Afdrukken
Details: Hoofdcategorie: Koninklijk Nederlandsch-Indisch Leger Categorie: Officieren, kaderleden en manschappen van het KNIL | Gepubliceerd: 05 oktober 2015

 

Daalen Frits


 Zie ook:

 


Familie

Vroege loopbaan

Celebes en Onderhorigheden

Eerste voordracht tot beloning (1863 )

Tweede voordracht tot beloning (1868)

Machinaties van gouverneur-generaal James Loudon

Instelling der Enquête-commissie in 1873

Van Daalen en de Enquête-commissie

Inzake generaal Kroesen

Tweede expeditie naar Atjeh

Activiteiten tijdens de tweede expeditie

Vermeestering Mesigit

Voorgedragen voor een Militaire Willemsorde derde klasse

Incident met gouverneur-generaal Loudon

Raad van onderzoek

Reacties op het ontslag van Van Daalen

Reacties op het niet verkrijgen van de Militaire Willemsorde

Overlijden en begrafenis

In memoria

Decoraties


Familie

Godfried Coenraad Ernst (Frits) van Daalen ( 's Hertogenbosch, 23 juli 1836 - Ngagel, Soerabaja, 13 mei 1889) was de zoon van Godfried Coenraad Ernst van Daalen (1792 - 1849), majoor der infanterie, en Frederica de Blij. Van Daalen senior nam deel aan de veldtocht in Frankrijk (Napoleontische oorlogen) in 1815. Hij sloot zich van 1830 tot 1836 bij het mobiele leger aan, dat zich toen (Belgische Opstand) in België bevond. Nadien was hij in de rang van kapitein-adjudant werkzaam bij de Koninklijke Militaire Academie. Vanwege zijn grote verdiensten werd Van Daalen senior benoemd tot Ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw.

Van Daalen junior trouwde met Jacoba Wilhelmina (Minette) Weijergang. Zij kregen negen kinderen, waaronder de latere generaal Godfried Coenraad Ernst van Daalen (1863-1930).

Vroege loopbaan

Van Daalen volgde vanaf 3 september 1851 de KoninklijkGezin Van Daalene Militaire Academie te Breda. In eerste instantie was hij bestemd voor de Infanterie hier te lande maar met ingang van 1 september 1852 werd hij overgeplaatst bij de richting Infanterie in Oost-Indië. Op 20 oktober 1855 werd hij bevorderd tot korporaal en met ingang van 30 juni 1856 benoemd tot tweede luitenant. Van Daalen was een studiegenoot van de latere luitenant-kolonel en schrijver J.W.W.E. Verstege. Hij vertrok op 19 november 1856 an Harderwijk naar Den Helder.

Onder commando van kapitein H.J. Doorman en met als medebegeleiders de tweede luitenants W.A.J.J. Kraal en H.J. Kuipers en officier Tevredenheidsbetuigingvan gezondheid derde klasse E. van Hengel vergezelde hij een detachement suppletietroepen, bestaande uit 150 onderofficieren en manschappen, naar Nieuwe Diep. Daar aangekomen ging men aan boord van het schip Admiraal Jan Evertsen, dat op 26 november koers naar de Oost zette. De boot kwam op 9 april 1857 te Batavia aan, waar Van Daalen werd ingedeeld bij het elfde bataljon.

Van Daalen werd met ingang van 21 januari 1858 bij de Normaal Schietschool te Meester Cornelis geplaatst en na de opheffing van deze onderwijsgelegenheid, op 19 oktober 1859, overgeplaatst bij het elfde bataljon. In 1859 rekende de commandant van het KNIL, luitenant-generaal Jan van Swieten, "het tot zijn plicht de commandant der Eerste Militaire Afdeling op Java op te dragen Van Daalen de tevredenheid van Zijne Excellentie voor zijn goede diensten als Instructeur bij de Normaal Schietschool te betuigen."

Celebes en Onderhorigheden

Van Daalen nam in 1859 deel aan de tweede expeditie tegen Boni (Celebes), die onder het opperbevel stond van generaal J. van Swieten. Op 19 februari 1860 werd hij benoemd tot adjudant van de militair commandant (W.E. Kroesen) van Palembang  en op 19 februari 1860 bevorderd tot eerste luitenant. In zijn functie als adjudant stond hij de commandant  zowel te Makassar als Palembang bij in het bekleden van diens ambt, het vertegenwoordigen van het hoogste militaire en civiele gezag.

