteiten bij Pi Leubeu op 16 juni 1901 werd Epke bij Koninklijk Besluit van 3 maart 1904 nummer 29 alsnog Eervol Vermeld, een vermelding die bij afzonderlijke Dagorders zowel in Nederland als in Indië werd gepubliceerd.

Expeditie aan de Westkust van Sumatra

Na veertien maanden werd Epke voorgedragen voor aflossing en achtereenvolgens te werk gesteld bij het tweede depotbataljon en het reservebataljon op Java,  om in april 1903 overgeplaatst te worden bij de troepenmacht aan de Westkust vSiberoetan Sumatra te Padang Pandjang.  Aldaar nam hij van 12 mei tot en met 4 september 1903 deel aan de expeditie naar Korintji.

Op 25 februari 1905 vertrok Epke met een detachement van vijftig man onder zijn commando op expeditie naar het eiland Siberoet, een der Mentawei-eilanden, gelegen op honderd kilometer van de kust van West-Sumatra, waar het indertijd onrustig was.

Epke echter ondervond weinig moeilijkheden omdat de bevolking goed gezind scheen en dagelijks in het bivak wapens kwam ruilen tegen tabak.  Doordat er overstromingen plaatsvonden werd de gezondheidssituatie in het bivak aan de rivier echter steeds slechter. Epke werd op 17 april 1905 door zware koortsen getroffen en op 26 april, samen met een sergeant, twee inlandse korporaals, vier Europese fuseliers, vier inlandse fuseliers en drie dwangarbeiders, naar het hospitaal te Padang geëvacueerd.

Zuider- en Oosterafdeling van Borneo

Na hersteld te zijn van zijn ziekte reisde Epke met zijn echtgenote en vier kinderen per stoomschip "Real" terug naar Java, waar hij eerst ingedeeld werd bij het zestiende bataljon en vervolgens naar het garnizoensbataljon van Bivak Oost Bornepde Zuider- en Oosterafdeling van Borneo gezonden (maart 1906). 

Ten tijde van de expeditie in de Zuider- en Oosterafdeling van Borneo, waaraan Epke deelnam,  was de Pegoestian-partij weer actief geworden en had de Tabalongstreek tot operatieterrein verkozen. De omliggende landstreek Pasir en de Tanah Boemboe-landen kozen eveneens partij voor de pretendent sultan en diens zoon Goesti Brakit. 

Het gelukte Epke met zijn colonne na enkele succesvolle overvallen de hoofden van het verzet tot onderwerping tresolveGUTJUWAOe dwingen. Daarnaast wist hij in de Tanah Boemboe-landen, door het vertrouwen te winnen van de Dajakkers, de schuilplaatsen te vinden van de verzetslieden en deze en andere bendeleden gevangen te nemen en de onderworpen streken te pacificeren door, net als te Atjeh, het passenstelsel toe te passen.

Epke verkreeg bij Koninklijk Besluit van 1 mei 1907 nummer 78 de Militaire Willemsorde voor zijn verrichtingen in Zuid-Oost Borneo in de tweede helft van 1906.

De toelichting bij deze benoeming luidde: "voor zijn gedrag bij de krijgsverrichtingen in de Zuider- en Oosterafdeling van Borneo van 23 mei 1906-9 augustus 1906, achtereenvolgens te Tabalong (onderafdeling Tandjong) en in de Tanah Boemboelanden, waarbij door zijn beleidvol optreden als patrouillecommandant de hoofden van de verzetspartij en enige van hun volgelingen konden worden neergelegd, en waardoor in die streken de orde, rust en veiligheid werden hersteld."

Latere loopbaan

Epke werd overgeplaatst bij het tweede bataljon en medio mei 1909 bevorderd tot kapitein. In april 1910 vond zijn overplaatsing naar het subsistentenkader te MagelanEpke in 1937g plaats,  in 1911 gevolgd door een tewerkstelling bij het eerste bataljon.  Een paar maanden later verkreeg hij een verlof van een jaar naar Europa, wegens langdurige dienst als officier. Aldus vertrokken Epke, zijn echtgenote en zes kinderen op 10 augustus 1911 van Batavia naar Nederland.

Epke verkreeg, eenmaal in Nederland woonachtig, in november 1912 toestemming om enige  lessen aan de Hogere Krijgsschool in Den Haag te mogen volgen. Eerder had hij al getracht in aanmerking te komen voor het toelatingsexamen voor de Hogere Krijgsschool maar omdat hij indertijd geplaatst werd te Magelang had  dit streven niet tot uitvoering kunnen komen. Toen  hij echter in 1912 op audiëntie bij de Koningin was kreeg hij alsnog en nu van zeer hoge zijde vergunning de lessen bij te wonen.

Epke keerde pas op 5 juli 1913 met het stoomschip Prinses Juliana naar Indië terug, waar hij in augustus bij het linker halve tweede depotbataljon werd geplaatst. Hij vroeg en verkreeg, inmiddels werkzaam te Solo,  wegens volbrachte diensttijd op 4 augustus 1916 eervol ontslag uit de militaire dienst en vestigde zich te Blitar.

Leven buiten de militaire dienst

Epke gaf op 24 september 1935 te Soerabaja voor de afdeling van het Indisch Europees Verbond, waarvan hij commissaris was,  een lezing getiteld "Herinneringen uit mijn officiersloopbaan". Kort daarop verhuisde hij naar de PeHeilgymnastrenboomboulevard teLawang, waar hij voorzitter werd van het Indisch Europees Verbond en lid van de regentschapsraad. Hij was daarnaast actief als gediplomeerd masseur en heilgymnast, getuige de advertentie in het Soerabaijasch Handelsblad van 1 juni 1937.

Op 1 mei 12227571 1709130759317557 5738495873096853139 n1937 vierde Epke zijn dertigste verjaardag als Ridder in de Militaire Willemsorde. Hij ontving in die dagen, mede namens het Koninklijk Nederlands-Indische Leger, felicitaties van de legercommandant, generaal M. Boerstra. Epke liet het militaire leven niet geheel los want in 1939 werd hij benoemd tot commandant van sector IV der luchtbescherming in zijn woonplaats Lawang.

Epke nam ook zitting in het schoolvoedingfonds, dat er naar streefde kinderen van arme ouders van een ontbijt, bestaande uit brood en melk te voorzien, en stelde zich in 1940 namens  het Indisch Europees Verbond kandidaat voor de verkiezing van de Provinciale Raad te Soerabaja. Waarschijnlijk het laatste hoogtepunt in Epkes leven was de uitreiking van de Militaire Willemsorde aan zijn kleinzoon luitenant Willem Epke op 18 maart 1949 te Batavia.

Epke vestigde zich na de souvereiniteitsoverdracht in Den Haag, waar hij in april 1960 op 88-jarige leeftijd overleed.


 

f t