Atjeh onder Pel
 

De Atjeh-oorlog: onder leiding van kolonel Pel (1874-1876) was het vervolg op de tweede expeditie naar Atjeh van het Koninklijke Nederlands-Indisch leger.
 
Inhoud

Generaal van Swieten droeg het opperbevel van de troepen te Atjeh in april 1874 over aan kolonel Pel, met de instructie om voort te gaan op de ingeslagen weg, nu de Kraton in het bezit van de Nederlandse troepen was. Vredesgezinde bevolking De strategie van Van Swieten was om hoofden en bevolking, bij voorkeur langs minnelijke weg, tot onderwerping te brengen. Naar het stelsel van Van Swieten moest de verdediging passief blijven; men diende de vijand niet op te zoeken in zijn goed aangelegde en verdedigde stellingen, zolang ze de Nederlandse troepen niet hinderden.
 
Ten tijde van het vertrek van de hoofdmacht waren alleen de kraton, de mesigit en enkele posten, waaronder Penajoeng, in Nederlandse handen. De bevolking zelf stond buitengewoon vijandig tegenover de Nederlandse troepen. Van Swieten had, in volkomen tegenspraak hiermee, in een telegram aan de regering gemeld dat de strijd afgelopen en de Atjehers volkomen overwonnen waren. Wat daar van waar was laat de volgende tekst zien.  
 
De troepen die achterbleven, na het vertrek van de hoofdmacht, waren: 
  • vijf halve bataljons infanterie: het rechterhalf 2de onder majoor M.A.E. Phaff, het rechterhalf 3de onder luitenant-kolonel Wiegand, het linkerhalf 3de onder majoor F.B.A. Grooss, het rechterhalf 9de onder majoor C.J. Knoote en het linkerhalf 9de onder majoor Romswinckel;
  • onder majoor van Zijll de Jong, de 6de compagnie artillerie met 6 korte bronzen kanonnen van 12 cm., 6 zware getrokken bronzen kanonnen van 8 cm., 12 gladde ijzeren kanonnen van 9 cm., 2 mitrailleuses en 4 bronzen mortieren van 20 cm;
  • de derde compagnie berggeschut, met 6 lichte bronzen getrokken kanonnen van 8 cm., 6 mortieren van 12 cm. en 60 paarden;
  • 5 genie-officieren met 109 onderofficieren en manschappen onder majoor der genie W.J. Leers;
  • de nodige intendance;
  • de geneeskundige dienst, personeel voor militaire verkenningen en de ordonnance-dienst.

Deze troepen bestonden uit 128 officieren, 1.788 Europese onderofficieren en minderen, 176 Afrikanen (ook wel Orang Blanda Itam genoemd), 489 Ambonezen en 698 inlanders; op Poeloe Bras bevond zich nog een detachement van het Korps Mariniers voor de bouw van de Willemstoren. Met deze macht diende kolonel Pel zijn opdracht uit te voeren.

De Kraton, die als hoofdkwartier moest dienen, zou een slechte keuze blijken te zijn.  Kolonel Pel kon echter niet anders doen dan zich volgens plan terug te trekken in een afwachtingsgebied, met de kraton (thans Kota Radja genoemd) als hoofdkwartier, vanuit de gedachte dat de kraton het centrum van de Nederlandse macht was. Zicht op de noordkant van de Kraton Om aan alle tactische eisen te voldoen was de kraton (een redoute) echter een onmogelijk te verdedigen object.
 
Bovendien had het bouwwerk geen enkele strategische waarde voor Nederlandse troepen. Deze politiek, de macht gecentreerd rondom de kraton, zou later bekend komen te staan als de Benteng Politiek. 
 
Een belangrijke voorwaarde voor een vesting, wat de kraton volgens de politiek van Van Swieten was, is dat deze te allen tijde gemeenschap met de rede zou moeten bezitten.  
 
Er bestonden nu twee mogelijkheden voor contact met dit strand, namelijk: 
 
1. Vanuit de kraton via de Kroeeng Daroe of de Atjeh-rivier.  De marine wees er nadrukkelijk en bij herhaling op dat de monding van de Atjeh-rivier in zee gedurende bepaalde perioden van het jaar onbevaarbaar zou zijn door de sterke branding en verschuivende zandbanken. Verder kon de rivier tijdens de zware moesson gevaarlijk worden qua overstromingen. Kaart van de Kraton
 
Een andere vereiste wat betreft de veligheid van het contact met de rede was dat de rechteroever vanaf Kota Radja volledig in Nederlandse handen zou moeten zijn. Ter verdediging van deze rechteroever, de zogenaamde Oosterlinie, werd de Pedirdijk aangewezen.
 
