Samalanga 1878

De Atjeh-oorlog (1877-1881), onder leiding van Karel van der Heijden was een periode van offensief optreden in de Atjeh-oorlog (1877-1881). Dit tijdvak volgde op een aantal jaren waarin een defensieve en afwachtende strategie, die weinig succesvol bleek, werd gevolgd.  


Samalanga, een rijkje aan de noordoost kust van Atjeh, aan het noorden begrensd door de Malakka-passage, bleef weigeren om het Nederlandse oppergezag te erkennen. Ook elders, in Groot-Atjeh, was toenadering ver te zoeken en voerde de vijand nog altijd de wapens tegen het Nederlandse gouvernement.  Zee -en strandroof bleven daarnaast een bron van grote zorg. Karreltje heijen
 
Het Indische gouvernement besloot op dit moment Samalanga, die kleine roofstaat, in onderwerping te brengen. Kolonel Karel van der Heijden, dan nog tijdelijk benoemd tot gouverneur van Atjeh, nam zelf de leiding van de expeditie op zich.
 
Er werden drie compagnieën aangewezen, waarbij luitenant-kolonel Meijer optrad als chef van de staf. De zeemacht, die ook aan de expeditie deelnam, stond onder leiding van kapitein-luitenant ter zee Van der Hegge Spies.
 
De 8ste augustus 1877 vertrok de expeditie uit Oleh Leh.  Het doel van de tocht was de inname van kampong Aroengan, waarin de radja verblijf hield. De landmacht was in drie colonnes verdeeld. De eerste stond onder bevel van majoor P.E.J.H. van Dompselaar, de tweede onder majoor Meijer en de derde colonne kreeg bevelen van kapitein N. van Marion. Deze laatste eenheid werd als reserve beschouwd.
 
Nadat de radja was aangemaand zich binnen 24 uur te onderwerpen werd het tegenovergestelde effect verkregen. De vijand toonde zich onverzoenlijk en overviel het bivak van het 8e bataljon infanterie n de nacht van 10 op 11 augustus. Deze aanval werd uitgevoerd door 300 Atjehers maar er vielen, door de oplettendheid van de manschappen, geen slachtoffers.
 
Door de onstuimige zee bleek de ontscheping van levensbehoeften erg moeilijk en overwoog men een ogenblik de troepen weer in te schepen en op een gunstiger plaats opnieuw te landen. Kolonel van der Heijden was echter van mening dat dit door de overmoedige vijand als een echec zou worden beschouwd, gelijk dit bij de eerste expeditie naar Atjeh het geval was geweest.
 
De leiding der expeditie besloot de ingenomen stelling aan het strand te handhaven en hier een versterking op te werpen. Die aarden wal moest dienen als steunpunt voor de operaties. Ter verbetering van het contact met de rede zou een tijdelijk zeehoofd gebouwd worden. Verkenningen wezen uit dat een omtrekkende beweging het verstandigste zou zijn bij de overmeestering van Kwala Tamboea. Heijetje verloost oog 
 
Op de 29ste augustus werd uiteindelijk aan deze manoeuvre begonnen. In de vroege ochtend rukten twee colonnes op, die geen enkele tegenstand tegenkwamen. De 26ste werd tot de aanval op Kwala Tamboea overgegaan. De troepen verdreven stormenderhand de vijand uit zijn versterkingen, waarna Van der Heijden het bevel gaf ten zuiden van kampong Tamboea over de vlakte te trekken.
 
Zijn plan was verder in westelijke richting op te rukken naar kampong Mané. Dit dorp moest eveneens stormenderhand worden genomen, alvorens kampong Aroengan kon worden bereikt. Munt ter ere van Van der Heijden Samalangan
 
Een tweede colonne, waarbij Van der Heijden zich bevond, rukte gelijktijdig met de eerste uit Tamboea op. Zij bestormde de versterking Temoelit. Gedurende het daarop volgende gevecht werd Van der Heijden door een kogel in zijn oog getroffen. Hij moest hierdoor tijdelijk het commando overgeven maar na te zijn verbonden steeg hij weer te paard en voerde de troepen verder aan.
 