In april 1862 was Van Daalen actief tijdens de tocht ondernomen tot het herstellen van rust in Kanipi en Toerangan (Celebes en Onderhorigheden) en in november van datzelfde jaar nam hij deel aan de expeditie naar Kandar (Balangnipa, eveneens Celebes en Onderhorigheden). Een jaar later, in 1863, participeerde hij in de straftocht naar de Toratheilanden (Celebes en Onderhorigheden).

Eerste voordracht tot beloning (1863 )

Bij speciaal rapport van de Militair Commandant van Celebes en Onderhorigheden, kolonel W.E. Kroesen, werd Van Daalen voorgedragen voor een beloning inzake zijn gehouden gedrag (in een brief van 16 november 18Aanbeveling Kroesen63). Kroesen schreef in deze notitie onder meer: "Bij mijn missieve van 5 november 1863 had ik de eer Uwe Excellentie een voordracht aan te bieden van hen die zich bij de jongste expeditie naar de Forothea-eilanden meer bijzonder hebben onderscheiden.

Op deze voordracht bracht ik voorbedachtelijk niet mijn adjudant. Niet omdat ik een onderscheiding voor hem niet billijk, niet verdiend achtte maar omdat het mij beter en gepaster voorkwam ten aanzien van hem apart te rapporteren. In de korte periode waarin ik als Militair Commandant van Celebes het bewind voerde heb ik meerdere expedities moeten sturen.

In 1859 de expeditie tegen Boni, in 1862 de tocht tot herstel van de rust in twee bergdistricten en hetzelfde jaar de tocht naar de Forothea-eilanden. Bij het organiseren van al deze expedities, bij alles wat voor de ten uivoerlegging nodig was, en bij de ten uitvoerlegging zelf, ben ik op de loffelijkste wijze bijgestaan door mijn adjudant, eerste luitenant G.C.E. van Daalen. Op het ogenblik van het gevecht zelf bracht hij mijn bevelen met de meeste kalmte en juistheid ervan, gelijk hij zich ook van de onmiddellijke en stipte uitvoering overtuigde, over. Hij is derhalve ten volle behulpzaam geweest en ik vermeen dat hij ter zake zeker een onderscheiding heeft verdiend."

Tweede voordracht tot beloning (1868)

Luitenant-kolonel Kroesen sprak voor een tweede keer, in een brief van 28 september 1868, zijn lof over Van Daalen uit en schreef onder meer: "De expedities werden zonder dat het tot een Brief van Kroesengevecht kwam beëindigd. Bij de derde had slechts één kort gevecht plaats, zodat de gelegenheid voor Van Daalen niet werd verkregen zich door dapperheid te onderscheiden.

Maar verkreeg hij die gelegenheid niet, des te meer had hij beleid aan de dag gelegd bij de voorbereiding tot en de ten uitvoer brenging van de verschillende expedities. Hij zou mij van veel nut zijn geweest bij het opmaken van de plannen van operaties, zijn schuld was het niet dat de vijand liever verkoos zich aan ons te onderwerpen dan zich met onOverplaatsing Van Daalenze macht te meten."

"Ik meen de vele verdiensten van mijn adjudant, die nadat zijn chef tot lid in de Raad van Indië was benoemd, al dadelijk door het Militair Departement bij de zogenaamde Generale Staf werd getrokken, niet ongemerkt te laten voorbijgaan. De heer Van Daalen heeft mijns inziens alle aanspraken om in de welwillendheid van Z. M. de Koning te worden aanbevolen. Hij is een zeer verdienstelijk en zeer ijverig en kundig officier en ik aarzel niet te verklaren dat voor Koning en Staat nog zeer goede diensten van hem verwacht kunnen worden, ook in hogere betrekkingen dan zijn tegenwoordige."

Kroesen eindigde de brief met Van Daalen voor een Koninklijke Onderscheiding aan te bevelen. Die werd uiteindelijk pas in 1870 verleend toen Van Daalen werd benoemd tot Ridder in de Orde van Leeuw. Datzelfde jaar ontving hij ook  het Ereteken voor Belangrijke Krijgsbedrijven en in 1871 het Onderscheidingsteken voor Langdurige Dienst als Officier.

