Kuststrook van Edi

De Edi-expeditie was een expeditie in 1890 naar Edi, een staatje aan de oostkust van Atjeh, tijdens de Atjeh-oorlog
 

Al eeuwenlang was de pepercultuur de voornaamste bron van inkomsten geweest voor de verschillende staatjes aan de oostkust van Atjeh. Aan het hoofd van iedere peperontginning (seneboeh genaamd) stond een petoea (hoofd), uit hetzelfde landschap afkomstig als de werklieden, die de vorst van het gebied, waarin de peperwinning plaats vond, van belastinggelden voorzag. Edi Tjoet
 
De vorst zelf oefende geen of weinig gezag uit over de bevolking, die alleen naar de pepertuinen kwam als de peperteelt dat vereiste en daarna weer naar de eigen woonplaatsen terugkeerde. 
 
Als er ongeregeldheden uitbraken dan stond de vorst bovendien machteloos omdat er dan een enorme toestroom kwam van landslieden die zich achter de opstandelingen schaarden.
 
Hierdoor werd de bevolking in staat gesteld om zich met kracht te doen gelden. Daarnaast maakten de vorsten zich schuldig aan hebzucht en knevelarijen en knoeiden zij in de peperhandel. In 1889 en 1890 braken daardoor ernstige onlusten uit.
 
Verder waren verscheidene staatjes aan de noord- -en oostkust van Atjeh broeinesten van fanatisme. De priesters, wiens bestaan verzekerd werd door uit godsdienstige overwegingen tot verzet aan te sporen, sponnen garen bij de onstabiele situatie. En die was een machtig hulpmiddel voor het bereiken van hun oogmerk. Zij begon dan ook de Heilige Oorlog te prediken. Gaade JJA. 1ste luitenant. Geboren 20 maart 1864 gesneuveld 8 mei 1889 nabij Edi
 
Een belangrijk hoofd, Toekoe Tibang, vorst van Djingki, trachtte eveneens uit de onrust munt te slaan. Mede door zijn toedoen nam het verzet een steeds ernstiger karakter aan. De steun, die hij als vermogend en invloedrijk hoofd verleende aan de oorlogspartij, leidde tot de mening dat een omverwerping van het Nederlandse gezag als zeker was te beschouwen.
 
De benden, die uit het noordwesten optrokken, waren samengesteld uit lieden van Oleh Gadjah, Bagoh, Edi Tjoet, de verschillende staatjes der Paseistreek, alsmede enkele troepen uit Djolok en Simpang Olim. Zij werden aangevoerd door Tengkoe Yoesoef en enige mindere hoofden van Oleh Gadjah, zoals de panglima's Prang Adam, Balei en Lemboeh. En verder door Toekoe Tjoet Lambah van Edi Tjoet, Panglima Prang Lambaroe van Simpang Olim en enige aanvoerders van mindere rang uit Djolok, Pasei, Gedong,afkomstig. 
 
Bij de eerste gevechten tussen Nederlandse troepen en deze benden sneuvelde onder meer eerste luitenant J.J.A. Gaade. Het hoofd van Bagoh, Toekoe Bintara Moeda, schoonzoon van Tengkoe Yoesoef, en over deze het gezag voerend, koos de kant van het Nederlandse gouvernement en bevond zich in het hoofdkwartier.
 
In het algemeen kon gezegd worden dat niet alleen godsdienstige maar zeker ook wereldse belangen tot het verzet hadden geleid. De onderdrukking van de kleine man, en de daardoor in het leven geroepen ontevredenheid, vormde de brandstof, die door enkele hoofden met de fakkel van het fanatisme in lichter laaie werd gezet. 
 
