Joanneke

Dit artikel is geschreven door hoofstuk 7. "Mijn diensttijd in Indonesië" (bladzijde 107-122) van de autobiografie van hoogleraar cardiologie Frits Meijler  "Mijn oorlog, mijn hart" deels te bewerken.Slechts weinig mensen met interesse in Indië-veteranen zullen een boek over het leven van een hartspecialist lezen, terwijl met name dit hoofdstuk voor hen en hun nazaten zeer interessant kan zijn.
 
Copyright van de foto hierboven: prof. dr. Joan van der Waals, net als Meijler lid van de Koninklijke Nederlandse Academie van Wetenschappen.  Van der Waals is nog in leven, Meijler overleed in 2010, drie jaar nadat hij zijn boek publiceerde. Meijlers beide ouders werden tijdens de Tweede Wereldoorlog vergast. 

Het lot was mij ook na de oorlog nog niet erg goed gezind. Toen ik in 1945 als 20-jarige in de derde klas van de HBS belandde was ik al dienstplichtig en had eigenlijk met de 7 December Divisie naar Indonesië moeten vertrekken. Maar ik kreeg uitstel om mijn eindexamen te doen. Demarcatielijn
 
Onmiddellijk daarna echter, in juli 1947, moest ik in dienst en werd geplaatst in het vijfde bataljon van het zesde regiment infanterie (5-6- RI), “De Zwarte Panter”, in de Tapijnkazerne in Maastricht. 
 
Eind januari 1948 vertrokken wij met de Nieuw Holland naar Indonesië. Ons bataljon bestond voornamelijk uit dienstplichtigen uit Oost-Brabant en Limburg. Na een week of zes varen arriveerden wij, na een korte tussenstop op Saba, in Batavia.
 
Van hier uit voeren we naar Semarang en werden daar aan land gezet. Via Pekalongan kwam ons peloton tenslotte in Kebaturan terecht, een kleine dessa, hoog in de bergen, vlak aan de demarcatielijn ten zuiden van Bandar. 
 
De demarcatielijn was een overblijfsel van de Eerste Politionele Actie in 1947 en de grens tussen het door Nederlandse militairen gecontroleerde gebied en het zuidoostelijke deel van Java, dat nog niet door ons was bevrijd. 
 

We moesten vanuit Kebaturan patrouilles lopen langs de demarcatielijn om ervoor te zorgen dat de vijand niet infiltreerde in het door Nederland gecontroleerde gebied. Hoe we met een handjevol zo’n eindeloos uitgestrekt gebied onder controle moesten zien te houden was en is voor mij nog steeds een raadsel. Een trekbom

We waren soms vijf, zes dagen onderweg en maakten lange dagmarsen met onze wapens en onze bepakking in de tropische hitte. Berg op, berg af, over paden die soms spekglad waren door de moessonregens. En dat op in Nederland vervaardigde schoenen met leren zolen, die bovendien allerlei vormen van voetschimmel veroorzaakten.

Wie zou dat indertijd hebben bedacht? Misschien onze minister van Oorlog wel. Onze noodrantsoenen bestonden uit blikken erwtensoep, hutspot en hete bliksem. Ooit hete bliksem als lunch gegeten in de brandende zon op midden-Java? Vandaag de dag zou dat een toeristische attractie zijn.

Op een gegeven moment kregen we ook nieuwe vrachtwagens, fraai oranje of lichtblauw gespoten, met veel chroom. Ze waren zelfs in het aardedonker zichtbaar en een gemakkelijke prooi voor trekbommen.

Maar op ieder leger valt veel aan te merken, de organisatie is kennelijk in handen van lieden die zelden of nooit met de rauwe werkelijkheid worden geconfronteerd.

Ons peloton stond onder commando van een luitenant die bovendien waarnemend compagniescommandant was. Toen het tijdens de Tweede Politionele Actie echt spannend werd hadden diverse compagnies geen officieren meer en werd het bevel gevoerd door onderofficieren, die kennelijk minder vatbaar waren voor venerische of tropische ziekten en heimwee.
 
