Kaart van Pedir
 

De Pedir-expeditie (Selimoen) was een strafexpeditie van het Koninklijk Nederlandsch-Indisch Leger naar Pedir (Atjeh) in 1897 en 1898, gedurende de periode van offensief optreden onder leiding van Van Heutsz. .


Generaal van der Heijden was er al van overtuigd dat, wilde men geheel Atjeh voorgoed onderwerpen, Pedir moest worden aangepakt. Pedir was de plaats waar vijandelijke elementen altijd het verzet aanspoorden en waar alle strijders voor de Heilige Oorlog bijeen kwamen, inclusief in een eerdere periode Toekoe Oemar. Groep officieren in Pedir
 
De Pretendent Sultan te Kemala, gesteund door de geestelijke hoofden en priesters, de zogenaamde oelama's, verenigden de meeste oeloebalangs om zich heen. Zelfs Panglima Polèm II, verdreven uit zijn gebied in de XXII Moekims, sloot zich bij hem aan.
 
Op de 12de april 1897 kwam een groot aantal voorname Toekoe's, oude vijanden van het Nederlandse gouvernement uit Groot Atjeh, namelijk Toekoe Oemar, Panglima Polèm II en Toekoe Tjoet Toengkoeb, bijeen.
 
Daarnaast waren ook vele anderen uit Pedir en Gigien aanwezig om in de handen van de pretendent-sultan de eed van trouw af te leggen. Hierin werd beloofd krachtig mee te helpen in de oorlog.
 
Pedir zelf bestond uit een streek aan de noordoostkust van Atjeh, bestaande uit een brede vallei, 40 kilometer diep en in het midden 40 kilometer breed. Zij was ten westen begrensd door een ongeveer 400 meter hoge heuvelrug, die haar van de Atjeh-rivier scheidde en ten oosten door heuvels van 300 meter hoogte, die de waterscheiding vormden met het stroomgebied van de rivier van Ajer Leboe.
 
Dwars door deze vallei liep een grote rivier met weinig tot geen bochten, de Kroeng Pedir. Een van de doelen van de Pedir-expeditie was een verbinding te maken van Selimoen langs Reung-Reung en van daar over de grensscheiding naar Pedir en Segli (40 kilometer) om de Atjeh Tram tot die post bij het strand door te kunnen trekken.
 
Het kampement van Selimoen werd op 25 oktober 1897 betrokken door twee compagnieën van het 12de bataljon uit Kota Radja, een compagnie van het zevende bataljon van Gliëng, een sectie artillerie, een ambulance en een peloton der genie. Gezicht op het kampement met de brug over de Selimoenrivier
 
Men bezette een heuvelreeks nabij de Atjese kampong Selimoen. Bij de expeditie werd van twee kanten opgerukt; niet alleen van Segli aan de oostkust, maar ook van Kota Radja uit in oostelijke richting.
 
De troepen konden door het grootste gedeelte van de Atjeh-vallei worden vervoerd met de Atjeh Tram.
 
Voor de aanleg was in mei 1897 toestemming verleend aan de gouverneur van Atjeh van Heutsz, zodat de operaties in de XXII Moekims met kracht konden worden voortgezet.
 
De gezondheidstoestand, intussen, liet aan het begin van de expeditie veel te wensen over: kapitein P.A.J. Veerman overleed aan malaria, drie Europese soldaten stierven binnen 24 uur aan kwaadaardige koortsen en zes man van de cavalerie moesten ten gevolge van ziekte geëvacueerd worden.
 
De 24ste december 1897 gingen twee compagnieën van het negende bataljon te Indrapoeri op mars naar Selimoen. keuken selimoenDe dag daarop was het de beurt aan zes compagnieën, waarbij eenderde van het zevende en gedeelten van het twaalfde (onder overste Moorrees). 
 
Commandant was overste Krull, die aldus ongeveer 800 man onder zijn bevelen had. Het doel van de tocht was de Mesigit Goenoeng Biram, waar zich vijandelijke benden hadden verzameld.
 
