Daalen


De tocht van kapitein Gotfried Coenraad Ernst van Daalen door de Gajo-, Alas- en Bataklanden was de expeditie onder leiding van Gotfried Coenraad Ernst van Daalen in 1904, tijdens de Atjeh-oorlog. Van Daalen was de zoon van kapitein Gotfried Coenraad Ernst van Daalen (1839-1889).  Zie hier voor het fotoalbum. 


Inleiding

In december 1903 maakte de bestuurder van de Gajo- en Alaslanden een dienstreis over de Aroe-baai en Salahadji naar Koeala Simpang, om hier enkele geschillen te onderzoeken die waren gerezen tussen de Kedjoeròn Karang, een Tĕminags landschapshoofd, wiens gebied onmiddellijk grensde aan de nederzettingen van de Gajo's, gelegen Terugkerend gewondentransport 22 april van Tjane Oekon en Toengol langs de Triparivier naar Koeta Lintangaan de Boven Tĕmlang-rivier.

Hoewel al eerder bekend was dat veel Gajo's vooral uit de Gajo-Loeös, Sèrbödjadi en Linggö naar Tĕmiang afdaalden om daar hun bosproducten en vee te verkopen en zich de in het bovenland benodigde invoerartikelen aan te schaffen, bleek bij dit bezoek pas goed dat de contacten van het Nederlandse bestuur met de inwoners veel groter zouden zijn geweest wanneer de Nederlandse ambtenaren zich niet stelselmatig onthouden hadden van alle aanrakingen met de binnenlandse aangelegenheden van de toen nog onafhankelijk genoemde volksstammen.

Ook nadat de regering bepaald had dat de Gajo- en Alaslanden voortaan tot het gouvernement van Atjeh en Onderhorigheden gerekend zouden worden en daaraan onderhorig, bleef die minder gewenste toestand in Tĕmiang bestaan. De situatie duurde voort totdat het militair -en civiele bestuur van Atjeh en de oost-kust van Sumatra, in overleg met elkaar, in afwachting van de toevoeging van de onderafdeling Tĕmiang aan Atjeh, een voorlopige regeling troffen.

Achtergronden

Een officier van het garnizoen te Koeala Simpang werd belast met de behartiging van de Gajö-zaken, terwijl hem een mobiel peloton ter beschikking kreeg. De bestuurder der Gajö -en Alaslanden had bijStokje in het veld dit bezoek een ontmoeting met verschillende Gajö's en ook met de Kĕdjoeròn Pĕtiambang, die onder andere berichtte, dat men in de Gajö-Loeös al ingelicht was over de voorgenomen tocht daarheen. Er bleek een verzetspartij te zijn die de meest bruikbare toegangswegen naar genoemd landschap - de Intém Intém, de weg over Péndéng en de weg van Soesoh - al in staat van verdediging had gebracht, om de opmars van de Nederlandse troepen, zoals ook in 1902 op de Intém Intém gebeurd was, te stuiten.

Aan de Kĕdjoeròn werd medegedeeld dat het in de bedoeling lag om met een troepenmacht een bezoek te brengen aan de Gajö- en Alaslanden en dat onze manschappen ditmaal niet zouden teruggaan, maar het in de ogen van de Gajo's voor de Nederlandse troepen ontoegankelijke bergland daadwerkelijk zouden betreden. Tevens werd hem opgedragen naar zijn land terug te gaan en zijn hoofden te melden zich met hem bij de colonne-commandant aan te geven, zodra de troepen in de Gajö-Loeös zouden zijn aangekomen.

Begin der expeditie

Hoewel de Kĕdjoeròn bij het ontvangen van deze last geen bezwaren maakte, was hij - uit vrees voor de vijandelijke partij in zijn eigen land - niet vertrokken en, zoals zal blijken, pas later met de Nederlandse troepen naar zijn gebied gegZiekenzaal te Lawe Sagoeaan. In verband met de bestaande plannen ten opzichte van de Gajö-Loeös en de Alaslanden werd het nuttig geoordeeld ook een colonne, getrokken uit het garnizoen van Koeala Simpang, naar het door de Nederlanders nog nooit bezochte en opstandige Péndéng te doen oprukken.

