image


Vroege jaren

Henri Louis Maurer (Den Haag, 15 maart 1887 - Bandoeng, 8 maart 1942) volgde de cadettenschool en kwam met ingang van 2 oktober 1905 in aanmerking voor plaatsing aan de Koninklijke Militaire Academie in Breda, studierichting artillerie in Oost-Indië. Hij slaagde in juli 1908 voor zijn examen voor tweede luitenant  en werd, samen met tweede luitenant H. ter Poorten,  beiden bestemd voor de dieArtillerie Constructie Winkelnst in Nederlands-Indië, met ingang van 1 september aangewezen tot het volgen van een aanvullende opleidingscursus; Ter Poorten deed die bij de pyrotechnische werkplaats en Maurer volgde de opleiding bij de artillerie-constructiewinkel te Soerabaja.

Maurer keerde naar Nederland terug en op de terugreis naar Oost-Indië (op 18 december 1909) fungeerde hij als begeleider van een detachement suppletietroepen op het stoomschip Willis. In de Oost werd hij geplaatst bij de zevende compagnie artillerie (vierde bergbatterij) en in het najaar van 1910 ter beschikking gesteld van de voorzitter der commissie van proefneming te Batoe Djadjar. In september 1911 werd hij bevorderd tot eerste luitenant bij het wapen der artillerie; het jaar daarop werd Maurer overgeplaatst naar de eerste bergbatterij te Willem I en in april 1914 overgeplaatst naar de zestiende compagnie artillerie te Soerabaja en ter beschikking gesteld (in de functie van onderconstructeur) van de directeur der Artillerie Constructie Winkel.

Subalterne rangen

Maurer was ook in zijn vrije tijd zeer actief; hij nam in september 1915 deel aan de gemeenteraadsverkiezingen in Soerabaja, hoewel hij geen zetel in de raad bemachtigde. In 1917 werd de vereniging Indië Weerbaar opgericht; ook in Soerabaja, waar Maurer woonde, begon men een afdeling, waarvan hij secretaris werd. PaHenri Louis Maurers in februari 1919, dus na gedurende vijf jaar de positie van onderconstructeur te hebben bekleed, werd Maurer van deze positie bij de Artillerie Constructie Winkel ontheven, bevorderd tot kapitein en overgeplaatst naar de sectie veldartillerie (zestiende compagnie) te Malang. Eind 1921 kreeg hij een verlof naar Nederland wegens langdurige dienst in de Oost.

Maurer betoogde in 1923 in een ingezonden stuk in dagblad Het Vaderland dat het door de Bethlehem Steel Company aangeboden nieuwe berggeschut niet aan de Indische eisen voldeed. De 12de juli 1924 keerde hij met zijn echtgenote per stoomschip Goentoer naar Indië terug, waar hij op het hoofdkwartier te Bandoeng werd geplaatst. Een van zijn taken was het lidmaatschap (samen met kapitein H. ter Poorten) van de examencommmissie voor het toelatingMaurer, H.L.sexamen voor de Hogere Krijgsschool. In 1929 werd Maurer benoemd tot lid van de commissie die onderzoek deed naar de wenselijkheid en mogelijheid tot monopolisering van de vuurwerkfabricatie en in 1930 aangesteld tot lid van de commissie voor het rangschikkingsonderzoek voor de toelating tot de Koninklijke Militaire Academie.

Periode voor de Tweede Wereldoorlog

Maurer werd met ingang van 25 juli 1930 bevorderd tot majoor. In zijn vrije tijd was hij actief bij de Vrijmetselarij; april 1931 werd hij als opvolger van Wouter Cool, zoon van de Minister van Defensie Wouter Cool, benoemd tot plaatsvervangend gedeputeerd grootmeester. Daarnaast was hij in deze tijd lid van de Hogere Burgerschoolcommissie in zijn woonplaats Bandoeng. September 1932 kreeg Maurer met ingang van 12 juli 1933 een verlof van tien maanden naar Europa wegens achtjarige dienst en vertrok aldus in de zomer van 1933 met de Marnix naar Nederland.

Bij Koninklijk Besluit van 30 augustus 1933 werd Maurer benoemd tot officier in de Orde van Oranje-Nassau. Hij keerde op 4 juli 1934 per Johan de Witt naar de Oost terug, waar hij werd geplaatst bij de Artillerie-Constructiewinkel te Bandoeng en tot hoofd van die inrichting benoemd. In februari 1935 werd hij aangesteld als hoofd van de Werkplaatsen voor Draagbare Wapens en met ingang van 31 maart 1936 bevorderd tot luitenant-kolonel. Kort hierop, in augustus 1937, verkreeg hij de titulaire rang van kolonel.

Aanloop tot de Tweede Wereldoorlog

In december 1938 werd Maurer benoemd tot voorzitter van de Hoofdcommissie voor Industriële Oorlogsvoorbereiding; deze commissie was ingesteld door de Staatsmobilisatieraad. De Hoofdcommissie stelde richtlijnen vast ter voorbereiding van de taak van de Nederlands-Indische industrie in oorlogstijd. Met ingang van 20 juli 1939 werd hij effectief bevorderd tot kolonel en benoemd tot inspecteuAmbswoningr van het wapen der artillerie, tevens aangesteld als hoofd van de derde afdeling van het Departement van Oorlog en hoofd van de Gasdienst. Kort na deze benoemingen werd Maurer bevorderd tot generaal-majoor.

Na de dood, als gevolg van een vliegtuigongeluk, van generaal Berenschot,  en bij afwezigheid van generaal-majoor H. ter Poorten, chef van de generale staf, werd het commando over het Nederlands-Indische leger op 13 oktober 1941 tijdelijk opgedragen aan Maurer.  Na terugkeer zou Ter Poorten tijdelijk benoemd worden tot commandant van het KNIL, tot in deze functie definitief zou zijn voorzien. Maurer pleegde in de nacht van 7 op 8 maart 1942 zelfmoord op zijn kantoor in Bandoeng, toen hij vernam dat de capitulatie van Nederlands-Indië op handen was en hij deze schande wilde ontlopen. Zijn lichaam werd liggend op de Nederlandse vlag aangetroffen. Maurer werd op het Nederlandse Ereveld Pandu te Bandoeng begraven.

Maurer schreef voor de Militaire Spectator de volgende stukken:


[ Terug

 

f t