Sorg handtekening


Familie

Frederik Johannes Sorg (Borculo, 15 april 1810 - Sambas (Pontianak), 15 oktober 1850) was een der zes kinderen van Johannes Jacobus Sorg (ingenieur Sorg senior overledenen verificateur van het kadaster der Provincie Overijssel) en Frederica Wonneman. Van deze nazaten werden vier later officier: drie ontvingen de Militaire WillemsordDood broer Sorge vierde en de vierde, Sorg zelf, die der derde klasse.  

Sorgs vader, Johannes Jacobus Sorg,  overleed op 16 november 1827 op 51-jarige leeftijd. De oudste broer van Sorg, Abraham Cornelis Sorg, tweede kapitein bij het vierde bataljon Artillerie Nationale Militie, stierf op 18 juli 1834  en werd 36 jaar oud. Omstreeks diezelfde tijd overleed ook zijn moeder. De leden van de familie Sorg werden sowieso niet oud want de jongere broer van Sorg, kapitein der infanterie, stierf in 1853 op 43 jarige leeftijd en Sorg zelf bereikte de leeftijd van 40 jaar.

Activiteiten op de Westkust van Sumatra

Sorg verkreeg zijn basisvorming op de kostschool te Kampen en werd op 20 maart 1824 benoemd tot cadet bij de Zevende Afdeling der Infanterie.  AldaZuster Sorg overledenar werd hij achtereenvolgens bevorderd tot korporaal enOverlijden jongere broer Sorg sergeant en op 21 juli 1828 benoemd tot tweede luitenant. Toen in 1830 de Belgische Opstand uitbrak werd Sorg ingedeeld bij het mobiele leger en op 3 september 1831 bevorderd tot eerste luitenant bij de Twaalfde Afdeling Infanterie.

Op zijn verzoek werd hij bij Koninklijk Besluit van 13 maart 1837 nummer 67 ingedeeld bij het Koninklijk Nederlands-Indisch leger en reisde hij met de Prins van Oranje naar de Oost. Aldaar wachtte hem te Batavia een droeve verrassing toen hij vernam dat zWestkust van Sumatra bij Padangijn getrouwde zuster (Johanna Jacoba Sorg, echtgenote van de gezagvoerder van de Generaal Chassé J.C. Schmidt) enige maanden daarvoor op zee op 29-jarige leeftijd overleden was.

Sorg werd met ingang van 28 januari 1838 bevorderd tot kapitein der Infanterie en nam in deze rang deel aan de krijgsverrichtingen op de Westkust van Sumatra.  Voor zijn inspanningen werd hij Eervol Vermeld en bij Koninklijk Besluit van 19 maart 1841 nummer 91 benoemd tot ridder in deGedenkteken Goegoer Malintang Sumatra opgericht ter herinnering aan het heldenfeit van 28 februari 1841. Eigen Haard 1886 Militaire Willemsorde vierde klasse. In de eerste maanden van 1841 vonden opnieuw opstanden plaats op de Westkust en was Sorg opnieuw actief in deze regio.

Hij werd bij Koninklijk Besluit van 24 februari 1842 nummer 76 inzake deze krijgsverrichtingen voor de tweede keer Eervol Vermeld maar was van plan, omdat zijn gezondheid zwaar geleden had,  ter herstel naar Nederland terug te keren.

Sorg werd echter benoemd tot commandant van het Fort Oranje (later Fort Erfprins genoemd) op Java en niet lang hierna overgeplaatst naar Ngawie en Batavia. In zijn  vrije tijd bestudeerde hij de krijgsgeschiedenis en de land- en volkenkunde van de Nederlandse bezittingen in de Oost. Hij werd bevorderd tot majoor bij het achtste bataljon infanterie en overgeplaatst bij het dertiende.  Sorg nam in april 1849 deel aan de tweede expeditie naar Balie.