Machinaties van gouverneur-generaal James Loudon

Van Daalen werd in januari 1865 eervol ontheven uit zijn functie van adjudant van de commandant van Celebes en Onderhorigheden en op 29 april 1865 overgeplaatst bij het subsistentenkader te Batavia. Met ingang van 7 november 1865 werd hij in de functie vJO de Rochemontan adjunct overgeplaatst bij de Generale Staf en op 23 juni 1866 bevorderd tot kapitein bij het negende bataljon. Niet lang hierna, op 8 augustus 1867, werd hij benoemd tot adjunct bij de Generale Staf en vanaf 30 juni 1869 te werk gesteld bij het Departement van Oorlog. Op 21 juli 1869 volgde de benoeming tot adjudant van de commandant van het Indische leger en chef van de Eerste Afdeling van het Department van Oorlog.

Toen generaal Kroesen in 1873 aftrad als commandant KNIL en generaal N.H.W.S. Whitton werd benoemd zorgde dit voor opschudding. AAtjehdrukperslgemeen werd verwacht dat in de plaats van Kroesen generaal Verspyck zou worden aangesteld. Onder influistering van zijn adjudant, majoor J.I. de Rochemont, koos gouverneur-generaal James Loudon echter voor generaal Whitton (5 april 1873), die hij later in zijn memoires "een braaf en gemoedelijk man maar zwak" noemde.

Loudon vernam dat Whitton Van Daalen in zijn functie als adjudant van de commandant wilde handhaven. Toen deze dit persoonlijk bevestigde zei Loudon: "Ik wens u de vraag te doen of deze keuze wel geraden is. De heer van Daalen heeft naar mijn mening een grote invloed uitgeoefend op op uw voorganger, een invloeDaalen EC vand die zich vooral in personele zaken openbaarde en naar ik aanneem tot vele klachten onder de officieren heeft geleid".

Whitton antwoordde hierop dat als Loudon liever wilde dat hij een ander dan Van Daalen tot adjudant nam hij dit natuurlijk zou doen. Loudon bewerkte Whitton hierop nog met andere lasterlijke aantijgingen Van Daalen betreffend, waardoor de benoeming van Van Daalen als adjudant van generaal Whitton geen doorgang vond en deze met ingang van 5 juni 1873 daarvan aangesteld werd bij het bureau voor de Krijgsuitrustingen op Sumatra.

De broer van Van Daalen, Hermanus Bernardus van Daalen, een gewezen zeeofficier,  was in deze tijd actief als redacteur van de Java-Bode. Van Daalen schreef een negatief stuk over gouverneur-generaal Loudon en werd in opdracht van Loudon tot een gevangenisstraf van een jaar veroordeeld. Loudon schreef overigens in zijn memoires het volgende over de pers: "Het dagelijks werk van de pers bestaat in het ondermijnen van ons zedelijk evenwicht, hetzij door te tonen dat men straffeloos het gezag minachtend kan behandelen hetzij door onze zwakke punten bloot te leggen."

Instelling der Enquête-commissie in 1873

Naar aanleiding van het mislukken van de eerste expeditie naar Atjeh, in april 1873, onder opperbevelhebber Johan Harmen Rudolf Köhler en na diens dood, op 14 april 1873, onder opperbevel van kolonel  Eeldert Christiaan van Daalen, een oom van Van Daalen,Brief verdediging Van Daalen kopie werd door gouverneur-generaal James Loudon, mede beïnvloed door zijn adjudant De Rochemond, een enquête ingesteld waarbij de bevelhebbers Hoorzitting enquete 2der eerste expeditie op last van de regering onderworpen werden aan de beoordeling van de hen ondergeschikte officieren. De regering stelde de enquête mede in doordat van het strijdtoneel geruchten waren gekomen dat de leiding niet bekwaam gehandeld zou hebben.

Deze wijze van veroordeling van de leiding van de eerste expeditie leidde tot veel weerstand. De eerste expeditie had slechts beschikt over een zwakke Marine en een infanterie opgebouwd uit één brigade, waarvan de compagnieën, ook aan officieren en kader,  incompleet waren. De artillerie was slecht bewapend en de genie slechts van het hoogst nodige voorzien. Door de instelling van de enquête, die een zware krenking voor het Indische leger betekende, werden de krijgstucht, de kameraadschap, de eerbied voor gezag en het vertrouwen op de loyaliteit der regering aangetast. 

Majoor de Rochemont, een intrigant pur sang en een Shakespeariaans Iago-figuur, had zich in de gunst van Loudon gedrongen en het was hem gelukt de adjudant en pleitbezorger van deze intens ijdele man te worden. De Rochemont had een hekel aan Van Daalen, die hij kende van de expeditie naar Boni,  en diens relatie met de toenmalige legercommandant Kroesen, en met generaal Verspyck kon hij evenmin overweg.