Al vanaf begin 1889 kwamen bij het civiel bestuur in Edi berichten binnen dat lieden uit Perlak het voornemen hadden om ongeregeldheden voor te bereiden. Een maand later werd bevestigd dat een bende van ongeveer 50 man zich daar verzameld had. Spoedig daarna onderschepte men brieven met de uitnodiging deel te nemen aan de heilige oorlog tegen ongelovigen, terwijl Habib Mohamad van Pedawa Besar en Toekoe Tjihik met wraak werden bedreigd als zij voortgingen de kant van het Nederlands gouvernement te kiezen.  Schetskaart kuststrook Edi Tjoet
 
In de nacht van 15 op 16 maart vond de eerste beschieting van de Nederlandse versterking plaats. De 22ste maart werd Pedawa Besar aangevallen om Habib Mohamad voor zijn trouw aan het Nederlandse gouvernement te straffen. Op 22 maart en op 4 april zag men kleine gevechten in de buurt van de gedei van Pedawa Besar, waarin Habib Mohamad overwinnaar bleef.
 
De benden vermeerderden zich en nestelden zich te Seueboeh Koejoen en op Boekit Mata Ajer en waren hiermee de Nederlandse versterking tot op nog geen uur afstand genaderd. Intussen had de civiel- en militair gouverneur van Atjeh en Onderhorigheden, Van Teijn, aan de commandant der verenigde zeemacht, aan de noordkust van Atjeh, eind februari, een verzoek gedaan. 
 
Die was om Zr..Ms. Prins Hendrik voor Edi te doen kruisen of aldaar te stationeren, om indruk te maken, de hoofden vertrouwen in te boezemen en om de daarop aanwezige 130 man sterke marine landingsdivisie desgewenst voor excursies ter beschikking te kunnen stellen van de marinecommandant in Edi.
 
Al dadelijk na de aankomst van de Prins Hendrik aan de rede kreeg de militaire commandant, kapitein der infanterie Van Bijlevelt, van de commandant van genoemd oorlogsschip vergunning om de landingsdivisie gelijktijdig met het garnizoen in het gevecht te oefenen en daardoor meer geschikt te maken voor de taak die haar wachten zou.
 
In de nacht van 28 op 29 april zond de radja van Edi aan de controleur bericht dat fanatiekelingen voorwaarts rukten en begonnen waren met versterkingen in de nabijheid van Pedawa Pontong aan te leggen. De 29ste april trok een troepenmacht onder leiding van Van Bijlevelt in deze richting. Nabij de grote brug te Pedawa Pontong opende de vijand het vuur.
 
De manschappen stormden nu tegen de versterking op de Niboengheuvel op om de rechterflank van de vijand aan te tasten. ZM ramtorenschip Prins Hendrik der Nederlanden
 
Om 10 uur vond dit gevecht  plaats. Hierna werd besloten de versterking op de Toealang te nemen, waarin men slaagde. In totaal waren 1 officier en 10 minderen gewond geraakt. Op 14 mei kwam het bericht binnen dat een woonhuis met de daaraan grenzende versterking van de poedawa Pontong door goedgezinden was verlaten en in bezit was genomen door kwaadwillenden.
 
Luitenant-kolonel Hardeman rukte hierop de volgende dag uit maar kreeg te Pedawa Pontong zo'n hevig vuur dat 3 fuseliers sneuvelden en 3 officieren (kapitein van Bijlevelt, eerste luitenant F.J. Oudendal en tweede luitenant A.J.P. Kessler), 11 schepelingen van de Prins Hendrik en 7 fuseliers gewond raakten. De colonnecommandant gaf het bevel het gevecht af te breken en op de Nederlandse vestiging terug te trekken.
 
De volgende dag werd hierop nog een compagnie infanterie, onder majoor S. de la Parra, naar Edi gedirigeerd. De 23ste mei nam de artillerie stelling bij Tanah Anoh en beschoot zij van daar de vijandelijke posities. De 28ste mei hoorde men op de linkeroever van de Edi-rivier een hevig geweervuur en bleek dat vijandelijke benden de door de Edinezen bezette versterking overmeesterd hadden.
 