Met de verovering van Termoelit was aan de strijd tegen Samalanga een einde gekomen. Eerste luitenant Bröker en negen minderen waren gesneuveld.  Naast Van der Heijden waren majoor P.J.E.H. van Dompseler (later overleden), eerste luitenant R.L. Kellerman en eerste luitenant J.L. Granpré Molière (zelfde dag overleden) en 43 minderen gewond geraakt. Van der Heijden kon nu weer terugkeren naar Kota Radja en de verdere regeling van de zaken overlaten aan de chef van de staf en van de controleur.
 
Omdat Merdoe, een staatje ten westen van Samalanga, had deelgenomen aan het verzet moest zij ook onderworpen worden. Echter: op 13 september verscheen de vorst van Samalanga om de akte van onderwerping te tekenen. Habib Abdoe r Rachman
 
Enige dagen later volgde ook de vorst van Merdoe zijn voorbeeld. Aan het voornemen van de regering om het civiel en militair commando op te dragen aan een hoofdofficier van de landmacht met de titel gouverneur werd de 13de januari 1878 gehoor gegeven.  Tot gouverneur van Atjeh en Onderhorigheden werd kolonel van der Heijden benoemd.
 
De Nederlandse benting te Segli, aan de noordkust van Atjeh, werd enige tijd later aangevallen en ook aan de oostkust van Atjeh verslechterde de toestand weer. Om deze redenen werd een expeditie uitgezonden om het landschap Gedoeng te tuchtigen.
 
Onder aanvoering van Habib Abdoe'r Rahman Alzahier deed de vijand een inval in de XXV Moekims. 
 
Toen de expeditionaire macht, naar de oostkust gezonden, terugkeerde kostte het haar geen moeite de vijand spoedig te verdrijven. Het verzet van de radja van Pasangan, aan de noordkust van Atjeh, leidde tot een bombardement van de marine op 14 juli. 
 
Deze offensieve actie maakte zoveel indruk dat de radja door de hoofden zelf van zijn gezag vervallen werd verklaard en de vorst, die in zijn plaats werd gekozen, zich onderwierp aan het Nederlandse gezag. Het gouvernement, bij monde van gouverneur-generaal van Lansberge, zag de toestand te Atjeh zeer optimistisch in, waardoor men het aantal troepen begon te verminderen. 
 
Op 1 maart 1878 bedroeg de sterkte slechts 298 officieren en 7.730 minderen, hoewel in het voorjaar van dat jaar meerdere expedities moesten worden uitgezonden. Ook in Groot-Atjeh was de situatie weer minder gunstig geworden.  WWWiyrwe xiik
 
In de IV en VI Moekims vonden vijandelijkheden plaats en vooral in de XXII Moekims achtte de legerleiding nieuwe operaties nodig. Het gouvernement was kennelijk te voorbarig geweest toen men overging tot inkrimping van de krijgsmacht te Atjeh. Weldra moest opnieuw overgegaan worden tot vermeerdering, zodat de troepenmacht tegen 1879 was opgevoerd tot 385 officieren en 10.208 minderen. 
 
Van der Heijden, op 26 september 1878 bevorderd tot generaal-majoor, wist door zijn offensief optreden de Atjeher bij voortduring ontzag in te boezemen en de lang verwachte toenadering leek nu eindelijk in zicht.
 
Habib Abdoe'r Rahman Alzahier onderwierp zich, verschillende mindere hoofden volgden zijn voorbeeld en de kampongbewoners keerden naar hun woonplaatsen terug. Ook Toekoe Moeda Baid, hoeloebalang der VII Moekims, meldde zich aan. Schets van een benting in Atjeh 1 op 800 Men kreeg nu de impressie dat het verzet voorgoed gebroken was en gouverneur-generaal Van Lasnberge schreef Van der Heijden onder dagtekening van 21 maart 1879:
 
"Aan de oorlog moet nu een einde komen; of de verwachte onderwerping wordt verkregen of de vijand wordt een dusdanige tuchtiging toegediend dat er geen twijfel meer bestaat omtrent onze overmacht en zijn nederlaag, en wij onze krijgsmacht kunnen terugtrekken binnen de grenzen voor onze definitieve vestiging, aan te wijzen."
 
Het gouvernement wilde aldus de zaak termineren. Van der Heijden had inmiddels de noodzakelijkheid betoogd om, ter onderwerping van de XXII Moekims, minstens tot Indrapoeri door te dringen.
 
Na de verovering van dit belangrijke deel van Groot-Atjeh zou met de XXVI Moekims kunnen worden afgerekend. Een van de officieren die tijdens deze gevechten sneuvelde was kapitein Schoggers, officieren die verder deelnamen waren luitenant der genie W. Cool en luitenant der infanterie G.B. Hooijer.
 