2. De tweede mogelijkheid tot contact met de rede was over land, via de zogenaamde Sultansweg. Voor deze route was het nodig om een post te bezitten te Oleh Leh. Om de weg daar naar toe te beschermen werd in grote haast de Westerlinie aangelegd. Met de moesson in mei op komst was het snel veiligstellen van deze route van levensbelang voor de Nederlandse vestiging in Atjeh.
 
De kraton was een dermate ongezond verblijf dat het leger steeds verder "wegsmolt" door allerlei ziektes, die bevorderd werden door overstromingen. Het bouwwerk bestond voornamelijk uit een oud kerkhof, waarvan de graven na een vloed aan het oppervlak kwamen, er hierdoor wekenlang een lijkenlucht hing en de gezondheid van de troepen aldus steeds slechter werd. Ambulance in het bivak Penajoeng
 
Generaal van Swieten had een zeer slechte erfenis nagelaten. Dag in dag uit werden de troepen getart door de door de generaal overwonnen geachtte Atjehers. 's Nachts liep men bovendien gevaar overrompeld en uitgemoord te worden, in de onveilige, aan twee zijden dicht begroeide kraton.
 
Terwijl Van Swieten als held werd binnengehaald in Batavia was binnen een maand na zijn vertrek van de totale Nederlandse troepenmacht bijna 50% uitgeschakeld (ziek, gesneuveld of gewond). De sterfte onder de troepen was buitengewoon groot en met de dwangarbeiders was het nog veel slechter gesteld. Sommige compagnieën konden geen 30 man meer onder de wapenen brengen van de 125 man organieke sterkte.
 
In zijn rapporten aan de regering verbloemde kolonel Pel de zorgwekkende situatie in Atjeh niet. Met klem drong hij aan op spoedige toezending van versterkings- en aanvullingstroepen, en ook van geschut met het benodige personeel en munitie. Op 25 november 1874 begon de genie met het boren van een artesische waterput. Dat werk was dringend nodig, want er bestond in het hoofdkwartier grote  behoefte aan zuiver drinkwater. De gezondheidstoestand was eind november 1874 nog steeds niet verbeterd. 
Officieren in bezetting te Kota Radja
 
Meer dan 700 zieken en gewonden werden in de laatste dagen van november 1874 in de ambulances verpleegd. 11 officieren en bijna 200 manschappen zouden op 8 en 9 december 1874 naar Java geëvacueerd worden aan boord van de 3 stoomschepen, waarmee het 5e en het 10e bataljon infanterie gekomen waren, waardoor de ambulance weer wat meer lucht kreeg.
 
In februari 1875 was de gezondheidstoestand nog steeds buitengewoon slecht. Allerlei ziekten, waaronder voornamelijk cholera, hielden op vreselijke wijze onder de troepen en koelies huis, niet alleen te Kota Radja maar ook op de posten. Cornelis de Mooy radar
 
Alleen al in de ambulances te Kota Radja stierven die maand bijna 500 mensen, waaronder ongeveer 270 militairen. Het gemiddelde lag op 15 à 18 per dag, maar er waren perioden waarop het sterftecijfer tot zelfs 30 per dag klom.
 
Het 5e bataljon infanterie, dat op 9 december 1874 met 500 man (voornamelijk Europeanen) vanuit Java was aangekomen, kon half februari 1875 nog slechts 100 bruikbare soldaten op de been brengen.
 
De toestand was zo onrustbarend dat men krachtige maatregelen moest nemen om de ondergang van het gehele Indische leger te voorkomen. Het hoofdkwartier in de kraton leek op dit tijdstip meer op een grote ziekeninrichting, de kans op besmetting was groot en het moreel van de troepen onder het diepste niveau. Voortdurend zag men lijken, gewikkeld in een sprei en door middel van een op wielen geplaatste brancard, naar het kerkhof te Kota Podjoet afgevoerd worden.
 
Een eerste belangrijke stap die gezet werd was daarom het overbrengen van de ambulances naar de rechteroever van de Atjeh-rivier, op de grasvlakte van Pantej Perak, aan de zuidzijde van Penajoeng, waar een uitstekende gelegenheid tot bouwen bestond.
 