Maar in Kebaturan hadden wij dus nog het twijfelachtige voorrecht gecommandeerd te worden door een echte luitenant. Hij was vlak na de oorlog opgeleid in Sandhurst (zei hij) en droeg naar goed Engels voorbeeld een smal snorretje boven zijn lip en een stokje onder zijn arm. Vier dagen achtereen patrouilles tijdens de 2e politionele actie
 
Deze man was compleet nuts en volgens mij een regelrechte psychopaat, die zijn bevel met terreur en intriges voerde. Hij was als de dood voor ratten. Er was reden te over om daar als de dood voor te zijn want het wemelde van die beesten. ’s Nachts hoorde je ze door het bamboe knagen en over de bamboe verbindingsstaven van de hut lopen.
 
De luitenant kon dan de slaap niet vatten, pakte zijn zaklantaarn en pistool en begon in het wilde weg op de ratten boven zijn hoofd te schieten. Ook heeft hij een keer per ongeluk een kogel tussen zijn kleine en vierde teen geschoten, wat een lelijke vleeswond tot gevolg had. Lachen was niet toegestaan.
 
Aan andere tropische dieren had hij eveneens een vreselijke hekel, vooral slangen vond hij griezelige beesten. Tijdens een van onze patrouilles brachten we de nacht door in een oude kazerne van het KNIL.
 
Onze luitenant begaf zich ’s ochtends vroeg naar de latrine, niet meer dan een gat in de grond, waarboven je moest hurken om je behoefte te doen.
 
Deze “voorziening” was natuurlijk niet gemaakt voor grote blanke mannen met onder- en bovenbroeken, sokken en schoenen aan. Opeens hoorden wij hem luid schreeuwend en gebaren makend met de boven- en onderbroek tussen de benen en ontbloot bovenlijf uit de latrine strompelen. 
 
Een slang, die wel op hoogst onsmakelijke wijze in zijn nachtrust was gestoord stak luid sissend zijn kop boven het gat in de grond. We hebben ons doodgelachen. Een van ons, Marie geheten (met de klemtoon op de eerste lettergreep) plaste zelfs in zijn broek van het lachen. 
 
We hebben daarna wekenlang geen kind meer gehad aan onze luitenant. Hij at uit onze hand en was zelfs bereid om tijdens patrouilles af en toe de zware Brengun  - elk van de drie troepen van ons peloton had een van die mitrailleurs - te dragen.  Omdat onze bataljonsarts wist dat ik medicijnen wilde gaan studeren werd ik later dat jaar tot gewondenverzorger uitgeroepen en overgeplaatst naar de eerste compagnie. Dit ging vergezeld van een promotie tot soldaat eerste klasse. 
 
Ik werd overgeplaatst bij de eerste compagnie maar was er te kort om de manschappen echt goed te leren kennen. Zoals sergeant J.M. Hermens van ons peloton bij de tweede compagnie. Sergeant Hermens sneuvelde op 13 maart 1949 en voor welk hoger doel eigenlijk? 1392496922
 
Niemand die vandaag nog aan hem denkt en geen samenleving die zijn nagedachtenis in ere houdt. Integendeel: Indië-veteranen zijn in Nederland door met overheidssubsidies gesteunde omroeporganisaties  zoals de NOS en de IKON voor oorlogsmisdadigers uitgemaakt.
 
In 1991 schudde onze minister van Ontwikkelingssamenwerking, Jan Pronk, in Indonesië de hand van de deserteur Poncke Princen. Hij ging er prat op Nederlandse militairen in hinderlagen gelokt te hebben
 
Enkele vrouwelijke Kamerleden van Groen Links hebben het Pronk later nagedaan en de deserteur en zich “strijder voor de mensenrechten” noemende Princen aan de borst gedrukt.  Het uiterlijk van de dames in aanmerking genomen een gepaste maar nog te lichte straf voor de boef Princen. 
 
Zoals bekend begon vlak voor Kerstmis 1948 de Tweede Politionele Actie. Ons bataljon viel de twijfelachtige eer te beurt een belangrijke voorhoedefunctie te vervullen. Vlak voor de jaarwisseling 1948-1949 trokken we “zegevierend” Solo binnen om onze menslievende taak ten uitvoer te brengen. Opmars naar Solo
 
De menslievende taak, die onze groep was toebedacht, bleek de bewaking van een nog geheel intacte, zij het niet functionerende, suikerfabriek te zijn.  
 
In die fabriek stond onder andere een gigantische stoommachine die was bedoeld alle andere werktuigen aan te drijven maar door verwaarlozing werkloos op betere tijden stond te wachten.  Ik vond dat ik ver had gereisd voor het privilege een stoommachine te mogen bewaken. 
 