Het duurde tot de 23ste maart 1879 voordat de veldtocht kon worden hervat. In drie colonnes werd opgerukt: de eerste werd aangevoerd door luitenant-kolonel Tersteege, de tweede door luitenant-kolonel J.H.C. Godin en de derde (reserve) colonne stond onder bevel van majoor van de Pol. Op mars in de XXII Moekims naar een schets van BG Hooijer 1ste luitenant opnemingsbrigade Atjeh
 
De veldtocht kende een beslissend succes, zeker nadat al op de 24ste maart Indrapoeri genomen was. Vervolgens werden, van 6 tot 12 mei, de V Moekims aangevallen, met name de kampongs Djeroek en Groet, waar de vijandelijke bendes zich verzamelden.
 
Daarnaast bleken ook Redep, Lammij en Piëng de Nederlandse troepen zeer vijandig gezind te zijn. Toekoe Moeda Baid, hoeloebalang van de VII Moekims, werd gevangengenomen omdat men hem van verraad verdacht. 
 
Een tocht naar Gleiëng, dat de 9de juni werd bereikt, had de inname van die plaats tot gevolg. In de XXVI Moekims werd binnen drie dagen de vijand verdreven en zette men 117 officieren en 2.861 minderen in om het verzet te breken.
 
Op dit moment besloot Van der Heijden alsnog tot een tocht overzee naar Lampanas en Lamtobah, waar uitgeweken Atjehers zich verzameld hadden. 
 
De vallei van Lamtobah was berucht door de kweek aldaar van giftige planten en men vreesde hierdoor dat het drinkwater vergiftigd zou zijn. Kolonel Gerlach, die de colonne aanvoerde, bereikte zonder veel tegenstand te ondervinden, de vallei, waarin Lamtobah en enige andere kampongs gelegen waren. De imam kwam zich bij de colonne-commandant aanmelden.
 
Uiteindelijk leidde een expeditie van Indrapoeri over Gleiëng naar Selimoen, de 13de en 14de augustus, tot de onderwerping van Toekoe Moeda Daoed, hoofd van Selimoen, en van de broer van panglima Polim, Toekoe Ijé Alang. Nu leek de oorlog in Groot-Atjeh eindelijk ten einde gebracht en een groot deel der uitgeweken bevolking keerde in de XXII, voornamelijk in de XXVI, Moekims terug.
 
Op de 5de september 1879 konden alle colonnes worden ontbonden, nadat de 15de augustus weer het hoofdkwartier te Kota Radja gevestigd was. Generaal van der Heijden beschouwde, voor het ogenblik, de oorlog met Atjeh voor beëindigd. Op mars moekims tralalal
 
Commandant van het Nederlands-Indisch leger, generaal Boumeester, die alle posten en stellingen kwam inspecteren, was getroffen door de uitkomsten die ten gevolge van de operaties waren verkregen.
 
Hij roemde het beleid van generaal van der Heijden en verklaarde dat de natie hem (Van der Heijden) grote dank verschuldigd was. Maar gouverneur-generaal Van Lansberge bleek hier geheel anders over te denken.
 
Onder dagtekening van 20 augustus 1879 schreef Van der Heijden aan Van Lansberge:  "De krijgsverrichtingen op grote schaal zijn thans afgelopen en wij komen in de periode dat rust en veiligheid in de nieuw onderworpen streken bewaard zullen moeten worden door eindeloze patrouilleringen, die zo lang moeten duren, totdat de terugkerende bevolking weer aan orde en werkzaamheid gewend en het inlandse bestuur op hechte grondslagen gevestigd zal zijn."
 
Van der Heijden waarschuwde het gouvernement tegen een voorbarige maatregel als gevolg van een te grote zucht naar bezuiniging, die de oorzaak zou kunnen zijn dat alles, wat in de laatste tijd verricht was, weer ongedaan gemaakt zou worden
 
Bij besluit van 18 mei 1880 werd de sterkte der benodigde troepen bepaald op 253 officieren en 6.372 minderen, waarvan 3.131 Europeanen. Inmiddels waren twee gouvernements-commissarissen, generaal van der Heijden en Pruijs van der Hoeven, gewezen resident van Palembang, benoemd als bestuursleden van het gewest Atjeh en Onderhorigheden. Pruishe
 
Naar aanleiding van hun adviezen werden maatregelen getroffen om in dit gewest een normale toestand in het leven te roepen. Al de 10de november vertrok Mr. T.H. der Kinderen naar Atjeh om het rechtswezen daar te organiseren.
 
