Atjehs roofschip in de lagune achter Oeleh Leh

De Atjeh-oorlog (1896-1901) was een periode van offensief militair optreden onder leiding van Stemfoort, De Moulin, Vetter en met name Van Heutsz. Dit offensieve tijdvak volgde op een aantal jaren waarin een defensieve strategie werd gevolgd.  


Generaal Vetter werd naar Atjeh gezonden met kolonel der infanterie Stemfoort en majoor van de generale staf Breijer. Hij verliet op 2 april met het 9de bataljon Batavia en kwam de 7de te Oeleh Leh aan. Twee dagen later arriveerden het 6de bataljon en een bergbatterij. Teukoe eumar De regering zag de toestand nu ernstig in en aarzelde niet offensief op te treden. 
 
De ware redenen van het verraad van Toekoe Oemar bleven duister. Beschuldigingen aan het adres van controleur K.W. Gisolf en de hoofddjaksa Mohammad Arif, naar aanleiding van beweerde krenkende handelingen jegens hemzelf en anderen, door hem schriftelijk ingebracht bij de gouverneur, bleken ongegrond te zijn en werden overigens in een tweede schrijven door hem herroepen.
 
In de laatste brief, van 12 april, weet Oemar zijn veranderde zienswijze aan teleurstelling over het uitblijven van een Koninklijke Onderscheiding als beloning voor zijn reeds bewezen diensten. Wanneer men hem 150.000 gulden per maand zou gegeven om zijn krijgsmacht te onderhouden dan zou hij zich alsnog verbinden om Atjeh in rust en vrede te houden.
 
Ditzelfde aanbod herhaalde hij in een brief aan de regeringscommissaris, die er de 25ste op antwoordde met de eis tot onverwijlde uitlevering van verstrekte wapens, slechting van in de VI Moekims aangelegde versterkingen, loopgraven en kuilen en hernieuwde onderwerping aan het gouvernement.
 
Toekoe Oemar had zich, hoewel overigens een afwachtende houding aannemend, versterkt in de VI Moekims aan de grenzen van de open streek voor de Nederlandse linie en verder achterwaarts tot Lampsang; Stemfoort WJ
 
Hij beschikte over ongeveer 2.000 goed opgeleide strijders. Tegenover zijn versterkingen hadden de Nederlandse troepen een zware batterij opgeworpen, terwijl door opheffing van de buitenlinie de veldbataljons geheel beschikbaar zouden komen.
 
Generaal Deyckerhoff was inmiddels langs telegrafische weg van zijn civiel en militair gezag in Atjeh en Onderhorigheden ontheven. Het civiel bestuur was door hem overgegeven aan resident K.F.H. van Langen. De nieuwe militaire commandant, kolonel Stemfoort, ging de 10de over tot een verkenning, met een bataljon infanterie en detachementen van andere wapens, naar Lamkunyit en Biloel. 
 
Zowel op de heen- als op de terugmars werd men hevig beschoten. Omdat het hoofddoel was Toekoe Oemar te tuchtigen en het contact met de buitenposten te onderhouden door sterke colonnes, nam de regeringscommissaris het besluit de posten van de buitenlinie niet enkel te ontzetten maar ook te slechten. Anak Galoeng
 
Dat was met uitzondering van Cot Goe, dat bijzonder gunstig voor de geconcentreerde linie gelegen was. Binnen veertien dagen was het aanzienlijke werk, dat veel moeilijkheden opleverde en waarvoor een aanzienlijke troepenmacht nodig was, voltooid.
 
Enkel voor het opheffen van Anak Galoeng, Lambarih, Senelop en Lamsoet waren het 6de, 9de, 12de, en 14de bataljon, twee batterijen bergartillerie en de nodige hulptroepen opgetreden.
 
En toen nu ten koste van 5 officieren en 50 minderen, die gesneuveld waren, en van ruim 200 gewonden, die tijdelijke posten opgeheven werden was men teruggekeerd tot de geconcentreerde linie van het jaar 1886.
 