Van Daalen en de Enquête-commissie

Van Daalen was in 1873 in de rang van kapitein der infanterie werkzaam bij het Bureau Krijgsuitrustingen op Sumatra toen hij op 5 oktober 1873 voor de commissie diende te verschijnen. Hij had echter het vermoeden dat de reden dat hij voor de "krijgsraad" werd geroepen meer te maken had met zijn eerGeneraal majoor P.P.H. van Ham vermoedelijk op Lombok ten tijde van de Eerste Lombokexpeditie van 1894dere positie als adjudant van legercommandant W.E. Kroesen, die in de zomer van 1873 was overleden, en als gewezen chef der Eerste Afdeling van het Departement van Oorlog, dan dat hem een poging tot waarheidsbevinding  stond te wachten.

De vragen die Van Daalen diende te beantwoorden waren dan ook met name gericht op de kennis die Van Daalen in zijn functie als adjudant van generaal Kroesen had opgedaan. Van Daalen stelde, toen hem de vraag werd gedaan of hij nog feiten mede te delen had die in zijn oordeel de commissie bij haar werk van nut zouden kunnen zijn het volgende:

"Ik wens gaarne opgetekend te zien dat ik met de grootste ontroering voor uw commissie ben verschenen, die belast is met een onderzoek, waarvan de aard een onverdiende blaam werpt op op de naam van generaal Kroesen en dat een geheel ongemotiveerd wantrouwen aan de dag legt in het door hem gevoerd beheer over het leger en in zijn beleid.  Voor de commissie, waarvan de samenstelling krenkend is voor de generaal omdat alle leden minder in rang en positie en gedeeltelijk zonder of met minder ervaring van de oorlogskunst, krijgswetenschap en militaire zaken zijn."

Inzake generaal Kroesen

Van Daalen meldde verder: "Aan de nagedachtenis van mijn gewezen chef, generaal Kroesen, ben ik verschuldigd tegenover die onverdiende blaam en krenking op de ernstigste wijze eerbiedig protest aan te tekenKroesen W.A. kopieen. Ik zou vermenen geen man van eer en de achting van mijn vrienden onwaardig te zijn, wanneer ik dit naliet, nu de man die dit aangaat dit helaas! niet zelf meer kan doen. Ik vermeen dat die blaam en krenking onverdiend zijn omdat de regering wist: dat hij in 1869 en later herhaaldelijk heeft gerapporteerd dat het personeel en materieel van het leger aan gehalte en kwantiteit beneden hetgeen was wat in redelijkheid en in het belang van het land geëist moet worden.

Dat hij alles gedaan en voorgesteld heeft wat in zijn vermogen was om het leger te maken zoals het zijn moest doch dat hij daarin weinig medewerking heeft gevonden bij Regering en Ministers. Dat de onvolkomen toestand waarin het leger bij de oorlog in vele opzichten verkeerde aan wie ook maar niet aan hem te wijten was. Dat de onvoldoende bekendheid met Atjeh te wijten is aan hen die herhaaldelijk de oprichting van een Generale Staf hebben geweigerd en ook het bezoeken van Atjeh door een officier van de LandmacVerklaring commissieht toe te staan, eerder dan aan de generaal die niets verzuimd heeft om daarmee ingelicht te worden.

Dat de expeditie zeker even goed, zelfs niet beter, was uitgerust en samengesteld dan al de eerder vertrokkenen en dat voor zover de geringe middelen, waarover beschikt kon worden, en de korte tijd het toelieten. Dat voor wat er aan haperde de oorzaak hoofdzakelijk moet worden gezocht in de Regering en in de Ministers die geweigerd hebben gevolg te geven aan de voorstellen van de legercommandant, onder meer tot: een betere oefening van officieren en minderenEnquete ingesteld naar aanleiding van roddelpraatjes, een betere organisatie van de infanterie en de cavalerie, betere bewapening, oorlogsuitrusting en uitzending van munitie, oprichting van een Generale Staf.

Eigenlijk ben ik verplicht op te komen tegen de onverdiende blaam die de tegenwoordige Minister van Koloniën, sprekend in de Tweede Kamer der Staten-Generaal tot de natie, heeft geworpen op generaal Kroesen door, na diens overlijden, de onjuiste verklaring te geven dat door generaal Kroesen geen voorstellen zijn gedaan tot uitbreiding van het leger, behalve die tot oprichting van het achttiende bataljon infanterie.  Ik verzoek verder eerbiedig dat nog in het bijzonder wordt aangetekend mijn stellige verklaring dat generaal Kroesen geen schuld heeft dat slechts twee bataljons met de Beaumont-geweren waren gewapend." Deze woorden konden gestaaf worden met documenten waarin dit inderdaad aangetoond werd maar waar door de commissie geen acht op geslagen werd.

