Musch1

 


Ferdinand Otto Boudewijn Musch (Salatiga, 2 november 1905, overleden Arnhem, 31 augustus 1971) (zoon van RMWO generaal majoor Charles Clement Musch) volgde de Koninklijke Militaire Academie en werd in juli 1927 benoemd tot tweede luitenant der infanterie voor het leger in Oost-Indië. Musch 2Hij vertrok op 27 september als medebegeleider van een detachement der koloniale reserve per ms P.C. Hooft naar de Archipel, waar hij werd geplaatst bij het 16de bataljon infanterie te Meester Cornelis.

In november 1929 werd hij overgeplaatst naar de Zuider- en Oosterafdeling van Borneo en op 31 juli 1930 bevorderd tot eerste luitenant (in totaal diende hij twee jaar op Java en vier jaar in de Buitengewesten).  Op 1 april 1934 kreeg hij een verlof van acht maanden wegens een zesjarige onafgebroken dienst.

In Nederland werd hij samen met kapitein J.F. de Bruine en luitenant S.H. Spoor te werk gesteld bij de Koninklijke Militaire Academie.  In juni  1936 slaagde hij voor het toelatingsexamen voor de Hogere Krijgsschool en was daarnaast werkzaam als chef staf van de vesting Holland, standplaats Puttershoek. Hij keerde in september 1939 in de rang van kapitein vervroegd naar Indië terug.

Aldaar schreef hij een artikel in het Indisch Militair Tijdschrift over de “Steunpunten in de Pacific.”  Hij werd ingedeeld bij het hoofdkantoor van de Generale Staf in Bandoeng tot de oorlog met Japan uitbrak en bracht de oorlog in een Japans krijgsgevangenenkamp door, waar hij werkte aan de Birmaspoorlijn. Na de capitulatie had Musch als Musch4bataljonscommandant een werkzaam aandeel in de Politionele Acties. Hij vergezelde in 1947 luitenant-generaal Spoor op zijn reis naar Nederland; dat was in de rang van majoor. Toen Oost-Indonesië een deelstaat werd was hij daar chef staf en met de opstand op Celebes maakte hij een nare tijd door.  

Voor zijn activiteiten tijdens de Politionele Acties op Java werd hij, in de rang van luitenant-kolonel, bij Koninklijk Besluit van 9 december 1949 nummer 25, begiftigd met de Bronzen Leeuw. Musch was toen werkzaam als chef staf van het Nederlandse Troepencommando te Makassar. 

Op zijn verzoek werd hij te rekenen vanaf 25 juli 1950 overgeplaatst bij de Koninklijke Landmacht, bij het wapen der infanterie, bij het regiment Limburgse Jagers, in de rang van majoor.  In 1953 deed hij een cursus aan het Defence College te Parijs en werd hij bij het landmachthoofdkwartier van het centrale Europese front in Fontainebleau geplaatst.  

Een der latere functies die Musch bekleedde was die van plaatsvervangend sous-chef van de sectie operaties bij het hoofdkwartier van de geallieerde landstrijdkrachten in de centraal-Europese sector te Fontainebleau. Musch 3Met ingang van 1 juli 1957 werd hij, dan benoemd tot tijdelijk brigade-generaal, aangesteld als plaatsvervangend commandant van de vierde divisie in Harderwijk.

Bij Koninklijk Besluit van 1 maart 1958 werd Musch benoemd tot generaal-majoor en benoemd tot territoriaal bevelhebber oost (standplaatsen de Harskamp, Deventer en Apeldoorn.  In 1960 werd hij door de Nederlandse Katholieke Sportbond gekozen tot voorzitter. Niet lang hierna  (april 1962) werd Musch directeur van de Stafschool van de Bescherming Bevolking en uit de militaire dienst gepensioneerd; hij zag deze school als een dienstverlenend orgaan ten behoeve van kringcommando’s en provinciale commando’s. In deze tijd schreef hij de brochure Het wapen en de twijfel, over de gevaren van het communisme.


Bronvermelding

  • Overplaatsing bij de Koninklijke Landmacht. Limburgs Dagblad, 5 december 1950
  • Onderscheidingen. Java Bode, 10 januari 1950
  • Mutaties in het hoge leger. Functies. De Tijd, 14 maart 1957
  • Directeur stafschool BB. In: De Tijd, 4 april 1962  
  • Opzienbarende activiteiten van ex generaal BB Stafschool. In: De Waarheid, 6 juli 1963

[ Terug

f t