Alle veldbataljons waren nu beschikbaar voor het eigenlijke doel der militaire operaties. Toekoe Oemar woonde in de kampong Lampisang, ten zuiden van de post Lamdjamoe, en het was daar, dat hij in antwoord op zijn aanbod aan de regeringscommissaris diens ultimatum ontvangen had.  Huis Toekoe Oemar
 
Toen hieraan niet werd voldaan maakte generaal Vetter korte mette met de verrader. Hij werd ontslagen als Panglima prang besar en als hoeloebalang van Lepong.
 
De 27ste april openden zee- en landmacht haar geschutvuur op Lampisang en omstreken. Oemar had zijn gebied versterkt met verscheidene linies, gevormd door versterkte kampongs en bentings, die onderling door loopgraven waren verbonden.
 
Het zou dus veel inspanning van de troepen vergen om deze sterke vijandelijke stelling te nemen. Eind mei begonnen de krijgsverrichtingen ter verdrijving van Toekoe Oemar uit de VI en IV Moekims der sagi XXV in Groot Atjeh. Toekoe Oemar met zijn familie en volgelingen voor zijn huis in Lam Pisang
 
Bij Lamith waren het 12de en 14de, bij Belang had men het 9de bataljon opgesteld, terwijl de hoofdmacht, het 3de, 6de en 7de bataljon, de marechaussees, 4 secties bergartillerie en de hulptroepen, was samengetrokken bij Ketapan Doewa.
 
Het 7de bataljon, met cavalerie en artillerie, werd in reserve gehouden. De 23ste mei 1896, reeds voor het aanbreken van de dag, waren de Nederlandse troepen al met de vijand in gevecht gewikkeld.
 
Hoe groot ook de kracht en de moed waren, waarmee Oemar zich verdedigde, voor de wijze waarmee de aanvoerders de troepen leidden, moest hij wijken. Vooral Van Heutsz en luitenant Vis onderscheidden zich hier. Kampong Lam Hasan bood de meest hardnekkige tegenstand. Uren achtereen nam de sterke batterij bij Lamjamu haar onder vuur. Te vergeefs probeerde het 9de bataljon infanterie de sterke stellingen te nemen.
 
Tegen het aanbreken van de dag werd aan majoor der infanterie J.R. Jacobs opgedragen, met zijn reserve, bestaande uit 3 compagnieën van het 7de bataljon, het 9de te helpen en Lam Hassan te nemen. 
 
Met de 1ste compagnie in front, de helft van de 2de compagnie op de linkerflank en de rest in reserve werd uit Adjoen Tebal tegen de vijandelijke stellingen opgerukt. Binnen 20 minuten waren zij in Nederlandse handen en was de kampong geheel van vijanden gezuiverd. Van de anderhalve compagnie, die aan het eigenlijke gevecht deelnam, sneuvelden 2 officieren en 30 manschappen maar de overwinning was volkomen. 
Luitenant vis waarnemend controleur met hoofden van Selimoen2
 
Majoor Jacobs, wiens paard al dadelijk werd neergeschoten, waarop hij te voet de aanval met de 1ste compagnie meemaakte, werd voor de wijze waarop hij zich onderscheidde bij deze gelegenheid en tijdens de verdere gevechten tot eind oktober 1896, met de Militaire Willems-Orde vierde klasse vereerd.
 
De aanval op Lampisang werd ingeleid door de verrassing bij nacht van een deel van de eerste linie van de rechter -en linker vleugel.
 
De colonne Van Heutsz zou de heuvel beklimmen en de Gleh-Poetih bezetten. Door de duisternis begunstigd bereikte zij, zonder tegenstand te ondervinden, de heuvelrij en kon doorgaan met de tocht naar boven. Bovenop de heuvel gekomen, vanwaar Lampisang beheerst werd, kon men in de diepte dit dorp zien liggen. Hierop werd het vuur geopend, waartoe de bergbatterij gerekwireerd was.
 
Oemar en zijn volgelingen namen de vlucht naar de zuidwaarts gelegen stelling Boekit Seboen-Beradin. Nu zond Van Heutsz bericht dat de voorwaartse beweging verder zo snel mogelijk moest worden voortgezet door het 7de en 9de bataljon. 
 