Dit gebeurde om twee redenen: de onderwerping van die streek en het openen van een goede gelegenheid tot evacuatie van de gewonden en zieken van de in de Gajö-Loeös agerende colonne. Aldus werd besloten.  De civiele -en militaire gouverneur droeg de bestuurder van de Gajö -en Alaslanden (aan wie het bevel over deze samen te stellen colonne zou worden gegeven) op een instructie te ontwerpen voor de commandant van bovenbedoelde troepen van Koeala Simpang.

Nadat deze instructie ter goedkeuring aan de militaire commandant aan de oostkust van Sumatra was gezonden rukte de Témiang-colonne tegen Pédéng op en bereikte zij haar doel tijdig genoeg om  de van haar verwachtte diensten te bewijzen.

Sterkte en samenstelling der expeditie

De marechaussee-colonne, waarmee de excursie naar de Gajö -en Alaslanden ondernomen werd, was als volgt samengesteld: de colonne-commandant was G.C.E. van Daalen, luitenant-kolonel van de Generale Staf. Zijn adjudant was eerste luitenant der artillerie J.C.J. Kempees; verder was een divisie marechaussees, onder bevel van kaVerandjepitein Scheepens, van 10 brigades present, gesplitst in 2 halve divisies, elk van twee afdelingen, ieder van deze onder een luitenant.

Daarnaast was een ambulance onder officier van gezondheid 2de klasse H.M. Neeb toegevoegd en een afdeling opnemers onder eerste luitenant-opnemer G.E.Hoedt van de Topografische Dienst. De trein (dragers) bestond uit 110 mandoers en dwangarbeiders en met de excursie gingen verder mijningenieur Jansen met enig personeel tot het verzamelen van geologische gegevens en een gedelegeerde (mantri) van de plantentuin in Buitenzorg voor het verzamelen van botanische gegevens mee.

Tijdens de ontscheping te Oleh Leh, op de 8ste februari, bedroeg de totale sterkte 10 officieren, 1 mijningenieur, 13 Europese onderofficieren, 1 Europese soldaat-ziekenverpleger, 208 Ambonese -en inlandse marechaussees, daarnaast treinpersoneel, 473 mandoers, dwangarbeiders en ongeveer 15 koelies, gidsen en officiersbedienden, in totaal 721 man.

Doel van de tocht

De instructie van de colonne-commandant betreffende het doel van de tocht was in hoofdzaak een bezoek te brengen aan het gebied van Radja Tjéq Bobasan van Radja Boekét en Keudjroeën Siah Oetama. Aldaar dienden de nodige bestuursregelingen te worden getroffen, men moest besprekingen voeren over de aanleg van een karreweg van Laut Grote vergadering overste Van Daalen ontvangt alle hoofden van Gajo Loeos kopieTawar naar Peusangan en het eerste tracé voor die zogenaamde "Gajoweg" aangeven. Daarnaast was het doel het bezoeken en voor zover nodig het laten afpatrouilleren van het gebied van Radja Linggo, proberen met dit hoofd in contact te komen en ook in diens gebied eventueel benodigde regelingen te treffen.

Vervolgens diende men op te rukken naar Gajö-Loeös. In dit landschap moest het verzet van alle stamhoofden (Rödjö's, Tjéq's en Moeda's) gebroken worden. Dit was inclusief van de kleinere hoofden, die zich met hun stam of een deel van de stam gewapenderhand tegen een rustige en ordelijke staat van zaken zouden gaan verzetten.  