In de loop van de 29ste steeg het aantal vijanden dat de Nederlandse troepen aan de westzijde bestookten tot ongeveer 600 man. De eerste ste juni debarkeerde de zogenaamde Java-colonne onder leiding van Van Teijn en begon men met grootscheepse verkenningen om toekomstige troepenbewegingen voor te bereiden.
 
In de morgen van de 5de juni werd bericht ontvangen dat de vijand zich genesteld had op de Boekit Plawi en viel het besluit hem uit deze nieuwe positie te verdrijven. Nadat de artillerie om kwart voor 11 het vuur geopend had rukten de troepen een kwartier later onder leiding van majoor De la Parra ten aanval op. Om 12 uur was de positie heroverd; waarbij 8 gewonden, waaronder 1 ernstig, vielen.
 
Het algemene operatieplan van Van Teijn beoogde om, zodra de Java-colonne was aangekomen, met de verenigde troepenmacht de vijandelijke stellingen aan te vallen op de linkerzijde van de Edi-rivier en de vijand uit Edi Besar te verdrijven. Teijn HKF van
 
Daarna diende de Java-colonne een tocht te ondernemen over Edi Tjoet en Bagoh naar Oleh Gadjah tot tuchtiging van die plaats en de gedei van Bagoh. Vervolgens, wanneer de rust in de staatjes ten westen van Edi hersteld was, met de gehele troepenmacht de vijand te verdrijven uit zijn stellingen in het Pedawa Pontongse en verder zuidwaarts uit zijn geduchte positie op de Boekit Mata Ajer.
 
De elfde juni, toen alle troepen te Edi verenigd waren, werd tot de uitvoering van genoemd plan overgegaan en Boekit Atoen bestormd. Een bataljon raakte slaags bij kampong Toekoe Itan en bestormde de versterking.. Hierbij vielen 12 gewonden. SwartHNA
 
Een tweede bestorming van een vijandelijke sterkte leverde veertien gewonden (13 minderen en de eerste luitenant adjudant G.J.H. Bruijnis) op. Bij de verovering van de versterking op de Boekit Roembia, onder leiding van commandant H.N.A.Swart, werden tweede luitenant Swart en een fuselier gewond door kogels.
 
Nu overmeesterden de manschappen een versterking die door Atjehers bezet was. Een van de aanvoerders was luitenant ter zee tweede klasse Van der Hegge Spies.. Hij kwam in handgemeen met een Atjeher en ontving een klewanghouw over zijn hoofd. Zwaar bloedend, maar aan het hoofd van de troepen, bereikte hij als een der eersten de binnenruimte van de versterking.
 
De cavalerie kreeg nu last het heuvelterrein in westelijke richting te verkennen, waarbij enige verlaten versterkingen en loopgraven werden gevonden. Op weg naar Boekit Meh kwam men onder geweervuur. Een toegesnelde colonne infanterie zag de vijand niet meer en trok verder in westelijke richting maar er werd geen tegenstand meer ondervonden.
 
Een bevolkingspatrouille van bevriende Edinezen, door de radja uitgezonden, kwam melden dat de muiters Edi Besar verlaten hadden, dat wellicht nog een klein aantal de versterkingen bezet hield op de grenzen van het naburige Edi Tjoet, maar dat de overigen waarschijnlijk naar hun woonplaatsen waren teruggekeerd.
 
Deze tocht, onder leiding van majoor Halewijn, was bedoeld om Oleh Gadjah en zijn hoofd, Tengkoe Yoesoef, zo veel mogelijk te straffen. Rost van Tonningen Assistent-resident Van Assem ontving bericht dat de gehele bevolking van Bagoh, en ook tal van personen uit andere streken, te Oleh Gadjah samengeschoold waren. 
 