Aanvankelijk zette kolonel Pel de politiek voort die zijn voorganger, generaal Van Swieten, hem opgedragen had. Die was afwachten tot de Atjehers hun onderwerping vrijwillig kwamen aanbieden. Dat de werkelijkheid anders lag voor de Atjehers en dat de strijd pas begonnen was, bleek toen in de nacht van 26 op 27 april 1874 de Atjehers massaal Marassa, het grondgebied van de enige bondgenoot van de Nederlanders, Toekoe Nek, aanvielen. Toekoe Nek en zijn volgelingen
 
Dat was om, met de moesson op komst, de weg naar de rede af te snijden en de verraders (Toekoe Nek en zijn volk) te straffen. De Marassanen zelf wisten de aanval op het nippertje af te slaan. Twee compagnieën Afrikanen van het linker half 2e bataljon infanterie, gelegerd in Kampong Djawa, werden direct naar Marassa en Lam Permeij gezonden om de bondgenoot van de Nederlanders te beschermen.
 
Door die aanval werd pijnlijk duidelijk hoe kwetsbaar de Nederlandse troepen waren en dat de Atjehers fanatieke en energieke tegenstanders waren die een “perang sabil” of “Djihad” (heilige oorlog) hadden afgekondigd tegen de Nederlandse “Kaffirs” (heidenen).
 
Al vanaf de eerste nacht dat de expeditionaire troepen de rede verlaten hadden werd de kraton, bij herhaling, door de vijand gealarmeerd en moest de gehele bezetting onder de wapens komen. Op verschillende plaatsen in de omtrek blies men op karbouwen hoorns of sloeg de vijand op gongs.
 
Ondertussen begonnen de Atjehers in de dagen die daarop volgden de kraton meer en meer te naderen en vlogen de kogels iedere dag door de binnenruimte. Men kon de tegenstanders vaak niet zien, maar wel horen. ZKruitmagazijn en woning van de sultan in de Kratono was een veel gebruikte tactiek van de Atjehers om vooral ’s nachts de manschappen wakker te houden door geluid met gongs en hoorns te maken.
 
Kolonel Pel besefte dat het zo niet langer door kon gaan en dat de kraton middels posten beschermd moest worden. Helaas kon hij bij gebrek aan mobiele troepen weinig doen dan eerst te wachten op versterking.
 
In mei 1875 was de linie van Pel (een rij beschermende posten) eindelijk voor een deel gereed. Het Nederlandse hoofdkwartier in de kraton te Kota Radja zou nu redelijk veilig zijn. Vanuit het zuiden was de kraton nog steeds zeer kwetsbaar door het gebrek aan een verdedigingswal.
 
Besloten werd om het dicht begroeide terrein rondom de kraton op te ruimen en de kraton op een afstand van 1200 tot 1500 passen te omringen met een nieuwe beschermende rij posten of buitenwerken (Zuider Linie), die de vijand op veilige afstand kon houden. De Zuiderlinie moest vervolgens aansluiten bij de Wester- en Oosterlinie om zo het gehele gebied af te sluiten.
 
Pas na aankomst van nieuwe troepen was Pel echter in staat het contact met de rede te herstellen en te Oele Leh een (improvisorisch) brughoofd aan te leggen. Hij werd door de omstandigheden verder gedwongen een reeks van versterkingen aan te leggen en middels felle gevechten, waarbij veel KNIL soldaten sneuvelden, vijandelijke bentengs uit te schakelen.
 
Nat het beschikbaar komen van voldoende troepen werd in de loop van 1874 en eerste helft van 1875 gewerkt aan de aanleg en versterking van de linie rondom Koeta Radja, die de “Linie van Pel” zou gaan heten. Felle gevechten Op 11 juni 1874 arriveerde het Stoomschip Baron Sloet van de Beele met 400 man versterking en op 12 juni ankerde ook de stomer Prins Alexander met een paar honderd man aanvullingstroepen ter rede van Oleh Leh.
 
Nu konden eindelijk de voorraden worden aangevuld, waardoor Pel wat meer armslag kreeg voor het realiseren van de afsluitingslinie. Op 30 juni 1874 arriveerde opnieuw 100 man aanvulling van Java, ter vervanging van de vele zieken en gewonden.
 
Op 21 augustus 1874 kwam een voltallige compagnie van het 6e bataljon infanterie uit Padang, op 11 september 1874 gevolgd door nog eens twee cie en de staf van het 6e bataljon infanterie op de rede van Atjeh aan. De 22ste september 1874 werd een tweede compagnie Vesting Artillerie opgericht.
 
Begin oktober 1874 verwelkomde Pel de ontbrekende cie van het 6e bataljon infanterie uit Padang, die samen met een compagnie van het Korps Mariniers, dat al sinds 6 maanden te Padang Pandjang (Westkust van Sumatra) in garnizoen gelegen had, arriveerden. Deze troepen kwamen goed van pas want het oprichten van de drie posten te Langkroek eind september 1874 had de vraag naar extra manschappen vergroot.
 
