Marcus Spier


Vroege loopbaan

Marcus (Max) Spier (Haarlem, 4 augustus 1890 - Den Haag, 13 juli 1963) was de zoon van Nathan Spier en Naatje Paardebek. Hij studeerde medicijnen in Amsterdam en volgde een assistentschap in het N.I. Ziekenhuis in Amsterdam. Zijn bevordering tot arts volgde op 16 december 1916; kort daarop werd hij gemobiliseerd en te Baarle-Nassau geplaatst.

Spier werd hij bij Koninklijk Besluit van 13 januari 1917 bij het leger in Nederlands-Indië benoemd tot officier van gezondheid der tweede klasse. Met het schip J.P. Coen vertrok hij op 12 juli 1919 naar de Oost, waar hij  werd geplaatst bij de gewestelijke en plaatselijke geneeskundige dienst van Sumatra's Westkust te Padang.

In september 1919 werd Spier overgeplaatst naar Weltevreden en een jaar later naar Padangsidempoean. Hij opende toen ook een particuliere praktijk voor de behandeling van huidziekten en aandoeningen aan de urinewegen.  Drie jaar later keerde hij terug naar Weltevreden en vertrok niet veel later voor een  lang verlof naar Nederland. Met ingang van 13 januari 1925 werd Spier bevorderd tot officier van gezondheid der eerste klasse. De tweede februari 1926 keerde hij per stoomschip Prins der Nederlanden terug naar de Oost, waar hij te Lahat werd geplaatst.

Opmaat tot de Tweede Wereldoorlog

 Begin jaren dertig vertrok Spier opnieuw voor verlof naar Nederland, mede om een specialistische cursus in Wenen te  kunnen volgen. Op 25 januari 1933 keerde hij per Johan van Oldenbarnevelt naar Indië terug.  Aldaar werd hij eerst te Timorkoepang geplaatst  en vervolgens benMax Spier 3oemd tot eerst aangewezen officier van gezondheid te Padang, waar hij al snel tot dirigerend officier van gezondheid der tweede klasse werd bevorderd (februari 1935).  In deze tijd werd te Padang een afdeling van het Indische Rode Kruis opgericht, waarvan Spier benoemd werd tot voorzitter. Begin januari 1936 werd hij daarnaast gekozen tot lid van het bestuur van de Stichting ter Bestrijding van Tuberculose aan Sumatra's Westkust.

Met ingang van 30 november 1937 werd Spier bevorderd tot dirigerend officier van gezondheid der eerste klasse bij de Militair Geneeskundige Dienst, fungerend inspecteur aan Sumatra's Westkust. Na terugkeer van een kort verlof benoemde men hem tot hoofd van het Militair Hospitaal te Tjimahi. In mei 1939 werd aan Spier de bijzondere tevredenheid der Regering betuigd voor de loffelijke wijze waarop hij, met gelijktijdige uitoefening van zijn eigen functies, gedurende de periode van maart 1935 tot februari 1939,  zijn taak van fungerend inspecteur bij de Dienst der Volksgezondheid, fungerend residentiearts voor Sumatra's Westkust en hoofd van de groepsgemeenschapsgezondheidsafdeling in de Minangkabau had vervuld.

Tweede Wereldoorlog: de Special Party

 Met ingang van 29 april 1941 werd Spier bevorderd tot kolonel bij de Militair Geneeskundige Dienst te Malang; een paar maanden later moest de Nederlands-Indische regering capituleren voor Japan (9 maart 1942). Spier werd naar een krijgsgevangenenkaGeiten hoedenmp te Batavia getransporteerd, waar zich de Special Party bevond. Deze Special Party bestond uit de gouverneur-generaal, jhr. mr. A.W.L. Tjarda van Starkenborgh Stachouwer en zeer veel Nederlandse en Engelse opperofficieren, waaronder de commandant KNIL generaal H. ter Poorten en de latere generaal-majoor P. Scholten.

De Special Party, met daaronder dus kolonel Spier, werd tijdens de bezetting van Nederlands-Indië door Japan diverse malen naar verschillende locaties vervoerd. Begin januari 1943 was dit Formosa, waar de Party steeds in verschillende kampen ondergebracht werd. Een daarvan was kamp Karenko; de prominenten, zoals de gouverneur-generaal, waren vrijgesteld van de arbeid op een boerderij maar moesten daarentegen wel de geiten hoeden.

Spier werd meestal te werk gesteld als arts, wat geen gemakkelijke taak in de Japanse kampen was. Volgens generaal Scholten, in zijn boek Op reis met de Special Party, toonde hij meermalen karakter tegenover de Japanners. Hij weigerde bijvoorbeeld een brief mede te ondertekenen, waarin stond dat er in hetSpier latere leeftijd kamp voldoende medicijnen aanwezig waren. Later werd hij niet meer opgenomen in de medische staf van het kamp omdat de Japanners hem recalcitrant vonden. In een volgend kamp werd Spier opnieuw uit zijn medisch ambt ontslagen omdat hij jodium vroeg om een wond te steriliseren terwijl de Japanners aspirine als medicijn genoeg vonden.

Na de Tweede Wereldoorlog

De Special Party, met Spier, verbleef nog tot het einde van de oorlog in kampen te Okinawa en Moekdem te werk gesteld. Na de bevrijding keerde Spier naar Nederlands-Indië terug om zijn werk aldaar te hervatten. Hij werd bij Koninklijk Besluit van 13 september 1946 benoemd tot Officier in de Orde van Oranje-Nassau met de Zwaarden. De Amerikaanse regering begiftigde hem met een Letter of Commandation.

Na enige tijd vertrok Spier naar Australië, waar hij evacuees behandelde. Bij terugkeer in Jakarta werd hij benoemd tot waarnemend geneesheer-directeur van het Margriet-Hospitaal. Spier vroeg en kreeg op zijn verzoek in 1947 eervol ontslag uit de militaire dienst maar bleef wel, na terugkeer in Nederland, militaire keuringen verrichten. Hij overleed in 1963 op 72-jarige leeftijd.


Zie ook


 

[ Terug

 

 

 

f t