Daarna moesten,  bij voorkeur in de stamkampong Penampakan van Rödjö Petiambang, de voornaamste zogenaamde kiesgerechtigde hoofden (onder wie voor zover mogelijk de pengoeloe Si Soeö Belas) bijeen geroepen worden en hen medegedeeld dat Këdjoeròn Bédén door het gouvernement erkend was als Këdjoeròn Petiambang over de Gajö Loeös en hij als zodanig door het Nederlands gouvernement werd beschouwd als territoriaal hoofd over het gehele landschap. 

Wensen gouvernement en taken patrouille

Het was de nadrukkelijke wens van het gouvernement dat er een einde kwam aan de versnippering van gezag en de daaruit voortvloeiende onderlinge oorlogen en dat het eigenmachtig afzetten en aanstellen van Këdjoeròn's thans voorgoed moest ophouden. MenIngang naar kampong Hoeta Galong diende ook zo veel mogelijk de Gajö-Loeös af te patrouilleren en het voornaamste, meest bevolkte, deel van dit landschap op te nemen. Daarnaast moesten verdere bestuursregelingen worden getroffen en contact gezocht met de colonne die van Koelala Simpang was opgerukt naar Péndéng.

Aan die colonne-commandant zouden bevelen worden gegeven en de vereiste inlichtingen en aanwijzingen aan de zich daarbij bevindende officier, belast met de bestuursaangelegenheden in het noord-oostelijk deel van het gebied van Rödjö Petiambang. De te volgen strategie in het gebied van Kĕdjoeròn Abaq werd geheel aan het inzicht en beleid van luitenant-kolonel van Daalen overgelaten.

Bij het bezoek aan het Alas-gebergte was het de bedoeling het verzet ook hier te breken, zo veel mogelijk gegevens te verzamelen omtrent de bestuursinrichting en, voor zover nodig of gewenst, bestuurs -en andere regelingen te treffen. Mochten vijandig gezinden uit de Alas-landen uitwijken naar aangrenzend Batak-gebied, dan wel bleek het om politieke of andere redenen gewenst om door die Batak-landen de kust te bereiken, dan werd daartoe aan de colonne-commandant onder nadere goedkeuring van de regering machtiging verleend.

Bovendien verdiende het bijzondere aanbeveling zo mogelijk in de oeloe van Singkel een onderzoek in te stellen naar de aanwezigheid aldaar van Chinezen en andere, niet tot de inheemse bevolking behorende, personen, die, volgens ingekomen berichten, vuurwapens repareerden en hierin handel dreven ten behoeve van Atjehnese bendehoofden, zoals Teukoe Ben Blang Pedië, en ook de bewoners der Alas -en Gajölanden van daaruit vuurwapens en munitie toevoerden.

De expeditie naar de Gajö -en Alaslanden (8 februari - 23 juli 1904)

De achtste februari werden de troepen ingescheept en kwamen de negende te Lhö Seumawé aan. Nadat alles ontscheept was vertrok de colonne per Atjeh Tram naar Bireun, dat 's middags om vier uur bereikt werd.  HiPoort in Koeto Lintang een voorbeeld van versperringenerna marcheerde men op naar het bivak Teupin Blang Mané, waar de colonne om half zeven aankwam. De daarop volgende dagen werd vooral veel gelopen. Op de 18de februari werden enige ravijnen doorgetrokken en in de namiddag kwam men te Toendjang aan, gelegen op ongeveer 900 meter hoogte, waar het bivak betrokken werd te kampong Pertèk.

De bevolking toonde zich niet vijandig; enige zieke kampongbewoners werden door de officier der gezondheid onderzocht en de 14de februari werd de tocht voortgezet. Van de 16de tot de 20ste februari betrok men het bivak te Köng; deze rusttijd werd door de colonne-commandant benut om de hoofden op te roepen, besprekingen te houden en bestuursmaatregelen te treffen in het Laut-gebied . Daarnaast vonden patrouilles plaats in de omgeving. 