De bevolking bleef intussen blijken van toenadering geven: de 22ste oktober 1880 kon te Oeleh Leh het eerste Europese handelshuis worden opgericht onder de firma De Lange en Co.
 
Alleen Samalanga kwam weer in verzet: op 30 juni 1880 werd een detachement onder tweede luitenant H.J. Berghuis van Woortman onverwachts overvallen. Van der Heijden zag zich nu gedwongen een expeditie daar naar toe te sturen (onder bevel van majoor W.A. Schmilau), die de 14de juli ter rede van Samalanga aankwam. klappervommern
 
Een aanval op de versterking Batoe Iliq, bij de kampong Aramameh, kostten de troepen 5 doden en 54 gewonden. Van der Heijden kwam te Samalanga aan en trachtte Potjoet Maligoï, de vijandelijke aanvoerder, tot opruiming van Batoe Iliq te bewegen.
 
Toen deze poging niet lukte werd opnieuw tot de aanval overgegaan - die weer werd afgeslagen en waarbij de troepen 19 doden en 56 gewonden verkregen.
 
Van der Heijden moest verder afzien van nieuwe pogingen om de geduchte vijandelijke sterkte te veroveren. Hij liet het aan de artillerie over de sterkte zo veel mogelijk te vernietigen.
 
Aldus werd de vijand door geschutvuur uit zijn stelling verdreven. In een vergadering van de hoofden van Samalanga en enkele vertegenwoordigers van het weerspannige Djanka Boeja wist Van der Heijden de zaak in zoverre te schikken dat verder militair machtsvertoon achterwege kon blijven. Op 10 augustus waren alle troepen weer teruggekeerd naar Kota Radja.
 
Nadat de gouvernements-commissarissen hun voorstellen hadden ingediend vond de 11de september een buitengewone vergadering van de Raad van Nederlands-Indië plaats. De beide commissarissen woonden die bij en tijdens de bijeenkomst besloot men tot invoering van de "normale organisatie".
 
In de maand maart van het volgend jaar werd tot de regeling van het bestuur over Atjeh en Onderhorigheden overgegaan. Dit bestuur zou berusten bij de gouverneur, onder wie 3 assistent-residenten en 10 controleurs zouden worden gesteld. De assistent-residentie Groot Atjeh kreeg als hoofdplaats Kota Radja, die aan de noord -en oostkust Telok Semawé en aan de westkust Malaboeh. Een korps gewapende politiedienaren ter sterkte van 225 man werd opgericht. De districtshoofden zouden door de gouverneur-generaal worden aangesteld.
 
Maar de gouverneur-generaal, die binnen afzienbare tijd zou aftreden, wilde verder gaan. Ondanks dat generaal van der Heijden er nadrukkelijk op gewezen had dat een gezag in Atjeh, in de eerste reeks van jaren, nog moest rusten op de bajonet, achtte Van Lansberge in het begin van 1881 het ogenblik gekomen Nederlandse milijiuoigbhjom gebruik te maken van de al in 1879 verleende Koninklijke Machtiging, tot het benoemen van een civiele gouverneur.
 
Dit was een al eerder gemaakte fout. Het ontijdig splitsen van het gezag, waarvan de nadelige gevolgen steeds niet uit waren gebleven. Luitenant-generaal van der Heijden werd eervol ontheven van zijn functies.
 
Tot civiel gouverneur van Atjeh en onderhorigheden werd met ingang van 6 april 1881 Pruijs van der Hoeven benoemd. Tot militair commandant stelde men J.F. Haus aan en een week later trad gouverneur-generaal van Lansberge af.
 
De ontijdige invoering van het civiele bestuur en de wijze waarop werd over het algemeen ernstig afgekeurd. Was het al een fout het ternauwernood onderworpen land onmiddellijk aan een civiele gouverneur toe te vertrouwen, de wijze waarop Pruijs van der Hoeven dit stelsel doorvoerde, droeg er niet weinig toe bij om al het verworven prestige van het gouvernement te Atjeh te verspelen en de macht van het leger te verlammen.

f t