Peloton Hollandse cavalerie
 

De Atjeh-oorlog, de voortzetting van de afwachtende politiek, was een tijdperk (1883-1892) in de Atjehoorlog waarin men de geconcentreerde linie invoerde en de politiek van de afwachtende houding continueerde.
 
 
Het leger was indertijd slecht te spreken geweest over de civiele gouverneur Pruijs van der Hoeven, in wie men een tegenstander van de militair zag en die men niet graag het bestuur in Atjeh had zien aanvaardenLaging Tobias PFToch was het minder aan de persoon dan aan de politieke misgreep te wijten geweest dat de zo treurige toestand geboren werd, nadat generaal Van der Heijden de oorlog al zo goed als beëindigd had
 
Pruijs van der Hoeven werd opgevolgd door F.P. Laging Tobias, een man die de soldaat een goed hart toedroeg en niet geloofde aan de algemene erkenning van het Nederlands gezag door hoofden en bevolking van Atjeh. F. s Jacob
 
Het beleid van zijn voorganger had letterlijk niets bereikt, zoals nu ook door de Nederlandse regering erkend werd. Men overwoog nu de Nederlandse stelling in Atjeh in te krimpen. Gouverneur-generaal s'Jacob begaf zich in 1883 naar Atjeh om deze aangelegenheid te bespreken, maar men kon niet tot een overeenstemming komen. 
 
Uiteindelijk werd besloten tot (vooralsnog) handhaving van het status quo aldaar. Nog altijd werd de toenaderingspolitiek gevolgd. Te Kota Radja reikte de landvoogd aan verschillende Atjehnese hoofden eretekens en geschenken uit,, als blijken van welwillendheid en hoge tevredenheid.
 
Desalniettemin woedde de guerrillaoorlog voort. Na een inval van Nja Hassan hielden deze aanvoerder en Toekoe Oemar het grootste gedeelte van de IV en VI Moekims bezet. Een bataljon moest naar Atjeh gezonden worden om de benden te verdrijven. Ook in de XXII Moekims werd in juni 1883 gevochten.
 
Een versterking te Mampreh diende stormenderhand te worden genomen. Nadat hevige gevechten geleverd waren werd de 21ste maart 1884 bij Glé Kambing door zeven colonnes geopereerd.  In totaal dertien sterke stellingen bestormde en veroverde men. De troepen leden hierbij een verlies van 9 doden en 43 gewonden. De benoemde "vredestoestand" was aldus een merkwaardige.  Overal dreigde gevaar en de tegenstander voerde de kleine oorlog met overleg en volharding.
 
Op de 8ste november 1883 was het Engelse stoomschip Nisero bij Panga aan de westkust van Atjeh gestrand en de radja van Tenom, Toekoe Iman Moeda, nam de bemanning gevangen. Te vergeefs deed assistent-resident Van Langen pogingen om de bevrijding van de gegijzelden te bewerkstelligen. Bemanning van de Nisero als gevangenen van Tenom
 
Engeland ging zich met deze aangelegenheid bemoeien en de Nisero-kwestie dreigde zodoende tot grote internationale moeilijkheden te leiden. Kolonel Demmeni, die kolonel Schäfer opgevolgd had, plaatste zich aan het hoofd van een expeditie naar Tenom om de radja te straffen.
 
Kapitein Leyssius en zijn troepen lukte het, na hevige tegenstand, de versterkte marktplaats te veroveren. Toch zou het nog tot de 10de september duren voordat de schipbreukelingen door de radja van Tenom tegen betaling uitgeleverd werden en deze zich weer onderwierp aan het Nederlandse gezag.
 
Gouverneur-generaal s'Jacob was inmiddels afgetreden en zijn opvolger, Otto van Rees, deed op zijn reis naar Batavia in de maand maart 1884 Atjeh aan, zonder dat nog tot verandering van de toestand besloten werd. De nieuwe landvoogd bepaalde zich tot een proclamatie aan vorsten, rijksgroten en bevolking, waarin verklaard werd dat de aanvallers er nooit in zouden slagen de Nederlanders een stap terug te drijven.
 