Tweede expeditie naar Atjeh

Van Daalen werd met ingang van 30 september 1873 aangesteld als chef van de staf van de Tweede Brigade bij de tweede expeditie naar Atjeh en op 31 januari 1874 overgeplaatst bij de Generale Staf der expeditie.  Generaal van Swieten meldde aan het begVersierde muziektent 19 februari 1874 Atjehin van de expeditie aan Loudon dat hij Van DaaVan Daalen CVlen liever niet aan de expeditie had toegevoegd. 

Bij de overtocht van Samarang naar Atjeh betoonde Van Daalen zich een held. Toen de cholera zich openbaarde bij het Derde Bataljon en hevig woedde, zag men hem zowel op de rede van Atjeh als op het eiland Poeloe Nassi zo vaak als zijn betrekking van chef van de staf van een brigade dat toestond aan het bed van de zieken.

Met de meeste opoffering probeerde hij hun lijden te verlichten, probeerde hen moed en vertrouwen in te spreken en kalme berusting aan hen, die die de hand van de dood reeds had aangeraakt, te geven."Hoe menig krampachtige hand heeft hij daar ontvangen, handdruk welke hem bij dat uiterste scheiden als een remember moest toeklinken aan opdrachten en verzoeken, hem door stervende lippen gedaan." 

Activiteiten tijdens de tweede expeditie

Na het debarkement, toen de cholera in de gelederen bleef voortwoekeren, bleef Van Daalen met eenzelfde toewijding ijveren voor het welzijn der officieren en min24 januari 1874deren van zijn brigade. Toen de strijd begon was hij dag en nacht in de weer maar vergat desondanks geen seconde het welzijn van zijn zieke makkers uit het oog.

Op de morgen van de tiende december, toen het rechter halve veertiende bataljon, onder de bevelen van luitenant-kolonel Pel, naar een vijandelijke benting trok, waarbij de doorgang door de vijand betwist werd, maakte Van Daalen die doorgang met de voorste divisie mogelijk en bevond hij zich met overste Pel het eerst aan de overkant.

Tijdens de aanval op het bivak te Gigien, op de 12de december 1873, snelde Van Daalen naar de voorpostenketen, rukte met acht man naar de opdringende vijand op en legde de voorvDerde batalon in kratonechters neer. Hierdoor werd de aanval enigszins tot staan gebracht en hield hij de vijand zolang bezig totdat de door hem ontboden Amboinse compagnie onder kapitein van Randwijk op de plaats van het gevecht verscheen. Van Daalen trad nu weer aanvallend op,  versloeg de vijand en vervolgde de vluchtenden nog een eind.

Nog niet hersteld van een aanval van cholera, waaraan Van Daalen vanaf de twintigste december leed, nam hij toch deel aan de strijd bij kampong Lemboe op 25 december. Bij het voorste treffen van het rechterhalve derde bataljon kwam Van Daalen na veel moeite aan de voet van de vijandelijke versterkingen. Hij trachtte aldaar met de troepen door de bamboe doerie heen te komen, wat ook gedeeltelijk gelukte, hoewel de vijandelijke tegenstand groot was en de Nederlandse verliezen aanmerkelijk.

Vermeestering Mesigit

Nabij de Mesigit verdedigde op bevel van Van Daalen de dappere vaandeldragen Von Bredow het hem toevertrouwde kleinood. Van Daalen verzamelde aldaar de aanwezige officieren en minderen om het Oranjevaandel heen en en deed hen op hun krijgsmachtswoKaart Van Daalen aan zijn vrouw uit Penajoengord beloven geen duim breed te wijken van deze plek, terwijl hij versterking zou gaan halen of een omtrekking beproeven. Terwijl Van Daalen heen snelde om het nodige tot omtrekking van deze dapperen te beramen en het reeds behaalde voordeel te vervolgen  vernam hij dat de brigadecommandant gewond was geraakt. Onder bijval van de korpschefs nam Van Daalen in deze belangrijke ogenblikken het bevel van de brigade over.

