Pantei Perak

De periode 1876-1877 was het tijdvak na het overlijden van generaal Pel in 1876, waarin te Atjeh een defensieve, afwachtende strategie werd toegepast. Voor de periode die hieraan vooraf ging, zie de Atjeh-oorlog onder generaal Pel. 


Na de dood van generaal Pel nam overste Engel het opperbevel op zich en zette de veldtocht tegen de IX Moekims voort. De dag na zijn aankomst werd naar Silang opgerukt, waar de gehele macht verzameld en de mars naar Kwala Giegien vervolgd werd. De 20ste maart was de versterking aldaar gereed en werd bewapend met twee kanonnen en twee mortieren van 12 cm. Versterking Lampenroet
 
De vestiging hier en op het eiland Kota Pohama, dat bezet was om de communicatie langs de strandweg te verzekeren, had het gevolg dat de troepen de lagune nu geheel beheersten en de naburige bevolking haar onderwerping aanbood. Het operatieplan van generaal Pel was nu geheel uitgevoerd. De tiende maart trad de opvolger van generaal Pel, generaal-majoor Wiggers van Kerchem, als militair, tevens civiel, bevelhebber op.
 
Toen deze het bestuur aanvaardde vond hij dus een aanzienlijk deel van Groot-Atjeh veroverd en bezet. Een groot aantal posten moest het veroverde gebied beschermen maar de communicatie tussen die posten onderling liet nog veel te wensen over, evenals de veiligheid in het hierdoor ingesloten deel van Atjeh.
 
Alleen in de nabijheid van Kota Radja (tegenwoordig Banda Aceh) waren bruikbare wegen aangelegd. Voor het overige had men zich moeten beperken tot de meest noodzakelijke opruimingen en het zo veel mogelijk gelijk maken van de grond.
 
De operaties konden voorlopig niet worden doorgezet en de manschappen beperkten zich noodgedwongen tot het verbeteren van de thans ingenomen stelling. De grens tussen de XXV en XXII moekims werd afgesloten door een postenketen.  Daarbinnen was het de inlandse bevolking verboden wapens te dragen.
 
Bij het aantreden van generaal Wiggers van Kerchem was de toestand nog weinig bevredigend en liet de veiligheid zeer te wensen over. De Atjehers voerden inmiddels een guerrilla-oorlog en in Groot-Atjeh kon nog niet aan onderwerping of zelfs maar aan toenadering van de kant van de vijand worden gedacht. de heer Wiggers van Kerchem GBT
 
Konvooien en patrouilles stonden voortdurend bloot aan onverwachte aanvallen. Wie zich buiten de poorten waagde liep gevaar overvallen en vermoord te worden. De lijken van personen die op een dergelijke manier om het leven waren gebracht vertoonden talloze klewanghouwen of waren verschrikkelijk verminkt.
 
Soldaten die in handen van de vijand vielen werden vaak gruwelijk gemarteld, zodat de manschappen liever zelfmoord pleegden dan in diens handen te vallen.
 
Men vorderde daarnaast zware diensten van de soldaten en ernstige ziekten, doorgaans cholera, maakten talrijke slachtoffers. Op 21 maart werd een transport onder eerste-luitenant W. van Heeckeren van Molecaten bij Atoeh overvallen.  Kkkkampement Lampagger
 
Deze officier werd gewond en vijf manschappen sneuvelden. Omdat de Atjehers vooral de zuidoostkant van de uitgestrekte linie bestookten vond Wiggers van Kerchem het nodig dat daar een hoofdofficier werd aangesteld die hij het bevel over die stelling zou kunnen opdragen. Kolonel van der Heijden (sinds 1 april commandant van de Zuid-Oosterlinie) werd met die taak belast.
 
In de nacht van 2 op 3 mei werd Lampagger overvallen. Op de noorderkant drong de vijand de nog niet goed versterkte post binnen en stormde op de manschappen in.
 
Kapitein J.W.C.C. Hoynck van Papendrecht, luitenant N. van de Roemer en vijf inlandse soldaten sneuvelden; zestien mannen en vijf inlandse vrouwen raakten zwaargewond. Waren hoofden en bevolking van de IV en VI Moekims nog in het geheel niet te vertrouwen, ook in de IX Moekims was de toestand nog steeds gevaarlijk. Daarom werd het besluit genomen dit gebied met colonnes van voldoende sterkte te doorkruisen en van vijanden te zuiveren.
 
Hiertoe werden drie colonnes bestemd, onder de bevelen van majoor Diepenheim, overste Engel en kolonel van der Heijden. De operaties zouden geleid worden door generaal Wiggers van Kerchem zelf, die de eerste colonne zou volgen. Deze actie leidde tot een nieuwe vestiging, Biloel-Zuid, die al dadelijk door de vijand bestookt werd.
 