Lamtengah, Lam-manjang en Lam-Isi werden veroverd door het 12de en 15de bataljon, waarbij de Koloniale Reserve, onder haar aanvoerder Drijber, zich bijzonder onderscheidde. Drijber raakte 2 keer gewond.
 
De 23ste mei leden de troepen gevoelige verliezen; er waren 160 manschappen buiten gevecht gesteld.  De volgende morgen werd opgerukt naar Lampisang en de woning van Toekoe Oemar verbrand.
 
Vervolgens wist men een sterke stelling, bestaand uit de kampong Beradin en de beide bentings Seboen, te nemen. In totaal kostten de operaties in het gebied van Toekoe Oemar de Nederlandse troepen 200 doden en gewonden. Na de tuchtiging keerden de troepen terug naar Kota Radja. 
 
Tot gouverneur van Atjeh werd nu generaal De Moulin benoemd maar hij vervulde die taak slechts kort; op 7 juli 1896 overleed hij aan de gevolgen van een zonnesteek.
 
Nadat de 9de en de 10de juni de Lamkrak-streek der VII Moekims van de sagi XXII Moekims en de 19de en 17de juni de V Moelims gestraft waren, keerde generaal Vetter de 27ste terug naar Batavia. Er waren nu mobiele colonnes gevormd in de voornaamste delen van het vijandelijke gebied. AAnval Marechaussees op Anak Galoeng
 
In verband hiermee hadden nog militaire operaties plaats te Lepong en Lohong in de zuidelijke nederzettingen van Groot-Atjeh en te Selimoen in de XXII Moekims. In de zuidelijke nederzettingen moesten die in 1897 worden herhaald.
 
In augustus volgde een expeditie naar de Pedir-streek, ondernomen om de Moekims Pekan Baroe en Pekan Sot van vijandige benden te zuiveren.
 
Op de 9de juni 1896 marcheerde het Korps Marechaussee in de voorhoede van een colonne naar Anak-Galoeng. De voorhoede, onder leiding van Graafland, ging direct tot de aanval over zonder op de overige troepen te wachten. Om half 5 in de morgen was de omtrekkende beweging voltooid.
 
Er volgde nu een vuurgevecht met de vijand, waarbij Graafland gewond raakte en het commando over moest geven aan luitenant Vis. Toen de hoofdmacht met de ambulance arriveerde was het gevecht al beslist in het voordeel van de Nederlandse troepen. Men had 6 doden en 28 gewonden verkregen. Een der officieren die zich tijdens de gevechten zeer onderscheidde was luitenant Marechaussee G.J.A. Webb.
 
In Groot-Atjeh was de situatie intussen bevredigend. In 1897 kon de trambaan Kota Radja - Indrapoeri (Gle Klambing) voor het openbaar verkeer opengesteld worden. Maar de hoofden van de opstand waren uitgeweken naar de Pedir-streek, het bolwerk van de geestelijke partij en dus moest er worden overgegaan tot onderwerping van die streek. Tuchtigen van Pedir
 
De regering besloot nu voet bij stuk te houden. Zeker nadat men bericht had ontvangen dat Toekoe Oemar met een beduidende macht te Djantoi bij Selimoen was aangekomen om zich te verenigen met de Pretendent-Sultan en Panglima Polèm II.
 
Pedir, gaandeweg het centrum van de oorlogspartij geworden, moest ten onder gebracht worden.
 
Door de generale staf was een plan voor de veldtocht ontworpen en voor het opperbevel van de expeditie naar Pedir en Gigiën werd kolonel Van Heutsz aangewezen. In verband met deze opdracht werd hij tevens benoemd tot civiel -en militair gouverneur van Atjeh.
 
Het doel van de Pedir-expeditie was zich te begeven naar de, tot de sagi der XXII Moekims behorende, VII Moekims Pedir, en op de weg daarheen het verzet van de vijand te breken.
 