Tijdens de krijgsverrichtingen op de zesde januari 1874, gedurende de verovering van de Mesigit, drong Van Daalen de ervoor liggende versterkingen binnen en verkende deze  en ook de meer zuidwaards gelegen bentings. Na de verovering van de Mesigit, waaraan hij actief deelnam, nam Van Daalen, terwijl de brigadecommandant kolonel de Roy van Zuijdewijn gewond op de grond lag, de benodigde maatregelen tot het bezetten van en het in staat van verdediging stellen van de Mesigit, waarin de Nederlandse troepen vanuit de Kraton fel beschoten werden.

Bij de onverhoedse aanval door de vijand op de noordzijde van het bivak te Penajoeng in de namiddag van de 13de januari 1874  sprong Van Daalen, slechts dooSamenstelling der tweede expeditier een stafofficier gevolgd, over de versperring van het bivak de Atjehnezen tegemoet en voegde zich, na zich door de vijand heengeslagen te hebben, bij een tiental soldaten, die met de vijand in handgemeen waren. Aan het hoofd der troepen verjoeg Van Daalen uiteindelijk de opstandelingen. Naar aanleiding van deze gelegenheid rapporteerde luitenant-kolonel Pel over de onversaagdheid van Van Daalen en bedankte generaal van Swieten hem vanwege zijn beradenheid en moed.

Bij de affaire van Ketapan-Doewa, op 15 februari 1874, was Van Daalen bij de voorhoede, samengesteld uit het rechterhalf derde bataljon, onder de bevelen van luitenant-kolonel Engel, waar hij dapper en met beleid meestreed, en raakte hij uiteindelijk in het laatste gedeelte van het gevecht gewond. Samengevat was er geen gevecht tijdens de tweede expeditie naar Atjeh waaraan Van Daalen niet deelnam.

Van Daalen werd al in december voor een ridderschap in de Militaire Willemsorde derde klasse voorgedragen maar door een fout verscheen zijn naam niet op een telegram dat naar Java was verzonden. De nominatie gold Van Daalens gedrag tijdens de bestorming der vijandelijke versterkingen te Lemboe op 25 december 1873.

De namen van de soldaten van de vaandelwacht, die tijdens diezelfde periode actief waren, kwamen wel door. Van Daalen werd, na zijn voortijdige terugkeer naar Java wegens het schampschot aan de linkervoet,  opgelopen tijdens de strijd bij Ketapang Doewa op 15 februari 1874, opgenomen in de Generale Staf, residerend te Batavia.

Voorgedragen voor een Militaire Willemsorde derde klasse

Van Daalen onderscheidde zich aldus sterk tijdens de tweede expeditie en werd voorgedragen voor een Militaire Wilemsorde derde klasse voor de volgende strijdhandelingen:

Incident met gouverneur-generaal Loudon

Gouverneur-generaal Loudon bezocht op 2 mei 1874 Van Daalen en andere gewonde manschappen in het hospitaal. Van Daalen had eerder tegen vrienden gezegd dat als Loudon hem de hand zou reiken hij die zou weigeren: "Het zal mij wel nooit overkomen, want onze maatschappelijke positie is te uiteenlopend daarvoor, maar wanneer die man mij de hand reikt dan weiger ik ze."  Van Daalen hield Loudon namelijk terecht verantwoordelijk voor de vernederende behandeling die zijn oom en broer ten deel waren gevallen.

Dit nu was Loudon ter ore gekomen. Toen de gouverneur-generaal ostentatief tot drie maal toe de voormalige chef-staf der Tweede Brigade de hand toestak nam Van Daalen, zoals hij aangekondigd had, deze niet aan. Loudon reikte zijn hand niet om een blijk van belaJames Loudonngstelling te geven maar ondat hij Van Daalen ten val wilde brengen. Het was  hem namelijk, via zijn adjudant, ter ore gekomen wat Van Daalen gezegd had. Loudon wendde zich na het incident tot de commandant van het Indische leger, generaal N.H.W.S. Whitton, en zei: "U begrijpt wel, generaal, dat deze officier niet in het leger kan blijven".  Overigens had het niet uitgemaakt of Van Daalen de hand wel of niet had aangenomen want zijn lot was door Loudon al beslist. Indien hij de handreiking wel had aangenomen zou Loudon hebben gezegd: Is dat iemand die hoofdofficier moet worden?

Generaal Whitton merkte aan de gouverneur-generaal op dat dit ontslag niet gegeven kon worden zonder het oordeel van de Raad van Onderzoek te hebben afgewacht. Die Raad van Onderzoek zou moeten bepalen of het ontslag doorgang zou vinden en eervol dan wel oneervol diende te geschieden. De wettigheid van de maatregel werd betwist omdat de gouverneur-generaal geen rang in het leger bekleedde en er van een aanklacht van insubordinatie, bij militaire wetgeving erkend, geen sprake was.