Zo’n 25 jaar later, ik was inmiddels hoogleraar cardiologie in Utrecht, verscheen een patiënt op het spreekuur die mij vertelde dat hij stoomingenieur was en in het kader van ontwikkelingshulp naar Indonesië zou vertrekken om de stoommachine van een suikerfabriek weer aan de praat te krijgen.
 
Ik vroeg om welke fabriek het ging en kreeg als antwoord: “De suikerfabriek van Solo”. De man was stomverbaasd toen ik hem haarfijn kon vertellen waar het monster stond en hoe het eruit zag. Toen ik in 1997 het gebied op  Midden-Java rond Solo bezocht stond de stoommachine weer niets te doen, want de Javanen hadden er wederom niet goed op gepast. 
 

Latere werkzaamheden en schotwond

Ook al was ik bevorderd tot ziekenverpleger, ik kon als infanterist niet worden gemist. Aan mijn ene schouder droeg ik een verouderd type Lee Endfieldgeweer, aan mijn andere schouder hing een grote canvas tas met een rood kruis in een grote witte cirkel erop. Wenken

Ik weet niet precies meer wat er in die tas zat. In ieder geval ampullen morfine en injectiespuiten. Ik had geen enkele vorm van opleiding gekregen. Al mijn kennis ontleende ik aan het (vertrouwelijke) voorschrift: “Hygiënische en andere wenken voor den soldaat”.

Ik had in mijn leven ook nog nooit een injectie gegeven en ik ben er ook niet aan toegekomen, want de eerste die een morfine injectie nodig had was ikzelf.

Ons peloton liep op 4 januari 1949 in de buurt van Solo in een hinderlaag. Ik werd daarbij in mijn linkerbeen geschoten. Mijn tas met morfine werd ook aan flarden geschoten, dus daar hadden we niet veel meer aan.

Dankzij mijn vrienden, korporaal Piet Balmakers en soldaat Cor Scheepers kan ik het verhaal navertellen. Zij hebben mij met gevaar voor eigen leven uit de puree gehaald.

Dat ik die dag van ons peloton het enige slachtoffer was is te danken aan het doortastende optreden van onze pelotonscommandant, de zeer capabele luitenant D.B. Kagenaar.

Onderscheidingen en terugkeer naar Nederland

Kagenaar heeft geprobeerd voor Balmakers en Scheepers een onderscheiding los te peuteren of ten minste een eervolle vermelding. Maar hij kon zich niet door de onwillige papierwinkel naar boven worstelen. Aan boord van de Grote Beer

Onze legerleiding had in die tijd geen boodschap aan militairen met een lage rang. Gelukkig heeft prins Bernhard nog iets goed kunnen maken. Hij heeft hen later per oorkonde voor hun moedige optreden bedankt.

De Japanse kogel, die op 25 januari 1949 in het St. Elizabeth ziekenhuis te Semarang door de legendarische chirurg dr. J.K.W. Neuberger uit mijn linkerbeen werd verwijderd, betekende het einde van mijn militaire loopbaan.

Medio april werd ik ingescheept op het troepenschip De Grote Beer (een Libertyschip uit de Tweede Wereldoorlog).

Ons bataljon verloor veertig mensen, 5 procent van de 800 militairen die Nederland eind januari 1948 verlieten. Geen van hen werd ouder dan 25 jaar.

Mijn vrouw en ik zijn in maart 1997, samen met Anton P. de Graaff en zijn echtgenote, nog een keer teruggeweest in het gebied waar ik mijn avonturen had beleefd. Ik kan zweren dat we de maanden dat ons peloton daar is geweest in de grootste harmonie met de lokale bevolking hebben verkeerd. Ze waren blij met ons want wij brachten er werk en geld.

Eerbetoon aan de gesneuvelden

In totaal hebben wij tussen 1945 en 1952 meer dan 6.000 gesneuvelde en door ziekten en ongevallen gestorven militairen in Indonesië achtergelaten. Zij zijn, om met Anton P. de Graaff te spreken, “de tol van het vergeten leger”. Graven van gevallen Nederlandse jongens

In tegenstelling tot bijvoorbeeld de Verenigde Staten, Engeland en Frankrijk keurt Nederland zijn militaire doden nauwelijks een blik waardig. Geen van de ouders of echtgenotes van de gesneuvelde militairen werd in de gelegenheid gesteld het graf van hun zoon of man in Indonesië te bezoeken.  
 
