Afdrukken
Details: Hoofdcategorie: Expedities van het KNIL Categorie: Atjeh-oorlog | Gepubliceerd: 13 oktober 2018
 
 
Detachement militairen te Atjeh in rivier
 

De Atjeh-oorlog, de periode van het civiele bestuur, was het tijdvak na het aftreden van generaal van der Heijden, toen het civiele bestuur te Atjeh werd ingesteld onder A. Pruijs van der Hoeven (1881-1883).
 
Inleiding
De gevolgen van een ontijdige invoering van  het civiele bestuur
Dodelijke achteruitgang
Einde van de afwachtende houding

Inleiding
Al dadelijk na het ontslag van generaal van der Heijden en het optreden van civiel gouverneur Pruijs van der Hoeven deden de nadelige gevolgen van de te vroege instelling van het civiele bestuur gelden. Atjehse maraudeurs verenigden zich tot roversbenden, die door de aanwezige troepen nu nog spoedig uiteen konden worden gejaagd. Militaire post te Atjeh lalala
 
Maar de civiele gouverneur gaf er eigenlijk de voorkeur aan deze taak op te dragen aan de politie, die weinig of niets tegen de vijand kon doen. Alles wat eerder met zoveel inspanning was gewonnen dreigde nu verloren te gaan.:
 
De op zichzelf staande strooptochten der Atjehers ontaardden in een optreden van meer geregelde vijandelijke benden en zo werd een guerrillaoorlog in het leven geroepen, die nog jaren lang de oorlog slepend zou gaan houden. Groepje Atjehers tralala
 
Het streven van de regering was om niet meer met geweld maar middels toenadering de Atjehers tot volledige onderwerping te brengen. Een rusteloos patrouilleren, door Van der Heijden op de voorgrond gesteld, paste niet in het "stelsel-Van der Hoeven".
 
Hij wilde de militaire macht zo veel mogelijk op de achtergrond houden om de Atjehers niet te prikkelen met machtsvertoon. Daarnaast was officieel de vredestoestand door de regering afgeroepen. Volgens een reglement uit 1837 voor de militaire commandementen buiten Java en Madoera mochten zij geen hulp verlenen, alleen op schriftelijke aanvraag van de civiele machten.
 
De nieuwe gouverneur was dus van mening dat er geen patrouilles meer mochten worden uitgezonden op eigen gezag van de postencommandanten. Pruijs van der Hoeven vertrouwde erop met zijn politie de rust wel te kunnen bewaren in het pas onderworpen gebied. Imiddels was het leger te Atjeh tot gedwongen werkloosheid veroordeeld.
 
De gevolgen van een ontijdige invoering van het civiele bestuur
Bij commandementsorder van 22 mei 1881 kregen de postcommandanten de opdracht alleen verantwoordelijkheid te dragen voor de veiligheid van hun post en de onmiddellijke omgeving daarvan.  Het civiele bestuur zou zorgen voor het optreden tegen maraudeurs en rovers, zoals men de goed georganiseerde en strijdbare benden van vele honderden Atjehers meende te moeten betitelen. Gezicht rede Oeleh Leh tytytutuy
 
Kolonel J.F. Haus wees vruchteloos op het onhoudbare van de toestand. Ten overvloede werden in 1881 de bentings te Lampermey, Pakan Bedak en Kroeng Kali, alsmede de blokhuizen te Kota Alam, Longbatta Mesigit, Lamprit en Tonga opgegeven om de benodigde troepenmacht te beperken.
 
Ook de maatregel van Van der Heijden, waarbij alle aankomende vaartuigen te Oeleh Leh of Edi moesten worden gevisiteerd, werd ingetrokken. Het was voor de marine nu onmogelijk geworden de aanvoer door de vijand van oorlogsbehoeften te beletten. Brugg over de Atjehrivier tralalalala
 
Tegenover de bevolking werd te werk gegaan met welwillendheid en zachtmoedigheid, die echter geen ommekeer in het gedrag van de Atjehers bracht.
 
Wel kwamen verschillende hoofden, die weerspannig gebleven waren, schijnbaar in onderwerping, maar men kon hen niet vertrouwen. 
 