Daarnaast had men de intentie het hoofd van de sagi der XXII Moekims tot onderwerping te brengen, de vijandelijke benden in de VII Moekims Pedir te verslaan en de federaties XII en VI der Pedir-streek onder Nederlands gezag te brengen. Heutzie
 
Vier bataljons infanterie, een batterij berggeschut en een eskadron cavalerie werden naar Segli gedirigeerd, om genoemde streken van vijanden te zuiveren.
 
Deze operaties zouden gesteund worden door een tweede colonne, van Selimoen opererend, om een eventueel uitwijken van de vijand uit Pedir, ook uit de VII Moekims Pedir, naar de vallei van Groot-Atjeh, tegen te gaan. Maar daarnaast ook om de benden van Panglima Polèm II en Oemar op te zoeken en te vernietigen en zich daarna met de hoofdmacht te verenigen.
 
De 30ste mei 1898 was de opperbevelhebber aangekomen te Segli, waar de troepen, uit Batavia en Kota Radja vertrokken, zich verenigden met het 14de bataljon, dat vooruit gezonden was.
 
De vijand had zich versterkt te Garoet, dat zonder verlies genomen werd. Vervolgens trokken de manschappen langs de Pedir-rivier op. Te Mehtareum werd de colonne uit Selimoen aangetroffen.
 
In het gebied van Toekoe Bintara Kemanga overmeesterden de soldaten twee bentings. De beide colonnes wenden zich nu, langs verschillende wegen, naar Kamala, de residentie van de Pretendent-Sultan. Hier werd door de vijand niet stand gehouden; evenmin te Sangget Menoe, dat 29 juni genomen werd.
 
De tegenstand was erg meegevallen. Toekoe Oemar ontkwam weliswaar, maar overigens had de expeditie volkomen aan het doel beantwoord en keerde Van Heutsz terug naar Kota Radja. Voor zijn aandeel in genoemde tocht werd de militair opnemer Werbata benoemd tot ridder in de Militaire Willems-Orde vierde klasse.
 
In juli moesten de wapens weer worden opgepakt; ditmaal tegen Edi, waar een priester, Toeankoe Tapa, de heilige oorlog predikte, en een aanval op het civiele etablissement gedaan was. Met twee bataljons werd de 11de de vijand uit zijn stellingen verdreven. Oemar was naar de westkust uitgeweken, door een colonne achtervolgd. Batoe Iliq 4 5
 
De bevolking bleek weinig gezind kwade zaak met hem te maken. Zijn invloed was verminderd en in een schermutseling vond hij de dood. Nu en dan werden de Nederlandse troepen nog beschoten en probeerden Atjehers de guerrillaoorlog nog te onderhouden.
 
Van Heutsz werd intussen benoemd tot generaal-majoor en verheven tot commandeur in de Militaire Willems-Orde. Alle landshoofden onderwierpen zich aan het Nederlandse gezag en de algehele toestand in Pedir mocht thans gunstig heten. In het begin van 1901 vond er nog een expeditie naar Samalanga plaats.
 
Tanah Merah werd door de vijand niet verdedigd. Vanuit Samalanga werd verder opgerukt naar het beruchte Batoe Iliq, waar de Nederlandse troepen in 1882 het hoofd gestoten hadden. De 1ste en 2de februari werd de vijandelijke stelling op Batoe Iliq en Asan Koembang door de marine en het geschut van het Nederlandse bivak te Nangroë onder vuur genomen.
 
Nadat de aanval hierdoor was ingeleid, werden vier versterkingen door de troepen veroverd, waarna de verdere vijandelijke positie, die hardnekkig verdedigd werd, door infanterie, marechaussee en landingsdivisie werd bestormd. Binnen de versterking ontstond een verwoed gevecht, man tegen man. De vijand liet een vat buskruit springen, waardoor luitenant der Marechaussee J.E.W. van Gesseler Verschuir (2e Divisie Korps Marechaussee) en negen minderen ernstige brandwonden verkregen.
 
Met het stormenderhand genomen Batoe Iliq vielen de troepen enige vuurmonden in handen. Zij leden overigens een verlies van 5 doden en 29 gewonden. Asan Koembang werd zonder verdere tegenstand genomen.

f t