Men dacht binnen het leger algemeen dat een poging om Van Daalen voor een krijgsraad terecht te doen staan zou afketsen op het advies "dat bij de militaire reglementen de eerbewijzen en begroetingen, die de mindere tegenover de meerdere te betrachten had, geen handen schudden inhield. En dat hieruit volgde dat indien de meerdere de mindere uit eigen beweging de hand reikte, in plaats van de afgesproken plichtpleging te volgen, hij van zijn voetstuk afdaalde en zich naar eigen wens en begeerte zich tegenover de mindere plaatste als de ene burger tegenover de andere.

In het gegeven geval was het dus niet meer gouverneur-generaal Loudon die de hand reikte aan kapitein van Daalen maar de heer Loudon die de heer Van Daalen begroette.

Raad van onderzoek

Meerdere mensen, zoals generaal de Neve en de latere vice-admiraal Van Gogh, namen de handschoen voor Van Daalen op teneinde hem voor het leger te behouden maar Loudon was onverbiddelijk: hij meldde Van Daalen als mens (sic) te vergeven maar als Vertegenwoordiger der Koninklijke Waardigheid niet bevoegd te zijn de gang der wet te stuiten. Aldus werd in de tweede helft van mei 1874 een Raad van Onderzoek ingeBeoordeling Verspyck en Kroesensteld naar het handelen van Van Daalen.

De Raad van Onderzoek pleitte Van Daalen met vier tegen drie stemmen vrij maar op instignatie van Loudon werd Van Daalen alsnog uit de militaire dienst ontslagen en ontgingen hem tevens de decoraties die hij had verdiend met zijn moedige gedrag op de slagvelden van Atjeh.

Dat was tegen de regels, die meldden (artikel 33 van het besluit): "van het uitgebrachte advies wordt door de gouverneurOntslag van Daalen-generaal niet afgeweken dan ten gunste van de officier over wie het onderzoek heeft plaatsgevonden."  Loudon handelde bovendien in strijd met het Koninklijk Besluit van 24 november 1859 nummer 69 maar misgebruikte voor zijn handelen de toevoeging van 28 maart 1870 nummer 13, waarin stond: "dit verslag wordt mede bij vrijspraak vereist, ter beoordeling of het belang van de dienst vordert de betrokken officier eervol uit de dienst te ontslaan met behoud van aanspraak op pensioen of met gelijktijdige toekenning van pensioen. 

Reacties op het ontslag van Van Daalen

Van Daalen had een onbesproken conduitstaat. Mannen als de generaals  Kroesen en Verspyck voorspelden hem als officier een grote toekomst. In de conduitbeoordelingen werden door hen  onverholen diens uitgebreide vaardigheden, onverdroten ijver voor de dienst en onbesproken gedrag gestaafd. In de Locomotief schreef men op 22 juni 1874: "Het ontslag van kapitein van Daalen is een zwaar verlies voor het leger. Gouverneur-generaal Loudon zou moeten overwegen vLoudons meningia welke kronkelwegen de enquête is voorbereid, toen minderen tot een getuigenis jegens hun meerderen werden verlokt. Dan kan hij, tegenover kapitein van Daalen oordelend, die tegen deze discipline zondigde,  van zichzelf niet getuigen dat hij steeds de discipline versterkt heeft."

Luitenant-kolonel Perelaer schreef, nadat de schrijver W.A. van Rees een beeld van de daden van Van Daalen had geschilderd: "Zeg, staat hij daar niet voor u, Van Daalen, uit één blok gegoten? Had u een ander beeld ontworpen van de man die moed genoeg had rond voor zijn gevoelens uit te komen door de hand te weigeren van hem die hij daartoe niet waardig achtte, al was het één der groten der aarde?  Er behoort moed toe in het vorstelijk Den Haag een man als Van Daalen zo op de voorgrond te doen treden, die ten gevolge van die mannelijke daad veel geleden heeft, en nog, wannneer zij ter sprake wordt gebracht, vaak miskend wordt."

Reacties op het niet verkrijgen van de Militaire Willemsorde

In de Locomotief van 14 november 1874 stond: "Dat Van Daalen voor een Koninklijke Onderscheiding is buitengesloten wordt diep betreurd. Hij was volgens getuigenis van vriend en vijand een der uitstekendste figuren van het tegen AtjeEnveloppe Van Daalenh strijdende leger. De regering had hem om zijn werkelijk buitengemene verdiensten een buitengewone bevordering toegedacht, totdat de gebeurtenis voorviel waardoor Van Daalen uit de dienst ontslagen werd.