Expedities naar Bali

Tijdens de gevechten op de 15de en 16de april 1849 bij Djaga Raga raakte Sorg ernstig gewond doordat een geweerkogel zijn linkerarm doorboorde. Gedurende  de krijgsverrichtingen kreeg hij opdracht met zijn bataljon een aanval te doen op800px Aanval der Baliers bij Kasoemba vijandelijke bentings en daarnaast te trachten tussen de nederzettingen door het zevende batajon te bereiken, dat in dezelfde tijd de linkervleugel van de vijand omtrok.

Sorg schreef in een brief aan zijn broer: "In een bui van kogels ging het bataljon vol geestdrift voorwaarts. Ongeveer 50 passen verderop stootte ik op een ravijn, dat ik doortrok, en stond toen voor een diepe gracht, die aan de binnenkant bezoomd was met verhakkingen.

Aldaar hielden wij omstreeks twee uur stand met een goed onderhouden geweervuur, waardoor de aandacht van de vijand van het zevende bataljon weggehouden werd." Twee officieren en achttien soldaten sn800px Plan der versterkingen van Djaga Ragaeuvelden en Sorg, drie kapiteins, vier luitenants en 85 onderofficieren en manschappen werden gewond. Pas tegen de avond trok het bataljon zich uit de stelling terug. Nadat Sorg van zijn verwondingen hersteld was vertrok hij op 23 mei 1849 opnieuw naar Bali, waar toen de derde expeditie plaats vond.

Sorg kwam daar echter aan na de nachtelijke aanval op Kasoemba, waar de vijand een gevoelige nederlaag leed en generaal Michiels sneuvelde. Het dertiende bataljon dat de strijd was ingegaan met 32 officieren en 1.008 onderofficieren en manschappen telde na afloop van de gevechten nog slechts 20 officieren en nauwelijks 300 onderofficieren en soldaten. Sorg werd op 27 september 1849 bevorderd tot luitenant-kolonel bij het dertiende bataljon en bij Koninklijk Besluit van 11 december 1849 nummer 44 voor zijn betoonde moed tijdens de tweede expeditie naar Bali benoemd tot ridder in de Militaire Willemsorde derde klasse.

Expeditie naar Borneo

Aan de Westkust van Borneo, temidden van de Nederlandse bezittingen, vestigden zich Chinezen, die de grond gingen bewerken. Deze activiteiten werden, in overleg met Fort te Sambas gebouwd in 1823het Nederlandse gouvernement, toegestaan door de vorsten van Sambas en Pontianak. De enige eis die de Nederlanders stelden was dat de souvereiniteit erkend en dat bepaalde belastingen werden betaald. De Vereniging der Chinezen, die zich steeds meer tot een aparte staat ontwikkelde, weigerde op een gegeven moment gehoorzaamheid en belasting te betalen. Uiteindelijk mondde dit verzet uit in agressie en aanranding der Nederlandse bezittingen.

Op 13 augustus 1850 werd een expeditie onder supervisie van Sorg met het korvet Boreas naar het opstandige gewest gezonden. Toen de troepen na acht dagen te Sambas arriveerden was Pamangkat net gevallen onder de vijandelijke aanvallen. De 30ste augustus kwam een tweede detachement troepen op de plaats van de opstand aan en de 9de september debarkeerden al deze manschappen op de rede van Pamangkat. Samen met de tweede luitenants Donleben en Maarschalk leidde Sorg de eerste verkenningen op het woeste terrein.

Het aantal opstandelingen werd geschat op 3.500 man, waarvan 700 gewapend met tjantons (een ijzeren schietwerktuig) en de rest met klewangs, speren en lansen. De Nederlandse landingstroepen, bestaande uit 20 officieren, 438 manschappen en 200 man Maleisische hulptroepen van Sambas, werden ingedeeld in drie colonnes.