Desalniettemin was al in het moederland tot het stelsel van concentratie besloten. Laging Tobias kon zich hier niet mee verenigen.  Hij erkende zonder voorbehoud dat de invoering van het civiel bestuur te Atjeh en Onderhorigheden een misslag was geweest en stelde de Indische regering voor weer tot de vorige toestand terug te keren. Lambaroe postje
 
Laging Tobias werd op 19 augustus 1884 eervol ontslagen en als civiel en militair gouverneur opgevolgd door Demmeni, die de 13de september 1884 aantrad. Met de civiele gouverneur verdwenen ook de assistent-resident en de controleur van het toneel.
 
De reorganisatie van het bestuur werd voortgezet door de sluiting van de Atjehse havens voor alle in- en uitvoer. Tot de concentratie van de Nederlandse stelling, hoofdzakelijk ter bezuiniging, werd nu zonder meer overgegaan.
 
Dat was echter wel op een manier die geen verkeerde indruk zou maken op de oorlogspartij en de goedgezinden niet aan hun lot overliet. Het doel was een aaneengeschakelde postenketen te vormen, waarbinnen zowel de bezetting als de inwonende bevolking veilig zou zijn.
 
Die postenketen, in aansluiting met de kuststrook Oeleh Leh - Kota Pohama bevatte de volgende posten en wachthuizen:
 
  • Lamtih
  • Lamdjamoe
  • Blang
  • Ketapang Doewa
  • Lamara
  • Lampeneroet
  • Lamrong
  • Lamsajoen
  • Lambaroe
  • Siroen
  • Lampermej
  • Tjot Iri
  • Roempit
  • Boekit Karang
  • Lamjong
  • Pakan Kroeng Tjoet
  • Kota Pohama

Kota Radja met bijbehorende werken bleef natuurlijk ook bezet. De overige posten moesten niet alleen ontruimd maar ook geslecht en onbruikbaar gemaakt worden. Al het materieel diende naar de nieuwe stelling vervoerd te worden. Echter: het was te voorzien dat de vijand de troepen niet ongemoeid zou laten. Gezicht op benting van Segli

Op 1 maart 1885 waren de werkzaamheden aan de geconcentreerde stelling klaar.  Het 10de en 11de bataljon infanterie konden nu naar Java worden teruggezonden.

Men was nu weer even ver als ten tijde van generaal Pel. De sluiting van de Atjehse havens kwam te vervallen en in plaats daarvan zouden de kusten geblokkeerd worden.

Ook in de Onderhorigheden vervielen enige posten, namelijk Samalanga en Telok Semawé. Malaboeh, Segli en Edi bleven gehandhaafd. Toen de nieuwe postenlinie ingericht en bezet was werd de afsluiting van de kust werkelijk opgeheven.

Alleen de invoer van oorlogsmaterieel en opium bleef verboden. De Atjeh-oorlog was zo een nieuw stadium ingetreden. Langs de postenlinie werd een stoomtramweg aangelegd.

Kota Radja bleef het hoofdkwartier en werd gaandeweg een garnizoensplaats, ook geschikt voor het verblijf van gehuwde officieren met hun gezin. De verschillende bentings, in vierkante vorm, met twee bastions tegenover elkaar en door een palissadering afgesloten, richtte men in en verbond deze onderling door wegen en een telefoonnnet.

 
Binnen de linie was het de Atjehers verboden gewapend in het openbaar te verschijnen en zich 's nachts buiten de kampongs te bevinden. Overtreders werden neergeschoten. Desalniettemin moest men voortdurend op zijn hoede zijn. Toekoe Oemar en volgelingen
 
In de nacht van 3 op 4 september werd majoor Stemfoort, toen hij met een patrouille de westelijke posten bij de hoofdstelling inspecteerde, op een grasveld buiten de Kraton door 12 Atjehers overvallen en met klewanghouwen overdekt.
 
De patrouille was ook verder door de vijand onschadelijk gemaakt. In de kuststreken was de toestand verre van vredig en werd bovendien op grote schaal zeeroof bedreven.
 
