P1340573

 


Gedicht afkomstig uit Tussen Sawah's en Bergen (1948), geschreven door sergeant A. van Hooydonk


Tegenstelling

De wachtpost zit over zijn brengun te turen,
Hij geniet van het landschap, dat zich voor hem ontplooit,
De natuur toont zich deze avond zo prachtig,
Dat het zelfs de nuchtere totok ontdooit.
De zon is reeds achter de bergen verzonken,
Doch verlicht  nog de sawahs met een helrode gloed,
De palmen staan met hun schaduw te pronken,
Ontroerend hoe goed je dit allemaal doet. 
 
Doch plots komt een knal de stilte verstoren,
Het sein voor een aanval  is plotseling daar!
Nu laten mortieren en Vickers zich horen,
Ällround alarm”…snel maakt iedereen zich klaar. 
Men hoort roepen, schreeuwen, commando’s brullen, 
De brenschutters weren zich geducht,
Grendelen – schieten – houders vullen,
Het knetteren en klappen is niet van de lucht. 
 
Maar dan…. Is het stil, er is een ogenblik pauze,
Doch de stilte is drukkend, doet onecht aan,
Nog steeds tuurt de wachtpost over zijn brengun,
Doch….weg is het natuurschoon. Hij ziet slechts nog staan:
De palmen, maar nu als zitplaats voor een sniper,
De bosjes, maar nu als dekking voor ‘t machinegeweer,
De sawah, maar nu als een vruchtbaar schootsveld, 
’t Is alarm, ’n aanval…… de natuur is niet meer. 
 
f t