Dood van Sorg

Sorg leidde de hoofdcolonne, bestaande uit twee compagnieën en een detachement van 42 Mariniers. Na een zware mars bereikte men in de morgen van de elfde september de hoofdresidentie der Chinezen, die zich met inzet van alle kracht verdedigden. Na een zwaar gevecht vond de bestormSorg. FJing van de redoute Pamangkat plaats, waarbij Sorg door een kogel in de rechterenkel getroffen werd. Hij gaf het commando echter pas aan kapitein Bade over toen de versterking genomen was. in zijn functie van commandant der troepen werd Sorg uiteindelijk opgevolgd door luitenant-kolonel Le Bron de Vexela.

Aan boord van Zr. Ms. stoomschip Borneo vaardigde de gewonde Sorg op 13 september 1850 de volgende dagorder uit: "Officieren, soldaten en manschappen. Gij hebt heden een schoon voorbeeld gegeven van moed en volharding. Een boven verwachting hardnekkige vijand is door u overwonnen. Over hun lichamen bent u de hoofdversterking binnen gedrongen. Pamangkat is roemvol genomen. Ik betuig u mijn dank, dapperen van het leger en van de Marine. Mijn hoogste tevredenheid hebt gij heden gewonnen!"

Na de strijd werd Sorg overgebracht naar de woning van de resident te Pontianak, waar zijn  toestand verslechterde. Zijn been werd geamputeerd, waarna buikloop (dysenterie)   hem verder aantastte en hij uiteindelijk op 25 oktober 1850 overleed. Na Sorgs dood bepaalde de gouverneur-generaal dat de versterking op de heuvel Penieboegan, van waar zowel de rivier van Sambas als Pamangkat beheerst konden worden, voortaan de naam zou dragen van Fort Sorg. Sorgs lichaam werd hier ook begraven.

Nasleep

Intussen was de strijd op Borneo nog niet gestreden want al in de nacht van 8 op 9 december 1850 vond er een aanval op Fort Sorg plaats, die afgeslagen kon worden. In 1854 was een nieuwe expeditie naar het roerige Borneo nodig, ditmaal ondPontianakrivierer majoor G.M. Verspyck en in 1859, onder dezelfde commandant, werd een expeditie naar de Zuider- en Oosterafdeling van Borneo gezonden na een massale moordpartij op Europeanen aldaar.

Nabij Fort Sorg waren nog op 6 september 1869 vier graven en een gedenknaald te bezichtigen. De bezoeker kon zich afvragen: "Wie toch rusten hier van de wederwaardigheden en bittere teleurstellingen des levens?" De graven behoorden toe aan Van Winsheijm, die op 21 november 1850 gesneuveld was, en  sergeant der artillerie Knepper en kanonnier Van der Wart, die de hen toevertrouwde houwitser met hun leven verdedigd hadden. In een vierde groeve lagen de beenderen van sergeant Reeher, die verraderlijk door de vijand was vermoord.

Fort Sorg werd in later jaren gesloopt en de graven aan de natuur gelaten. Slechts een gedenknaald markeerde de plek waar Sorg ter ruste was gelegd.

Sic transit gloria mundi

Anno 1869 was de toestand als volgt: "Verdwenen zijn de rozen en bloemen die indertijd de graven versierden van het gevallen krijgshoofd en zijn dapperen. Slechts de eind 1854 vernieuwde kruisen met de namen van Van Winsheijm, Knepper en Reeher bevinden zich nog in redelijke staat."

De houten grafnaald, die in afwachting van een meer bestendig gedenkteken op het graf van Sorg was geplaatst, verkeerde in zorgelijke toestand. Het enige dat er nog restte was een ijzerhouten paal, een vermolmd stuk plank en een half vergaand schild, met daarop het jaartal 1850 en de woorden Bali en Pamangkat.  "Ziedaar wat wij Nederlanders over hebben voor de nagedachtenis van verdienstelijke mannen". Sic transit gloria mundi.


 

 

 

 

 

 

 

f t