Van Daalen kreeg de onderscheidingen die hem toekwamen niet om dezelfde reden als waarom hij de dienst moest verlaten, om het niet aannemen van een handdruk, hem bij terugkeer van Atjeh door de gouverneur-generaal aangeboden. Dit nu was een schreeuwende onrechtvaardigheid. Het ontslag was al een straf en die was hard genoeg om de schuld geheel uit te wissen. Maar al ware zij dat niet dan zou het nog een schande zijn haar druk te vergroten door hem de onderscheiding te ontzeggen, indien daden, die aan het feit voorafgingen, daden van zeldzame krijgsmansdeugden, hem ten volle aanspraak daarop gaven.

Niemand kan beweren dat door het weigeren van de handdruk van gouverneur-generaal Van Daalen zijn ridderlijke houding te velde alle waarde heeft doen verliezen. Dat door die weigering zijn voorheen hoog geprezen moed is ontaard in lafheid, zijn beleid in onbeholpenheid, zijn trouw in verraad of zijn superioriteit als soldaat tegen Atjeh in inferioriteit of mediocriteit. En durft men dat niet te beweren dan moet men een onthouding van een onderscheiding om die reden ten sterkste laken.

Het weigeren van een onderscheiding om redenen van geheel persoonlijke aard kan beschouwd worden als een kleinzielige wraakneming die de vertegenwoordiger van de Koning geheel onwaardig is."

Overlijden en begrafenis

Van Daalen was na zijn militaire loopbaan chef van het Handelshuis (suiker)  Van Daalen & Co te Soerabaja. Hij overleed op 53-jarige leeftijd aan een hartaanval en werd zonder militaire eer ter ruste gelegd op de begraafplaats te Soerabaja, Goenong Sari. Er waren vijftig volgkoetsen nodig om alle aanwezigen te vervoeren en zowel de resident als majoor Burgerhoudt spraken lovende woorden aan de groeve. Namens de officieren van het dertiende bataljon werd een krans gelegd.

 Na de dood van Van Daalen trad de firma in liquidatie en werd J.P.M. Jollij, vanaf 1 juni 1889, aangesteld als liquidateur.

In memoria

Het Algemeen Handelsblad schreef: "Wat hem wel het meest in de algemene achting heeft doen rijzen is de houding die Van Daalen aannam na diens pensionering. Hoe graag hij ook in het leger was geblevenVan Daalen overleden hij reclameerde niet. Hij deed geen "beroepen op het Nederlandse volk", hij poseerde niet als martelaar, als slachtoffer van wetsverkrachting en willekeur. Met alle energie die in hem was zocht hij een andere werkkring, waarin het hem mogelijk was voor de toekomst der zijnen te zorgen. Naar mijn mening is een dergelijke gedragslijn duizend maal schoner dan die van hen die jarenlang blijven strijden voor hun recht en bij afwisseling smeken, schelden en dreigen. 

Me dunkt als ik door iemand niet naar behoren behandeld ben dan zeg ik hem mijn vriendschap op en wil ik zo weinig mogelijk meer mToekenning Ereteken voor Belangrijke Krijgsbedrijven Atjehet hem te maken hebben, dan vraag ik hem althans niets wat op een gunst gelijkt. Zo deed Van Daalen ook tegenover de regering: hij vroeg haar niets! Zo was Van Daalen: als een man van karakter blijft hij voortleven."

In het weekblad Eigen Haard verscheen in 1881 de volgende karakterschets van Van Daalen van de hand van majoor W.A. van Rees: "Inderdaad bezat kapitein van Daalen alle vereisten om zich tot een buitengewoon hoofdofficier te vormen, als de gelegenheid hem slechts diende. Nu, die gelegenheid kon zich nooit schoner aanbieden dan toen de aangewezen opperbevelhebber  voor de volgende veldtocht tegen Atjeh het oog op hem liet vallen en hem reeds bij de voorbereidende werkzaamheden gebruikte.

Onvermoeid, nacht en dag gereed voor iedere dienst, altijd gespoord om elk ogenblik in het zadel te springen, vlug met de pen, bondig, helder van stijl, een geheugen van staal, veeleisend voor en een beschermer van zijn ondergeschikten, rond voor zijn gevoelen uitkomend als dat gevraagd werd, dat was kapitein van Daalen."

Decoraties