Bovendien werden op dit moment meer dan 600 zieken in de ambulance te Kota Radja verpleegd. Het aantal bentengs stond vooraf niet altijd vast: de kunst was om maximaal effect te bereiken met een minimaal aantal posten, mede gelet op de beperkte troepenmiddelen. Zodoende ontstonden er posten maar werden er ook weer posten opgeheven als ze geen nut meer bezaten.
 
De bentengs werden aanvankelijk onder bijzonder zware (weers)omstandigheden aangelegd. Zo liep de hele vallei van de Atjeh rivier in december 1874 onder water als gevolg van de zware moesson regenval. Bij vrijwel iedere benteng moesten daarnaast voor aanvang van de werkzaamheden zeer felle gevechten met fanatieke Atjehers worden geleverd;
 

  • Gebied van Marassa
  • Merdoewati
  • Lampasej
  • Kampong Djawa
  • Kwala Atjeh
  • Oosterlinie (Hoofdtaak: beheersing van de Atjeh Rivier) 

  • Marine Benteng
  • Penajoeng
  • Verovering van Lam Poeloe, opgericht 20 juni 1874 onder andere majoor der infanterie J.G. Scharp
  • Garouw, opgericht 28 juni 1874 door majoor der infanterie J.H. Romswinkel.
  • Kota Radja Bedil, opgericht 28 juni 1874 door majoor der infanterie J.H. Romswinkel.
  • Lam Ara, opgericht 28 juni 1874 door majoor der infanterie J.H. Romswinkel.
  • Lam Ara zuid-oost, opgericht 28 juni 1874 door majoor der infanterie J.H. Romswinkel.
  • Lam Ara noord-oost, opgericht 28 juni 1874 door majoor der infanterie J.H. Romswinkel.
  • Kota Moesapi, opgericht 17 februari 1875.
  • Tiban
  • Langkroek, opgericht 28 september 1874.
  • Lemboe-Zuid (Rivier Benteng), opgericht 7 november 1874 door luitenant-kolonel der infanterie Diepenbroek.
  • Lemboe-NO (10-03-1875 naar het oosten verplaatst), opgericht 7 november 1874
  • Berauw, opgericht 7 november 1874
  • Verovering van Kota Alam, opgericht 13 november 1874 door luitenant–kolonel der infanterie M.C.E. Ruempol.
  • Lampriet, opgericht 4 februari 1875.
  • Nieuw Lemboe NO, opgericht 10 maart 1875 (Lemboe NO opgeheven) door majoor der infanterie de Bruin.
  • Lemboe-Oost, opgericht 12 maart 1875 door de majoor der infanterie J.H. Romswinkel.
  • Zuiderlinie (Hoofdtaak: bescherming van de kwetsbare zijde van de Kraton) 

  • Pakan Atjeh.
  • Oprichting van de Ooster-Benteng, opgericht 17 augustus 1874 door kapitein der infanterie van Randwijk.
  • Lampoe Oek, opgericht 31 december 1874.
  • Longbatta Missigit, opgericht 31 december 1874.
  • Longbatta.
  • Mandarsa Poeti, opgericht 28 januari 1875 door majoor der infanterie van der Meer.
  • Lam Ara (Oleij-loe) (per toeval), opgericht 15 februari 1875 door de 1e luitenant der infanterie E.G.T. von Ende.
  • Lohong NO, opgericht april 1875.
  • Lohong ZO, idem.
  • Lohong ZW, idem.
  • Pendetti.
  • Westerlinie (Hoofdtaak: beheersing van de weg en het Atjeh Spoor tussen de Kraton en de reede te Oleh Leh). 

  • Blang Oë (Linie hoofdkwartier)
  • Soerian, opgericht 26 juli 1874 door majoor der infanterie M.A.E. Phaff
  • Poe Oe, opgericht 16 augustus 1874
  • Poengej Blang Tjoet, opgericht 23 januari 1875
  • Oleh Leh (incl. Seinpost)
  • Sinanggei
  • Lamteboe, opgericht 2 mei 1875
  • Setoe Zuid, idem
  • Gitjiel, idem
  • Bital 

Naar gelang de stelling zich begin 1875 verder uitbreidde, werd het aantal posten dat het recht van bestaan verloren had groter.  Toch besloot Pel om de posten niet direct te ontmantelen ondanks de grote druk die dit gaf op de beschikbare mobiele troepenmacht. Onder de posten die sedert kortere of langere tijd hun recht van bestaan verloren hadden behoorden: 
 