Toen men de versterkte Mesigit naderde werd het vuur van de vijand door een paar granaten tot zwijgen gebracht, vluchtte de vijand en namen de troepen de Mesigit in.
 
De volgende dag werd de mars naar Reung-Reung voortgezet. Toen de spits der colonne het einddoel bereikt had vond men de bevolking rustig aan de veldarbeid. De hoofden kwamen eerbiedig hun opwachting maken, waardoor de 27ste de terugmars naar Selimoen kon worden aanvaard.
 
Een maand later werd een tweede grote tocht van Selimoen af ondernomen. Waarnemend controleur, luitenant Vis, had vernomen dat Toekoe Oemar van Daja aan de westkust, zou optrekken.
 
Dat was  naar de XXII Moekims, met het plan zich te verenigen met Panglima Polèm II en de pretendent-sultan, die uit de VII Moekims Pedir naar Djantoi zouden gaan. Bivak van artillerie en cavalerie
 
Alweer onder leiding van overste Krull rukten op 20 januari 1898 colonnes van Selimoen uit. De eerste werd aangevoerd door overste Moorrees en bestond uit twee compagnieën, een van het 7de en een van het 12de, die het garnizoen van Selimoen vormden, een peloton cavalerie en 6 brigades marechaussees. 
 
De tweede, aangevoerd door majoor de Jong, was opgebouwd uit het 6de bataljon, een compagnie van het 3e Bataljon Infanterie, de cavalerie en een sectie bergartillerie. Men marcheerde in zuidelijke richting naar Djantoi zonder veel tegenstand van de vijan te ondervinden.
 
Van hier trokken de troepen naar Reung Reung, waar men de muren van Mesigit Biram, waar zich Atjehers hadden genesteld, met dynamiet lieten springen, waarna de manschappen weer naar Selimoen terugkeerden. Brug van klapperstammen over de Selimoenrivier Het doel was in zo verre mislukt dat Toekoe Oemar er toch nog in geslaagd was naar Pantja en van daar naar het Pedirse door te dringen.
 
Op grote afstand had men zijn benden zien aftrekken, een gedeelte in de richting van de VII Moekims Pedir en gedeeltelijk in die van Kemala. Een colonne, die op 27 januari andermaal uitrukte, kon alleen constateren dat Oemar zelf naar Padang Tidji, in de VII Moekims was ontkomen.
 
Na deze verschillende tochten waren de voornaamste hoofden van het verzet uit de XXII Moekims en de gehele Atjeh-vallei verdreven naar Pedir. Hierna zouden zij ook daaruit verdreven worden of gedwongen tot onderwerping.
 
In de laatste dagen van juni 1898 deed een colonne, onder de persoonlijke leiding van kolonel van Heutsz, bestaande uit het derde en het veertiende bataljon infanterie, de marechaussees en daarnaast afdelingen van andere wapens in het landschap Endjoeng (federatie van Gigien) een aanval op de vijand. Overste Van Heutsz te Selimoen
 
Deze bood daar feitelijk voor de eerste keer sinds het begin van de Pedir-expeditie krachtig tegenstand. Bij de gevechten op 28 juni verloren de Nederlandse troepen vijf doden en elf gewonden; onder de gesneuvelden bevond zich eerste luitenant der infanterie van het 3e Bataljon Infanterie Johannes Goldenberg.
 
De vijand had zich verder versterkt te Garoet, dat zonder verlies genomen werd, waarna langs de Pedir-rivier werd voortgerukt. In het gebied van Toekoe Bintara Kemanga wist men twee bentings te veroveren. De beide colonnes wenden zich nu, langs verschillende wegen, naar Kamala, de residentie van de pretendent-sultan.
 
Hier werd door de vijand niet stand gehouden; evenmin te Sangget Menoe, dat 29 juni genomen werd. De tegenstand was zeer meegevallen. Aan Oemar was het steeds gelukt te ontkomen; maar overigens had de expeditie volkomen aan het doel beantwoord en keerde Van Heutsz terug naar Kota Radja. 

f t