Benting met Hollandse soldaten
 

De Atjeh-oorlog, de periode van verdere achteruitgang (1892-1896), was een tijdperk tijdens de Atjeh-oorlog waarin de afwachtende houding werd toegepast en de zaken te Atjeh er steeds meer op achteruit gingen. 


Bij Segli richtte de vijand een versterking op, waarna er gevechten tussen de Nederlandse troepen en de Atjehers plaatsvonden. Ook op de 27ste september 1892 streed men bij de versterking te Kaloet, waar de vijand ten zuiden van de spoorbaan tussen Lamreng en Lambaroe bentings had gebouwd. Luitenant Drijber voor Kaloet
 
De troepen probeerden deze bouwwerken te veroveren maar dat lukte niet. Luitenant S.A Drijber, die moest trachten de versterking van achteren binnen te dringen, stuitte op een brede en diepe, met water gevulde, kuil, waarover een brug lag. Drijber ging hier overheen en verkreeg een (niet dodelijk) schot in het hoofd. Van verdere pogingen werd nu afgezien. 
 
In het begin van 1893 viel Nja-Makam met zijn Atjehse benden het gebied in het noorden van de residentie Oostkust van Sumatra binnen. Met de hulp van detachementen van de Koloniale Reserve en van de marine bracht men de opdringende vijand zware verliezen toe en werden vier sterke bentings genomen.
 
De 20ste juli vond een afschuwelijk moordtoneel plaats aan boord van het stoomschip "Rajah Kongsi Atjeh", dat onder Nederlandse vlag voer. Zeven Pedirezen deden een verraderlijke aanval op de bemanning en passagiers zodat, behalve de kapitein en stuurman, 24 personen vermoord en 12 gewond werden.
 
Over het algemeen kon men op de zogenaamd bevriende hoofden weinig vertrouwen. Een uitzondering hierop was de Shajbandar Toekoe Panglima Magradja Tibang Mohama, die het gouvernement getrouw bleef, sinds hij onder Karel van der Heijden het Nederlands gezag erkend had.
 
Als opvolger van kolonel F. Pompe van Meerdervoort, die in 1892 aftrad wegens een verschil van inzicht met de politiek over de te voeren strategie, werd kolonel C. Deykerhoff in 1892 benoemd tot Civiel en Militair Gouverneur van Atjeh en Onderhoorigheden. Kolonel Deykerhoff veronderstelde dat het beter was om “loyale” inheemse hoofden in te zetten tegen “vijandelijke” hoofden. Generaal Deykerhoff
 
Met geld, geschenken en onderscheidingen trachtte Gouverneur Deykerhoff de vriendschap der Atjehse hoofden te kopen en af en toe scheen dat ook te lukken. Zo werden inlandse hulptroepen opgeleid en uitgerust met wapens. Mede door aanbevelingen van loyale Atjehers werd in 1890 het Korps Marechaussee opgericht.
 
Hoe weinig overigens op het woord van de Atjehse hoofden vertrouwd kon worden had men kunnen bedenken toen Toekoe Oemar, vooral berucht door de Nisero-kwestie, in onderwerping kwam.
 
Had men hem eerder met wantrouwen bejegend, zodra Toekoe Oemar kolonel Deijkerhoff het aanbod deed aan de Nederlandse kant te vechten, toch werd tot verbazing van velen hierop ingegaan.
 
Van zijn diensten zou nu gebruik worden gemaakt om achtereenvolgens de XXV, XXVI en XXII Moekims van vijanden te zuiveren. Aanvankelijk schenen de bedoelingen van Oemar goed te zijn. Hij veroverde Tjot Goé, een heuvel in een uitgestrekte vlakte, waarvan het bezit van waarde was. Ook Kaloet, dat het jaar tevoren de Nederlandse aanval weerstaan had, werd door hem ingenomen met behulp van het Nederlandse geschut in Lambaroe en Lamreng.
 
De troepen werden onvermijdelijk meer in zijn ondernemingen meegesleept, zoals bij de operaties in de XXVI en XXII Moekims, waar bij Mesigit Siem, een stenen gebouw nabij de kampong van die naam, een hardnekkig gevecht geleverd werd.  Luitenant Weijerman en 6 minderen werden gedood, 2 officieren en 32 minderen gewond. Kerkhofpoort te Kota Radja Peutjoet
 
Door dit wapenfeit werd het contact met Kroeng Kali hersteld, welke post nu moest worden opgeheven omdat hij te veel bloot stond aan vijandelijke overvalling. Luitenant Weijerman werd begraven op kerkhof Peutjoet, waar meerdere militairen hun laatste rustplaats vonden. 
 
Aan de ingang werd een monumentaal portiek gebouwd en Weijerman was de eerste die door deze poort naar zijn graf gedragen werd. Nog altijd bleek "Panglima Prang besar", zoals Toekoe Djohan Pahalawan of Toekoe Omar nu betiteld werd, een trouw bondgenoot van de Nederlanders.
 
In de langs de Atjeh-rivier gelegen Sagi der XXII Moekims, Anak Galoeng, hadden de Atjehers onder aanvoering van Panglima Polèm II, zich terdege versterkt, nadat die stelling door de Nederlandse troepen was ontruimd.
 