  • Merdoewati (K.Loeng) Benting Penajoeng westerkant
  • Lampasej en Kampong Djawa in het Marassa gebied
  • Verder oostwaarts van de rivier de posten Marine Benteng, Penajoeng, Kota Radja Bedil, Lamara-West, Lamgkroek-West, Lemboe-Noord en de zogenaamde Rivier-Benteng (Lemboe-Zuid).
  • Ook in de Zuider- en Wester linie waren nog enige posten die hun betekenis verloren hadden en toch bezet bleven, zoals Pendetti, Blang Tjoet, de Ooster-Benteng, Lampoe Oek en Mandarsa Poeti.
In het begin van mei 1875, een zwaar jaar na de aanvang van de strijd, was de geplande aansluiting tussen de posten van de Zuider- en Westerlinie verkregen en bezat het KNIL een linie die liep via Blang Tjoet, aan de linker oever van de Atjeh-rivier, westwaarts over Longbatta Mesigit, Lohong, Lamara, Gitjiel, Setoe, Lamteboe, Poengej Blang Tjoet, Poe Oe, Soerian en Blang Oe tot aan het zeestrand te Oleh Leh.
 
De stelling van Kota Radja was nu aan alle zijden beschermd door een keten van forten; het contact met de zee werd, ook langs de Atjeh-river, redelijk verzekerd; het voormalige sultansgebied was in Nederlandse handen, alsmede Marassa, Longbatta en een deel van de III Moekims.
 
Nu waren het landschap Marassa en verschillende punten aan de rechteroever van de Atjeh-rivier alsmede enige posten ten zuiden en zuidwesten van de hoofdplaats (de kraton, nu Kota Radja genoemd) in Nederlands bezit. Men begon vervolgens aan de bouw van een zeehoofd te Oeleh Leh en de aanleg van een spoorlijn tussen Kota Radja en Oeleh Leh. Daarnaast werd een aanvang gemaakt met het oprichten van een vuurtoren (de Willemstoren) te Poeloe Bras. Kota Goenoengan of Potjoed
 
In Groot-Atjeh was intussen geen spoor van toenadering te bekennen.  Met de vijand werd op 20 juni 1874 een hardnekkig gevecht gevoerd om een aantal punten, die door de Nederlandse troepen bezet moesten worden om de vrije vaart op de Atjeh-rivier te behouden. De Atjehers, naar schatting 3.000 Pedirezen,  namen een stelling in bij de kampongrand van Lampoeloe en in de dichtbegroeide rand van het oude bivak te Penajoeng. 
 
Longbatta was hevig versterkt en het hoofd daarvan dacht geen moment aan onderwerping. Aanhoudende regens en overstromingen beletten de troepen offensief op te treden terwijl ook versterking van diezelfde troepen hard nodig was. Pas op de laatste dag van 1874 kon tot de aanval op Longbatta worden overgegaan.
 
Kolonel Pel nam zelf de algemene leiding op zich; met het eigenlijke commando werd overste Wiegand (tweede commandant en chef van de staf) belast. Er zou in twee colonnes worden geageerd; het rechterhalf vijfde zou Longbatta in front aanvallen, het andere bataljon had de opdracht gekregen een omtrekkende beweging maken. Echter al bij het aannemen van de gevechts-formatie werden de Nederlandse troepen ontdekt en beschoten; twee bentings, tussen Kota Radja en Lampoe Oek gelegen, konden desalniettemin stormenderhand worden veroverd.
 
Nu pas kreeg de gehele colonne de gelegenheid naar het oosten op te rukken. In kampong Lampoe Oek werden geen vijanden aangetroffen maar het terrein leverde wel grote moeilijkheden op; men kon niet in verbinding treden met de andere colonne en keerde terug naar de bentings die 's morgens genomen waren.  Overzichtskaart
 
Intussen waren twee compagnieën van het rechterhalf 3de bataljon naar het zuiden, naar kampong Atoeh, gemarcheerd, om de beweging van de eerste colonne te steunen. Door het dichtbegroeide terrein kwamen zij echter niet in aanraking met het rechterhalf 5de, terwijl ook haar signalen verkeerd begrepen werden.
 
De derde colonne was doorgedrongen tot op een grote sawah, door de kampongs Longbatta, Blang Tjoet en Lohong ingesloten. De vijand had in de kampongrand drie versterkingen aangelegd, die werden veroverd,, evenals de mesigit. De colonne-commandant rukte nu met twee compagnieën naar Kampong Loöng op. Deze benting lag tussen Lohong en de Mesigit Longbatta.
 
Door een misverstand werd er geen bezetting achtergelaten in de pas veroverde benting en evenmin in de mesigit. Op het moment dat de troepen uit Loöng terugtrokken volgden zij een galangan, die hen door een aantal modderpoelen voerden.
 
De Atjehers drongen nu zo dicht op dat de terugtocht ontaardde in een verwarde vlucht, van de KNIL-soldaten, waarbij het niet meer mogelijk was de doden of gewonden mee te voeren. Meerdere soldaten pleegden zelfmoord om niet in handen van de vijand te vallen.  
 