En het zou bijna vijftig jaar duren voor de overheid iets voor de Indië-veteranen deed. De toenmalige minister van Defensie, A.I. ter Beek, die nog in korte broek liep toen wij door de sawa’s ploeterden, stelde in 1990 het Comité Draaginsigne voor Gewonden (CODiG) in. 
 
Ik voelde mij bevoorrecht dat ik lid mocht worden van het CODiG, dat onder voorzitterschap van de oud-staatssecretaris en Indië-veteraan drs. D. van der Mei moest beoordelen wie voor dit insigne in aanmerking kwam. En zo heb ik misschien nog iets voor mijn vroegere strijdmakkers kunnen betekenen. 
 
Op grond van het aantal gesneuvelden konden we het aantal in 1990 nog levende vroegere gewonden schatten op 5.000-7.500. Uiteindelijk hebben zich bijna 4.000 mensen voor het insigne aangemeld. Het werd in ruim 3.000 gevallen toegewezen. Maar het insigne, met speld en oorkonde weliswaar, was een aalmoes vergeleken met de offers die deze generatie voor ons land heeft moeten brengen. 
 
 
Op een gegeven moment waren we met 120.000 militairen in Indonesië. Diegenen die het hebben overleefd zijn voor het leven getekend. Tot en met 2004 trokken in Nederland tijdens de veteranenparades op 5 mei in Wageningen de steeds ouder wordende overlevenden in rolstoelen of lopend met wandelstok aan Prins Bernhard en de televisiecamera’s voorbij.  Broertjes3
 
Als ze geluk hadden konden ze hun oude vaandels nog dragen. Wat je zag was alleen de buitenkant. En wel hun trouw aan de prins en het verleden, maar het verdriet over hun gevallen kameraden zat van binnen. Voor de Indië-veteranen komt daar nog het verdriet over het gebrek aan erkenning bij, mede veroorzaakt doordat de integriteit van de Nederlandse soldaten in Indonesië in twijfel is getrokken.
 
Bijvoorbeeld door journalist Geert Mak en de historicus L. de Jong. Zo beweerde Mak in een aantal opeenvolgende edities van zijn boek “De eeuw van mijn vader”  dat vroegere SS’ers deel uitmaakten van de Nederlandse troepen in Indonesië.
 
Later heeft hij erkend dat hij onjuiste informatie had verstrekt, maar het kwaad was al geschied. Bij die erkenning maakte hij ook weer een fout door de naam van Peter Romijn als “Romein” te schrijven. Hoe slordig en onzorgvuldig mag je zijn als auteur en hoeveel fouten staan er in zijn andere boeken. P1030999 2
 
Deze en andere publicaties scheppen het beeld als zouden Nederlandse militairen zich in Indonesië ernstig hebben misdragen. De media dragen dergelijke opvattingen nog steeds gretig uit. Ook over onze huidige militairen en de politiek wordt daar weer door gevoed. 
 
De ene onderzoekscommissie is nog niet klaar of de volgende, na het zoveelste artikel in de Volkskrant, wordt ingesteld. Denkt men nu werkelijk dat de Nederlandse militair uit beter hout gesneden is dan de gemiddelde Nederlander?
 
En wat zou er met overste Karremans zijn gebeurd als er honderd jongens in Srebrenica waren gesneuveld. Heeft ooit een journalist of Tweede Kamerlid een dergelijke verantwoordelijkheid moeten dragen?  Men kan, met mij, ons naoorlogse militaire Indië-avontuur betreuren, maar het is onrechtvaardig de betrokken militairen daarop aan te spreken.
 
Inderdaad waren er jongens in het leger die je zou kunnen vergelijken met voetbalhooligans van vandaag, hoewel hun veelbesproken “wandaden” het hedendaagse zinloze straat- en voetbalgeweld in Nederland bepaald niet te boven gingen. Maar daar heeft men kennelijk minder moeite mee.
 
Het

 overgrote deel van de soldaten was echter dienstplichtig, zoals ik. 

Fatsoenlijke jongens, van wie velen bovendien twijfelden aan de zin van hun ondankbare en nutteloos gebleken missie. In het voorjaar van 1949 keerde ik terug naar Nederland. Ik kreeg een tientje en een nieuw kostuum en dat was het dan. Soldaat eerste klasse Meijler werd bedankt.


 

f t