Diverse patrouilles

Van de 22ste tot en met de 28ste februari bivakkeerde men te Koetö-Rajang. Ook hier werden weer bestuursaangelegenheden geregeld. Tijdens resolveHZZ2SU24de daaropvolgende tocht raakte de gids de weg kwijt en moest men op het kompas en door verkenningen uit hoge bomen en punten de goede richting zien te houden.  Daarbij wist de colonne door een zwaar geaccidenteerd terrein met diepe en steile ravijnen zijn weg te vinden en klauterde men soms op handen en voeten tegen de bergwanden op, terwijl boomstammen en wortels als grijppunten dienst deden. Herhaaldelijk (20 tot 30 keer per dag) werden snelstromende rivieren doorgetrokken.  

De negende maart bereikte men eindelijk Kla.  De volgende dag liep de tocht naar Rĕröbö, waar de colonne het eerste verzet in het Gajö-gebied ondervEen ziekenrapport in Koeto Radjangond. De vijand werd echter met verlies van een drietal doden en enige gewonden teruggedreven en een eind vervolgd, waarna het bivak tot en met 13 maart in deze kampong betrokken werd.

Nadat door de patrouilles het terrein van kwaadwillenden gezuiverd was, die veel verliezen leden, werd de 14de maart in twee gedeelten opgerukt.  De zestiende verenigden de colonnes zioch weer te Pasér; de colonne onder de luitenants Winter, Christoffel en Kempees had de veertiende,  langs de Tripa voortrukkend,  Pasér na hevig verzet genomen.  De 18de bereikte men de versterking Gémoejang en de kampong Péparéq Golp.  Na een zeer fanatiek verzet, waarbij ook veel vrouwen aan de strijd deelnamen, werd de versterking genomen.  

Ook hier leden de Atjehers grote verliezen; het verzet nam intussen steeds toe: voortdurend werd de colonne beschoten uit het omringend heuvelterrein; uit ingekomen berichten bleek dat de bevolking, opgezweept door priesters en andere kwaadwillenden, zich al sinds geruime tijd tot een hardnekkig verzet had voorbereid.

Vergadering met de hoofden

De 22ste maart werd een uitgebreid kampongcomplex veroverd na een langdurige en heftige verdediging.  Doerén, Koetö Lintang, Rödjö Silo en Koetö Blang vielen in Nederlandse handen. Nu ging men ertoe over Koetö Lintang tot een blijvend bivak in te richten, als het centGewapende Gajosrum van waaruit naar de omliggende kampongs het beste geageerd zou kunnen worden.  De colonne bleef hier tot de 4de juni, toen de tocht naar de Alas-landen werd aanvaard. Gedurende die tijd moesten de volgende kampongs genomen worden: 4 april Badaq; 21 april Tjané Oekön en Toenggöl; 11 mei Penòsan; 18 mei Tampèng.  Door dagelijks gemaakte patrouilles en bij nachtelijke hinderlagen van Atjehers sneuvelden ook nog veel vijanden.

Nadat met de val van Tampèng het verzet in de Gajö-Loeös geheel gebroken was en de rechtmatige hoofden van de verschillende kampongs aan de oproep van de colonne-commandant op de 2de juni gevolg hadden gegeven werden hen in een plechtige vergadering de bevelen van de regering medegedeeld, waaraan zij te gehoorzamen hadden en die door een plechtige verzekering van hun kant aangenomen werden, was het programma van actie in het Gajö-gebied afgelopen, zodat de vierde juni de tocht naar de Alas-landen kon worden aanvaard.