Eind 1885 vertoonde zich een Atjehse bende in Tamiang, in de residentie Oostkust van Sumatra. En in de nacht van 1 op 2 juni 1886 werd een benting op Tamaran-estate in West-Langkat, ook aan de oostkust, overvallen.
 
Het onder Nederlandse vlag varende stoomschip Hok Canton onderging een overrompeling en plundering, toen het op de 14de juni te Rigas aan de westkust voer.  De gezagvoerder, die gewond raakte, zijn echtgenote en een Europese machinist werden aan wal gebracht.
 
De autoriteiten zonden nu een expeditie naar Rigas, om de gevangenen te bevrijden, maar de 26ste keerde zij onverrichterzake terug. Inmiddels was de gezagvoerder bezweken en de andere gevangenen werden door de vijand naar het binnenland overgebracht.  Pas de 6de september leverden de Atjehers hen uit. Deze daad was, volgens geruchten, het werk geweest van Toekoe Oemar.
 
De gezondheidstoestand liet intussen veel te wensen over. Beri-beri woedde hevig in Atjeh en gedurende alle perioden aldaar maakten ziekten meer slachtoffers dan de wapens van de vijand. Demmeni zelf werd ziek en, ter herstel van zijn gezondheid, naar Pajakombo gezonden, alwaar hij de 13de december overleed. Demmeni H
 
Generaal van Teijn volgde hem op en onder zijn bewind werd het beleid de Atjehers zo veel mogelijk met het Nederlandse bestuur te verzoenen. Zo traden de militaire operaties weer op de achtergrond, al werden de Nederlandse troepen nog menigmaal door de vijand bestookt.
 
Een bende Atjehers, die op 4 april 1887 de Nederlandse linie binnendrong, nam stelling in kampong Koewala en kon pas na een hevig gevecht daaruit worden verdreven. Troemon werd in de maand mei verontrust door troepen vijanden, die door de Troemonezen, met behulp van een daarheen gestuurde colonne, werden verjaagd. 
 
Aanvallen van Atjehers op de versterking te Edi sloeg men af en een bende van 400 man, die zich binnen de linie bij Kota Radja-Bedil genesteld had, werd de tweede oktober door de Nederlandse troepen teruggeworpen.
 
Van 12 tot en met 19 november 1887 ondernamen Nederlandse troepen, onder aanvoering van luitenant-kolonel Vetter, een grootschalige tocht naar Poeloe Bras, toen bekend was geworden dat Toekoe di Tiro daar met een strijdgroep van 200 tot 300 man een aanval op het kolenetablissement en de vuurtoren wilde gaan uitvoeren. Poeloe Bras met vuurtoren
 
In 1889 vielen talrijke benden Edi binnen om het contact van de benting met de zee af te snijden. Een colonne wist de vijand na een hardnekkige strijd met zwaar verlies uit zijn stellingen te verdrijven.
 
In Groot-Atjeh kreeg de Nederlandse versterking Kota-Pohana het hevig te verduren door kanonschoten uit enige versterkingen bij Kota Toeankoe en de 26ste juli moest een daarvan worden veroverd.
 
Niet minder dan 6 officieren (waaronder luitenant Hageman, luitenant Veerman en kapitein Von Geusau) en 99 minderen werden buiten gevecht gesteld. Intussen waren de inzichten ten aanzien van de strategie te Atjeh te Batavia alweer gewijzigd. 
 
Zocht men aanvankelijk heil in een blokkade, teneinde de vijand wapens en levensbehoeften te onthouden; de marine was echter niet in staat deze blokkade effectief te doen zijn, zodat het doel werd gemist.
 
Nu ontwierp men een scheepvaartregeling met de bedoeling de Atjeher financieel te helpen. De 29ste aanvaardde gouverneur-generaal Hordijk het bewind te Buitenzorg en trad generaal van Teijn wegens ziekte af. Hij werd  vervangen door kolonel F. Pompe van Meerdervoort, die al spoedig met de regering overhoop lag.
 
Zijn opvolger Deykerhoff, benoemd tot kolonel, civiel en militair gouverneur, zou nu de taak hebben zich in de geconcentreerde linie te handhaven en daarbuiten, door controle op in -en uitvoer, de Atjeher te dwingen in onderwerping te komen. 

f t