Herhaaldelijk deden de Atjehers klewangaanvallen en zodoende kostte deze terugtocht de Nederlandse troepen 42 doden en gewonden. Een compagnie van het rechterhalf 3de bataljon werd van Kota Radja gezonden om de veroverde stelling bij Longbatta-Mesigit te bezetten en de gehavende colonne keerde uiteindelijk, van alle kanten beschoten, terug naar Pakan Atjeh.
 
In de hoofdvestiging liet de toestand aan het begin van het jaar 1875 nog veel te wensen over; er was gebrek aan goed drinkwater, het veldhospitaal moest meer zieken opnemen dan waarvoor de ziekenzalen bestemd waren, zodat veel militairen, die met andere kwalen werden opgenomen, overleden aan cholera of dysenterie. Ziekensloep
 
Tussen 11 en 28 februari 1875 stierven 167 manschappen aan cholera, niet minder dan 141 daarvan waren oorspronkelijk met andere ziekten opgenomen. De koele nachten, de vochtige dampkring en de zware diensten droegen ertoe bij dat de gezondheidstoestand zo slecht was geworden terwijl de vele sterfgevallen ongunstig werkten op het geestelijk weerstandsvermogen van de soldaat.
 
Te Atjeh waren intussen en ondanks de ziekten alle linies verbeterd en was aldus het veroverde gebied verder afgesloten. De stelling van Kota Radja werd nu aan alle zijden beschermd door een keten van forten; het contact met de zee was, ook langs de Atjeh-river, redelijk verzekerd; het voormalige sultansgebied was in Nederlandse handen, alsmede Marassa, Longbatta en een deel van de III Moekims. De 23ste juli 1875 werd bovendien de Willemstoren op Poeloe Bras ingewijd.
 
Generaal-majoor Pel verkreeg drie maanden verlof om zijn gezondheid te doen herstellen in Buitenzorg en zijn positie werd tijdens diens afwezigheid waargenomen door kolonel Wiggers van Kerchem (8 juni 1875). 
 
Generaal Pel was afgeweken van het stelsel-van Van Swieten, dat zich wilde beperken tot een passieve verdediging van alleen de hoofdstelling, de kraton. Deze stelling was door zijn opvolger nu beveiligd door een bijna aaneengeschakelde kring van posten. Officierskampement aan de Atjeh rivier
 
De verkregen resultaten konden, ondanks behaalde overwinningen en de uitbreiding van de Nederlandse stelling in vijandelijk gebied, nog steeds niet een overwinning heten. Een afwachtende houding kwam generaal Pel dan ook niet geraden voor tegenover een hardnekkige vijand, die zich alleen met de uiterste inspanning liet terugdrijven.
 
Generaal Pel was dus van plan om,  zodra het mogelijk was, de operaties te hervatten en over te gaan tot het bezetten van de lijn Kroeng Raba, aan de westkust tot Kroeng Raja, aan de noordkust, om de vijand naar het binnenland terug te dringen en zijn communicatie met de zee en de kuststaten af te snijden. Op deze manier dacht hij het volk te isoleren en te dwingen zich te onderwerpen; het ingesloten gebied zou dan onder het rechtstreekse bestuur van het Nederlandse gouvernement komen te staan.
 
In de maand november 1875 keerde Pel terug naar Atjeh. In de houding van de vijand was gedurende zijn afwezigheid geen enkele verandering gekomen. Longbatta-Mesigit en Lamteboe werden aanhoudend beschoten, de Atjehers hadden nieuwe versterkingen aangelegd en waren van plan om een aanval op Oeleh Leh te verrichten.
 
Een krachtig offensief optreden was echter niet mogelijk in verband met de beschikbare troepenmacht. De vijand trachtte nu zelfs de Nederlandse posten door veldwerken te omringen. In de nacht van 21 op 22 november wist hij de versterking te Longbatta binnen te dringen en de manschappen aldaar te overvallen.
 
Deze aanval kostte de troepen 13 gewonden. Pas de 26ste december kon weer offensief opgetreden worden omdat intussen het bataljon Barisan, onder bevel van overste Engel, en kort daarna het 8ste bataljon, onder majoor van Teijn, te Atjeh waren aangekomen. Mesigit in kampong Djawa 2
 
Generaal Pel ontving een nieuwe instructie, in acht te nemen bij een krachtige hervatting van de militaire operaties in Groot Atjeh.  In artikel 1 daarvan stond voorgeschreven: 
 
"Het eerste doel waarna gestreefd moet worden is de verovering dan wel onderwerping van de VI Moekims - het zogenaamde gebied van Toekoe Nanta - in de sagi XXV Moekims. Indien, na de val der VI Moekims, het district der IV Moekims niet vrijwillig in onderwerping komt moet ook dit veroverd en Kroeng Raba bezet worden.
 