Omstreeks deze tijd trad Habib Abdoe'r Rahman Alzahier, die eerst pogingen had aangewend om door het Nederlandse gouvernement te worden gebruikt, als leider van de tegenstand in Groot-Atjeh op.  Ffffort en dorp Pedir ten oosten van de hoofdstad Atjeh gelegen
 
Pedir werd steeds aangemerkt als de voornaamste en meest invloedrijke staat van Atjeh en Onderhorigheden. Daarom besloot de Indische regering aldaar een assistent-resident te plaatsen, de heer L. de Scheemaker. Ter bescherming werd aldaar een versterking gebouwd, waarvoor een geschikt punt aan het strand, in contact met de Pedir-rivier, werd uitgekozen.
 
De houding van de Pedirezen was zo vijandig dat majoor van Teijn met een compagnie van het 8ste bataljon naar Pedir gezonden werd. Pas in juli van het jaar 1876 kon het voornemen ten uitvoer worden gebracht om de IV en VI Moekims van vijandelijke bendes te zuiveren en ter bescherming van de goedgezinden een post te Kroeng Raba op te richten. Graf van Diepenheim
 
Twee colonnes van 300 man, onder de majoors Diepenheim en Lubeck, werden voor dit doel aangewezen. Aan de opdracht werd voldaan en de bouw van de post niet belemmerd. Toch zag men diezelfde maand, op de 14de en de 28ste, weer patrouilles overvallen worden.
 
De eerste september rukten drie colonnes onder majoor Ruempol, Burgers en Jeltes van Kota Radja uit naar Ulee Kareung. Overste Van Bennekom had het algemene bevel, terwijl generaal Wiggers van Kerchem met de chef van de staf de verdere operaties zou leiden. Ondanks dat de vijand hardnekkig tegenstand bood werden Tonga en Lamnyong bereikt. Die dag sneuvelden zeven manschappen en werden drie officieren  (waaronder kapitein Hamakers) en 42 minderen gewond.
 
Op de 26ste september bleek de vijand overal verslagen, wist men 22 vuurmonden te veroveren en bij Kajhu een post te bouwen, waarna overste Ruempol met zijn manschappen weer naar Kota Radja terug kon keren.
 
Omdat Wiggers van Kerchem de staatkundige inzichten van de Indische regering niet bleek te delen werd hij de zesde november eervol van zijn functies ontheven en vervangen door generaal-majoor Diemont. Men ging nu over tot de onderwerping van Tanjung Seumantoh (onder leiding van kapitein Schoggers) en Simpang Olim, op de oostkust van Sumatra, die nog steeds vijandig gezind waren. Aan het einde van 1876 was de Nederlandse positie in Atjeh eindelijk weer wat veiliger geworden.
 
Op de 25ste januari 1877 rukten eenheden uit om de kuststreek van Kuala Gigieng tot Kuala Lue in handen te krijgen (het laatste gedeelte van het plan van generaal Pel, dat nog niet uitgevoerd was).  Lamnga werd zonder tegenstand bezet, waardoor de vijand belet werd langs het strand van Pedir naar Kuala Lue en verder, naar de XXII Moekims, te gaan. Nu het strategisch plan van generaal Pel geheel uitgevoerd was moest door de autoriteiten overwogen worden welke gedragslijn men verder ging volgen.Gezicht op de oostkant van de Mesigit besar
 
Hiertoe bracht gouverneur-generaal van Lansberge een bezoek aan Atjeh. Een aantal radja's en hoofden kwamen te Kota Radja om de landvoogd hulde te bewijzen. In een toespraak werden zij aangespoord om mee te werken aan een vredelievende vestiging van het Nederlandse gezag en kregen zij de toezegging dat een wederopbouw van de mesigit plaats zou gaan vinden.
 
Daarnaast werden er akten van erkenning uitgereikt aan de hoofden van de kuststaten (die deze nog niet ontvangen hadden), namelijk Simpang Olim en Kluang; Rigaih, Teunom, Teluk Kruet en Sabee.
 
Verder regelden de autoriteiten het inlandse bestuur in de XXV Moekims. Begin 1877 bedroeg de sterkte van het bezettingsleger 351 officieren en 9.235 minderen. Deze strijdmacht kon niet worden verminderd omdat de kuststaten, vooral Samalangan, de kracht van de Nederlandse wapens nog moesten voelen. Eerder zouden onderwerping mijlenver verwijderd blijven. 
 
Daarbaast werd besloten tot de bouw van een groot militair hospitaal te Pante Perak, waar 2.000 zieken konden worden verpleegd. Inmiddels was in de maand april 1877 Analaboe bezet en een tocht ondernomen naar Lhoong, Baba Awe en No, aan de zuidkust, die allen in onderwerping kwamen. Generaal-majoor Diemont moest wegens ziekte op 30 juni het bevel overgeven aan kolonel van der Heijden, die, in afwachting van een formele regeling, optrad als waarnemend militair en civiel gouverneur in Atjeh.
f t