Ook Bintara, hoeloebalang van Djolok Besar, zou zich met 200 gewapende volgelingen naar Oeleh Gadjah hebben begeven. Geruchten deden de ronde dat op de gedei te Bagoh twee- tot driehonderd Paseiers zich verzameld zouden hebben met het voornemen om de opmars van de troepen te bemoeilijken. Vanuit Edi Besar werd nu een aantal verkenningen uitgevoerd om achter de vijandelijke positie in het Pedawa Pontongse te komen.
 
De chef van de expeditionaire artillerie, kapitein M.B. Rost van Tonningen, nam deel aan deze verkenningen, waarop 2 stukken van 12 cm. werden ingeschoten op de vijandelijke stellingen ten zuiden van de Nederlandse vestiging.
 
Gedurende de tocht namen de troepen erschillende versterkingen. Helaas brak tijdens die veldtocht cholera uit, die aan acht militairen het leven kostte.
 
De 20ste juni 1890 liet de bevelhebber aan de commandant van H.M. Benkoelen en Sindoro verzoeken om naar koeala Pedawa Pontong te stomen en de 21ste 's morgens vroeg de vijandelijke stelling te Pedawa Pontong onder vuur te nemen. Benteng edi
 
Toen de troepen te Goenoeng Poetoes aankwamen vonden zij de op de heuvel aangelegde versterkingen onbezet. De vijand had zich echter genesteld in zijn versterking te Boekit Toealang en opende van daar een hevig vuur op de colonne.
 
De Europese sergeant Oldendorp werd bij deze gelegenheid gewond. Andere vijandelijke stellingen werden bij het naderen van de Nederlandse troepen verlaten; alleen te Pedawa Pntong was een geduchte versterking opgeworpen.
 
De storm van de troepen, voorafgegaan door beschieting van de artillerie, deed de vijand wijken. Hierna werd van hem geen spoor meer ontdekt. De mannelijke bevolking, met vrouwen en kinderen in de kampongs teruggekeerd, was weer aan de dagelijkse arbeid getogen en gaf blijk van een vredelievende gezindheid.
 
Terwijl Edi Besar aldus tot een staat van rust was teruggekeerd werd een nieuwe tocht naar Oleh Gadjah voorbereid om de hoofdaanlegger van het verzet van de staatjes ten westen van Edi, Tengkoe Yoesoef, nogmaals te straffen.
 
Op 30 juni vond het embarkement van de troepen plaats en ging men over zee naar de te tuchtigen plaatsen, die men via de rivier in kleine tonkangs bereikte. Verschillende versterkingen werden genomen. De vijand vluchtte direct bij de nadering van de Nederlandse troepen. Scheib overleden
 
Men maakte zich meester van de woning van Tengkoe Yoesoef en nam enige correspondentie en wapens in beslag, Vervolgens werd de woning aan de vlammen prijsgegeven. Met de tuchtiging van Oleh Gadjah was de Edi-expeditie van 1890 vrijwel ten einde.
 
Met het doel Djinki te straffen werd bepaald dat voorlopig alle vaartuigen, die zich binnen het zeegebied van die landstreek vertoonden en geen pas hadden van het bestuur of zich niet op force majeure konden beroepen, met bemanning en lading moesten worden opgebracht.
 
Deze bepaling gold ook voor Perlak om het te straffen voor de dubbelzinnige houding tijdens de onlusten. Na terugkeer van de colonne Halewijn maakte deze nog een mars naar Edi Tjoet, waar de bevolking weer rustig aan de arbeid gevonden werd.
 
Op grond van de verbeterde gang van zaken had de Civiel -en Militair Gouverneur van Atjeh en Onderhorigheden al de eerste juli aan het legerbestuur per telegram de machtiging gevraagd tot terugzending van de expeditionaire colonne naar Java.  Alleen kapitein Scheib bleef achter met een detachement troepen om de rust verder te bewaren.
 
Scheib zou later, tijdens de Lombok-expeditie, sneuvelen. 

f t