Ondanks een verwoede tegenstand werd zij genomen, alsmede Senelop, waardoor de Nederlandse positie op de rechter rivieroever weer voldoende verzekerd was.
 
Inmiddels was als nieuwe gouverneur-generaal Carel Herman Aart van der Wijck benoemd, die aan het einde van het jaar 1893 de toestand te Atjeh bevredigend vond, ook in de onderhorigheden. Toch bleefl in de XXII Moekims het verzet nog steeds voortduren.
 
In 1894 vonden geen noemenswaardige operaties plaats, al moest aan de westkust van Meulaboh, de kampong die dezelfde naam droeg was door de Atjehers versterkt, worden veroverd door de troepen. De transportdienst bleef omslachtig en in de XXII Moekims, waar de vijand transporten en dekkingstroepen voortdurend bestookte, regelrecht gevaarlijk.
 
In november 1895 begaf de legercommandant, generaal Jacobus Augustinus Vetter, zich naar Atjeh om zich op de hoogte van de zaken te stellen. Hij oordeelde het nodig de tijdelijke posten beter te versterken en bracht wijzigingen aan in het strategisch plan. Postcommandant Toekoe Oemar Fiscaal van Atjeh
 
Op de 29ste maart 1896 werd men opgeschrikt door het bericht dat Toekoe Oemar afvallig zou zijn geworden, net nadat hij was voorzien was van wapens, munitie en geld. Men had hem zelfs 378 achterlaadgeweren toevertrouwd. Tot de afval van de bondgenoot droeg het volgende bij:
 
In het begin van 1896 was de bevolking weer onrustig en vijandig geworden. Kwaadwilligen drongen door tot een der buitenwerken van Kota Radja.
 
Bij het doorzoeken van de kampong Anak Baté werd een scherp gevecht geleverd, dat de Nederlandse colonne bijna noodlottig was geworden. De wapens moesten nu gekeerd worden tegen de hoeloebalang van de VII Moekims.
 
Toekoe Oemar zag nu kans zijn slag te slaan. Een aantal hoofden sloten zich bij hem aan en de Nederlandse linie werd nu ernstig bedreigd. Bovendien was de communicatie van de posten onderling verbroken.
 
Alles stond weer in vuur en vlam. De oorlog was opnieuw ontbrand en het gouvernement zag de toestand niet bemoedigend in. Overal verving een hevig verzet de tijdelijke rust. Maar feitelijk was de wisselende politiek, die de Atjeh-oorlog beheerste, de oorzaak van de lange duur ervan. J.A. Vetter
 
J.A. Kruyt, oud consul der Nederlanden in Penang schreef hierover: ”wijzend op de jammerlijke gevolgen van het hinken op twee gedachten gedurende 25 jaar. Telkens zag men een stelsel aangeprezen, aangenomen, gevolgd voor een poos en, als het geluk voorspelde, opgegeven om plaats te maken voor een ander.
 
Zelfs op de oostkust, waar aanvankelijk met schitterend succes was opgetreden, eindigde men met de toestand te bederven. Het was een voortdurend geven en nemen, voortgaan en teruggaan; een aarzelen en weifelen zonder einde.”
 
Een scheepvaartregeling of herstel van het sultanaat wilde de regering niet. Tot afdoende blokkade was het bestuur van Atjeh ook al niet genegen, en toch kwam men over en weer telkens zowel op het een als op het ander terug.
 
Nu de concentratie in Groot-Atjeh òf door een rigoureuze blokkade òf door een krachtige nationale scheepvaartregeling – maar één van beide – alleen waarde kon krijgen, nu werd juist van beide zó veel of zó weinig toegepast, dat noch het een, noch het ander doel kon treffen omdat beiden elkaar verlamden. 
 
Nu pas werd eindelijk weer de nodige veerkracht ontwikkeld en helde de landvoogd ertoe over te breken met de weifelende politiek, die de vestiging in Atjeh aan de rand van de afgrond bracht. De gouverneur verzocht telefonisch de gouverneur-generaal versterking, waaraan gevolg gegeven werd. Aflossing der bezetting
 
De Raad van Nederlands Indië was in buitengewone vergadering bijeen geroepen om de maatregelen te beramen, die door de omstandigheden werden vereist.
 
Men achtte het raadzaam generaal C. Deykerhoff niet langer met de leiding van de Atjehse aangelegenheden te belasten.
 
"'Waar het afval van Teukoe Oemar aanstonds tot zulke verstrekkende gevolgen aanleiding gaf, dat al het sinds 1893 verkregene als het ware op losse schroeven werd gezet, moest wel ernstige twijfel rijzen, of de militaire en civiele gouverneur de toestand tevoren wel inderdaad juist beoordeeld had".
 
Onder die omstandigheden meende de Indische regering, die bekend was met de optimistische denkbeelden van generaal Deykerhoff ten aanzien van Toekoe Oemar, die generaal te ontheffen van zijn functie"; zo schreef de minister in het Koloniale Verslag.
 
Aan luitenant-generaal Vetter, commandant van het Koninklijk Nederlandsch-Indisch Leger, werd opgedragen zich naar Atjeh te begeven en als regeringscommissaris de leiding der zaken daar in handen te nemen. 

f t