P1340565

 


 Gedicht afkomstig uit Tussen Sawah's en Bergen (1948), geschreven door majoor F.J. Scheers


Simpele ballade van een infanterist 

Tussen Telogotimoen en Telogosari,
Hangt de hitte op de sawa’s,
Tussen Telegotimon en Telogosari.
 
Waar is de voet van God die bloemen doet ontspruiten
En waar de adem van de zwetende karbouw?
De patjol glijdt zo lang niet meer door deze kluiten.
 
Maar tussen Telogotimoen en Telogosari
Ligt een goede soldaat der kompenie
Tussen Telogotimoen en Telogosari. 
 
Hij was niet al te slecht, niet al te goed,
En wellicht wel iets te oppervlakkig,
Voor hem ook niet te grote roem,  hij had geen heldenmoed. 
 
Waarom hij was gegaan, dat wist hij niet, 
Ideaal was te groot en avontuur te weinig
En hem dreef ook geen wanhoop of eindeloos verdriet. 
 
Maar iemand riep: “Een looppas tot die rand!”
En dat was Telogotimoen,
En daarom sprong hij op en liep hard naar de rand. 
 
Tussen Telogotimoen en Telogosari
Sprong hij over de gebarsten grond,
En dacht alleen aan Telogosari. 
 
Want daar had hij zijn sten nog nagekeken,
Omdat men met het wapen had gespot,
Dat het een kreng was met verdomde streken.
 
En vlak bij Telogotimoen voelde hij een schok
Er was geen pijn, maar wel wat moeheid,
Of er iemand met kracht aan zijn voeten trok.
 
En daarna kwam er een film en een bont verhaal
Van zijn vader en moeder, een school,
Een dansfuif, leugen en dronkenschap en een kerkportaal.
 
En plotseling een beklemmende angst, dat hij niet meer kon gaan,
Terwijl hij toch naar Telogotimoen moest, 
En hij hoorde wat stemmen, verweg roepend zijn naam.
 
Telkens zijn naam en telkens zachter tussen Telogotimoen en Telogosari,
Zijn naam door de hitte van de sawa’s
Tussen Telogotimoen en Telogosari. 
 
Waar is de voet van God, die bloemen doet bloeien?
Waar is de adem van het zwetend rund?
O, spoedig zal de padi weer gaan groeien,
Tussen Telogotimoen en Telogosari
 
f t