Daarna moeten de IX Moekims, voor zover die nog niet veroverd mochten zijn, in bezit worden genomen; een en ander teneinde de verbinding tussen het bevriende staatje Kloewang aan de westkust en de Nederlandse vestigingen in Groot-Atjeh te verkrijgen en het contact van de vijand met de aan de westkust gelegen staatjes, zowel ter land als ter zee, af te snijden.
 
Er mogen geen pogingen worden aangewend tot verdere uitbreiding langs de westkust maar voorlopig dient men er toe over te gaan het gebied ten oosten van de Atjeh-rivier tot aan de zee van vijanden te zuiveren. Te beginnen met Kwala Gigien zal daarna Kwala Loë en tenslotte Kroeng Raja, dat voorlopig de uiterste oostelijke post aan zee moet blijven, in bezit worden genomen."
 
De VI Moekims waren dus het doel van de eerste operaties; te Mibouw en te Ketapan Doewa zouden versterkingen worden aangelegd; de door Pel aangewezen troepen werden verdeeld in drie colonnes. Moeilijke momenten te Lamsajoeng Mibouw en de versterkingen ten zuiden van van Gitjiel Olejlo werden veroverd (waarbij eerste luitenant von Ende sneuvelde); majoor Mekern werd tijdens de gevechten dodelijk getroffen; te Mibouw werden niet twee - zoals aanvankelijk in de bedoeling lag - maar, om in de rug gedekt te zijn - drie posten opgericht.
 
De volgende dag werd kampong Ketapan Doewa door majoor Van Teijn bezet. De 27ste en de 28ste december bezette men het zuidelijke deel van kampong Penjarat. Luitenant-kolonel Meijer veroverde de 29ste december Djempit en de mesigit.
 
Aan het einde van het jaar 1875 waren de troepen, na een veldtocht van zes dagen, meester van de VI Moekims en was de vijandelijke linie tegenover de Nederlandse stelling ten zuiden van Kota Radja doorgebroken. In de nieuwjaarsnacht deed de vijand een aanval op het bivak maar werd op de vlucht gedreven;
 
Pel besloot nu vanuit Blang Kala op te rukken en na het oprichten van diverse posten werd overgegaan tot de operaties in de IV Moekims, waarheen Toekoe Nanta en zijn volgelingen waren teruggetrokken. Men moest nu de kloof van Blang Kala forceren; de vlakte van de IV Moekims werd na diverse scherpe gevechten bereikt en op 18 januari 1876 Kroeng Raba bezet. De IV Moekims waren nu onderworpen en al vlak na die overwinning, behaald in de kloof van Blang Kala, kwamen  de hoofden vrijwillig in onderwerping. Monument voor gevallenen
 
Op de 28ste januari startte de veldtocht tegen de IX Moekims; met drie colonnes werd geageerd tegen Boekit Daroe en Boekit Terin; beide kampongs werden veroverd.
 
De 31ste vielen de troepen Mesigit Oeleh-soesoe aan en kreeg men ook Atoeh en Mesigit Biloelin bezit. De 4de februari werd in noordelijke richting voortgerukt naar Lamsajoeng, teneinde in contact te komen met de oosterlinie en drongen de manschappen door tot de linie van Pagger Ajer, die door de Atjehers ontruimd was.
 
Nu diende het terrein ten oosten van de Atjeh-rivier nog op de vijand veroverd te worden, waarna het plan, door generaal Pel ontworpen, geheel zou zijn uitgevoerd.
 
Op de 13de februari maakte men eem begin met de tocht naar Kwala Gigien en, naar gelang de omstandigheden, verder naar Kroeng Radja, dat de uiterste oostelijke post aan zee zou worden. Gedurende deze tocht werden weer hevige gevechten geleverd. Swieten JME van In de nacht van 23 op 24 januari beraamde de vijand een aanval op Lemboe noordoost; deze overvalling kostte het leven aan eerste luitenant W.D.C. Regensburg, twee minderen en er vielen 22 gewonden.
 
De 8ste februari vond de ramp te Atoeh plaats: het transport onder kapitein J.M.E. van Swieten (2 officieren en 60 minderen) werd overvallen bij Atoeh; van de 47 gewapende mannen, die niet tegen 300 met klewang bewapende Atjehers opgewassen waren, werd het merendeel afgemaakt. Met slechts 13 man wist luitenant J. Bosman Atoeh te breiken maar hij stierf nog diezelfde nacht aan een cholera-aanval.
 