Al onmiddellijk na het optreden van de civiele gouverneur werden kleine aanvallen ondernomen en die namen nu voortdurend in stoutmoedigheid en krachtsontwikkeling toe. Gedurende de nacht van 16 juni 1881 vuurde de vijand op de Nederlandse versterking te Anagaloeëng, iets wat sinds 1879 niet meer was voorgekomen.
 
Dodelijke achteruitgang
 Herhaaldelijk werden detachementen beschoten en de vijand ging zelfs over tot een klewang-aanval. Dit was een nieuw bewijs hoe de overmoed van de Atjehers steeds toenam. Op de 30ste januari 1882 beschoot men een gewapende boot van de marine bij Kwala Loë. Stationnetje in Atjeh
 
Bevriende kampongs ondervonden stelselmatige plunderingen en moorden en roof waren aan de orde van de dag. Ten overvloede werd de Heilige oorlog gepredikt. Dat kwam mede door een voorspelling van de priesters dat dit jaar de ongelovigen uit hun land verdreven zouden worden.
 
Zelfs de passer van Kota Radja was niet veilig voor nachtelijke overvallingen. In de maand juni moest een colonne onder overste Ruempol naar de IV Moekims worden gezonden om de vijand, die bij Kroeng Raba verenigd was, te verdrijven. Al spoedig diende de politie door de militaire macht te worden ondersteund,
 
Dat was bijvoorbeeld het geval op 4 augustus, toen schout Van Zijl met zijn prandoerits met behulp van een detachement, sterk 4 officieren en 100 man, enige verdachte kampongs doorzocht, en dodelijk getroffen werd bij Mesigit Siëm. 
 
Enkele dagen later kreeg een detachement onder kapitein Bode een verlies van 8 doden en 18 gewonden te verwerken. Zelfs de lijken en wapens moesten in handen van de vijand gelaten worden. Nu pas en veel te laat werd het verbod, dat de militaire commandanten de handen bond, door de gouverneur opgeheven. Aanhoudend vonden schermutselingen plaats en werden posten en detachementen overvallen.  
 
Einde van de afwachtende houding
De 20ste oktober moesten twee colonnes, onder bevel van majoor Segov en kapitein le Maire, naar de XXVI Moekims gedirigeerd worden, waar een bende onder Toekoe Radja zich bevond. Segov diende hier tegen Panglima Nja Bintang op te treden. 
 
Eind december drong een bende van Teukoe Oemar de IV en VI Moekims binnen. Een ontmoeting van kapitein Brakel en zijn colonne met de vijand kwam op 1 dode en 25 gewonden te staan. Gezicht op Pantei Perak
 
Pogingen om in de eerste dagen van het volgend jaar de volgelingen van Oemar te verdrijven slaagden niet.
 
De samenwerking tussen het civiele en militaire bestuur bleef een moeilijke aangelegenheid, waarop kolonel Haus, al voor het einde van 1882, ontheven werd van zijn commando te Atjeh. Zijn opvolger vond men in kolonel C. Schäfer.
 
De Nederlandse troepen waren diep onder de indruk van de verderfelijke toestand. Hun stemming was verschrikkelijk. Moedeloosheid had de opgewektheid vervangen waarmee men tevoren, ondanks alle hindernissen, had gediend.
 
Toen kolonel Haus teruggeroepen werd meende gouverneur-generaal s' Jacob, die op 12 april 1881 Van Lansberge was opgevolgd, de civiele gouverneur van Atjeh in overweging te moeten geven meer rekening te houden met de eisen van een feitelijke oorlogstoestand.
 
Pruijs van der Hoeven leidde hieruit af dat de regering onvoldoende vertrouwen in zijn beleid stelde en vroeg zijn ontslag. Dit werd hem verleend en in zijn plaats werd Philip Franz Laging Tobias benoemd, gewezen resident van Palembang, die de 16de maart 1883 het bestuur aanvaardde. Pruijs van der Hoeven werd, als beloning voor betoonde diensten, benoemd tot lid van de Raad van Indië.