P1340579

 


De gedichten in dit artikel zijn afkomstig uit het boek: Tussen Sawahs en Bergen. Het leven van de soldaat in de Tijgerbrigade (1948)


Inleiding
De Nederlandse soldaat was in de tropen uit zijn oude en vertrouwde leven weggerukt. Hij belandde in de rauwe realiteit van patrouilles, loerende sluipmoord en leren omgaan met de diverse wapens.  P1340565Een soldaat, dienende ver van huis, leerde de bezinning kennen. Zijn gedachten en gevoelens moesten een uitweg vinden. En twee mogelijkheden waren tekenen en gedichten schrijven.
 
De soldaat werd gedwongen te denken over de diepte van geestelijke zaken. Zoals trouw, zelfverloochening, verlangen, liefde en lijden. Diep in zijn ziel voelde hij waarden, die in Nederland  geen inhoud voor hem hadden gehad. 
 
De ijdelheid van het leven drong tot hem door als hij keer op keer een trouwe makker op zijn jonge schouders naar de dodenakker droeg. Gedachten drongen zich op in de stelling, waar de donkere tropennacht hem zwijgend omhulde.
 
Maar ook tijdens patrouilles en onder de klamboe, waar de laatste brief van zijn meisje hem de slaap ontnam. Lijden betekende de bloei van de dichtkunst. De gedichten hieronder zijn geschreven door manschappen van de Tijgerbrigade. 

“Als  ik sneuvel  in deze nacht,
Dan heb je tevergeefs gewacht,
Dan moet je zonder mij verder, 
Als een schaapje zonder herder.
 
Als ik sneuvel in deze nacht,
Dan heb je tevergeefs gewacht,
Dan zal je wel met een ander trouwen,
Want van een dooie hoef je niet te houden.
 
Als ik sneuvel in deze nacht,
Dan heb je tevergeefs gewacht,
Maar waar ik ook kom, al was het in de hel, 
Voor mij blijf je steeds mijn trouwe Nel." 

“Ik sta hier maar alleen,
Maar die zijn er zo velen, 
En ik weet, daar moet ik heen, 
Wat kan die eenzaamheid dan schelen?"

“Annie, je schreef:  ik kan niet langer wachten,
Nou, dan doe ik het wel zonder jou, bij dag en nachten,
Maar bedenk dit: als nu een ander jou kust,
Wees je dan van mijn verdriet goed bewust!"

"Toen u werkelijk dood ging was ik er niet bij,
Maar ik weet het zeker, moeke,
Als ik u straks tevergeefs ga zoeken,
Dan is u pas gestorven voor mij."

"Overal om ons heen is de zee,
En dat valt lang niet altijd mee, 
En toch moet die zee ons de vrijheid weer schenken,
Over de zee heen zie ik mijn moeder al wenken."  

"Ze noemen ons tijgers, maar ik vind dat niet mooi,
Want een tijger is belust op buit en prooi,
Maar ik....."

"Mijn kind, gij moogt het weten, 
Dat uw vader u nooit zal vergeten, 
Ik blijf u en uw moeder altoos trouw, 
Veel dames zijn hier maar ik heb maar één vrouw."

"Soekarno is iemand, 
Die bang is voor niemand.
Alleen.....als de Tijgers gaan springen en sluipen,
Dan wil ie wel in een hoekje kruipen....."

"Ze hebben ons moeten prolongeren,
Want dat was de moeite nog wel waard,
En in negentien zoveel gaan we in Bronbeek logeren, 
Met lintje en stok, met snor en met baard." 

f t