Inmiddels werd de tocht naar Kwala Gigien voortgezet: de troepen maakten zich meester van Meroe, waarna de versterkte kampong Lampermej kon worden genomen. De volgende dag zette men de overwinningen voort door de inname van Tjapoetoe.  Bij de verovering van deze laatste stelling vielen aan de Nederlandse kant 1 dode en 21 gewonden, maar de tocht voldeed aan de verwachtingen en de troepen keerden nu terug naar Lampermej.
 
De activiteiten in deze periode kunnen als volgt worden samengevat;

  • Moekims VI (zogenaamde 7 Daagse Veldtocht) 

  • Mibouw O/Z, 26 december 1875 veroverd olv Majoor Vetter en gestart met de bouw van 3 posten.
  • Kampong Penjarat, 27 & 28 december zuidelijk deel van de kampong bezet.
  • Kotapang Doea, 27 december 1875 veroverd olv van Majoor Van Teyn en gestart met een post
  • Pakan Badak, 31 december 1875 bezet.
  • Lampager
  • Moekims IV - Kr. Raba, (5 – 25 januari 1876)
  • Kroëng Raba, 18 januari 1876 bezet, in juli 1876 gestart met de bouw van een permanente post.
  • Boekit Seboen, 24 januari 1876 bezet.
  • Moekims IX (Aanvang 28 januari 1876)
  • Boekit Daroeh, 28 januari 1876 veroverd
  • Djempit, 29 december 1875 veroverd olv Luit-Kolonel Meijer
  • Moekims XXII - Zuiderlinie (De onderstaande posten lagen langs de weg Kota Radja – Biloel, met Biloel als eindpunt).
  • Atoeh / Atoeh Noord, 3 februari 1876 veroverd. Op 13 feb 1876 vond hier een ramp plaats.
  • Biloel / Biloel Zuid, 3 februari 1876 opgericht.
  • Kajoe-loh, 14 februari 1876 bezet en gestart met de aanleg van een post.
  • Lam Baroe, 7 maart 1876 veroverd en gestart met de aanleg van een post.
  • Moekims III - Oosterlinie (Aanvang tocht naar Kwala Gigieng op 13 februari 1876)
  • Pango (Atjeh Rivier), 13 februari 1876 veroverd en een post opgericht.
  • Pagger Ajer, idem
  • Meroe, 14 & 15 februari 1876 veroverd na hevige tegenstand.
  • Lam Permeij, idem
  • Tjap Oetoe, idem
  • Lam Kapang, 22 februari doortrokken in noordelijke richting.
  • Loeëng Iek, idem
  • Poeklat, idem
  • Oeleh Karang, idem
  • Kampong Pinang, op 22 februari 1876 in de rug genomen (bleek verlaten). Te Kajoe Adang overnacht.
  • Silang
  • Langgoegoeb, op 23 februari doortrokken.
  • Tongah (1 & 2)), 23 februari 1876 bezet, bivak te Lamjoeng.
  • Kampong Tjiri, 24 februari doortrokken (bleek verlaten).
  • Lam Joeng (Lam Njong), 24 op 25 feb bivak, hier overleed Pel aan de gevolgen van een slagaderbreuk of hartinfarct.
  • Pakan Kroëng Tjoet
  • Kampement Tjade
  • Kliëng
  • Kadjoe
  • Kota Pohama, 26 februari 1876 bezet.
  • Kwala Gigieng, 26 februari 1876 bezet.
 
Nadat te Pango en Pagger Ajer nieuwe posten opgericht en bewapend waren, kon de tocht naar Kwala Gigien worden voortgezet. Het eerst werden kampong Tjiri en de nabijgelegen Mesigit Oleh Karang veroverd, de 24ste de verlaten kampong Tjiri doorgetrokken en tot de Kroeng Tjoet doorgedrongen.  Nadat de vijand tot de overkant van de rivier kon worden teruggeslagen werd het bivak betrokken.
 
In een woning, bij de brug, in kampong Tonga, overleed geheel onverwacht generaal Pel. Niet alleen onder de officieren maar ook onder de troepen bracht de doodstijding een algemene verslagenheid teweeg. In de nacht van de 25ste februari werd zijn stoffelijk overschot naar Kota Radja overgebracht. Door een compagnie infanterie begeleid bracht eerste luitenant J.H. de Bruijn het lichaam naar de hoofdversterking alwaar het de volgende dag met militaire honneurs op het kerkhof te Peutjoet begraven werd. Later zou op dit kerkhof een indrukwekkend monument voor generaal Pel worden geplaatst.
 
f t