De tocht naar de Alas-landen

De nu volgende dagen werd door de colonne steeds doorgemarcheerd.  De tiende juni verdreven de manschappen de vijandelijke bevolking uit de Alas-kampong N. Toealang en rukte de eenheid naar kampong Pĕnampakan door, waar het bivak werd betrokken. De volgende dag vond de bezetting van de meer in het centrum der Alaslanden gelegen, gedeeltelijk versterkte maar door de beSarcofaag in Si Temorongvolking verlaten kampong Lawé Sagoe plaats en hier bleven de soldaten tot de 16de juni.  Niet alleen door de voortdurende beschietingen uit het omringend terrein op het bivak en uitrukkende patrouilles, maar ook uit ingekomen berichten bleek al zeer spoedig dat ook de bevolking van het Alas-gebied, namelijk het Kĕdjoerònschap Bambél, niet Batoe Mboelön, zich tot een uiterste en hardnekkige verdediging had voorbereid, opgezweept door een groot aantal fanatieke priesters.

De veertiende juni ging de colonne over tot de vermeestering van de eerste versterking Koetö Réh, die volgens de belegeraars na een zwaar en hardnekkig verzet genomen werd. Bij deze aanval vielen veel doden onder de vijand. Die dag werd in kampong Bambèl, gelegen aan de boven-Singkel-rivier, gebivakkeerd. Vanuit deze plaats werden de versterkingen Likat en Koetö Lengat Baroe respectievelijk de 20ste en de 24ste juni na hevig verzet genomen.

Einde van het verzet

Met de val van deze versterkingen was het verzet in de Bambèlstreek gebroken, terwijl het Kĕdjoeròmschap Batoe Mboelon - waarin twee versOfficiersverblijf in Koeto Lintangterkingen, Batoe Mboelön en Tandjoeng, die bijtijds verlaten waren - door de bijzondere bemoeiingen van Bérakan, de zoon van de oude Rödjö Mboelön, zich zonder noemenswaardige vijandelijkheden aan de colonnecommandant onderwierp. De 29ste juni meldden zich de hoofden van Bambèl en Batoe Mboelön met hun gevolg, waarna hen door de colonnecommandant de nodige bevelen van de regering ter opvolging werden voorgehouden.

Nu zijn taak in de Alas-landen volbracht was besloot Van Daalen de 1ste juli de tocht voort te zetten naar het Karö Batak-gebied, om de Pak-paklanden te kunnen bereiken. De dagen daarop marcheerde de colonne voort en werd nu eDoorwaden van de Lao Goenongn dan beschoten; verdere gevechten vonden niet meer plaats.  

De 20ste juli werd eindelijk, na een lange mars, in de namiddag Siboga bereikt,  de 21ste embarkeerden de troepen op de gouvernementsstomers "Albatros" en "Gier" en bereikte men na een onrustige zeereis de 23ste juli 's middags om 2 uur Oeleh Leh, waar de waarnemend gouverneur van Atjeh en Onderhorigheden met andere autoriteiten de colonne welkom heette.

Luitenant Ebbink onderscheidde zich tijdens deze tocht dusdanig dat hij benoemd werd tot ridder in de Militaire Willems-Orde. Zowel bij de beraadslagingen over het adres van antwoord op de troonrede, als bij die over de begroting van Nederlands-Indië, werden door leden van de Tweede Kamer harde woorden aan het adres van het Indische leger gericht; woorden, die zelfs over de grenzen een weerklank ten nadele van het prestige vonden.

Naschrift

De grote offers aan vrouwen en kinderen, die de vijand, tijdens de tocht van Van Daalen, gebracht had, was de oorzaak van de weerstand in de Tweede Kamer. Men dient echter wel in aanmerking te nemen dat vrouwen en kinderen ongedeerd het toneel van den strijd konden verlaten, maar daaraan geen gevolg gaven en integendeel de wapens ter hand namen, waarmee zij de Nederlandse troepen te lijf gingen.

Hele groepen mannen, vrouwen en kinderen, die zich ten dood hadden gewijd legden zich, gehuld in feestkleren, in grafkuilen neer en wachtten aldaar het einde af, maar pas na tot het laatst gevochten te hebben.Er is veel te zeggen over oorlog voeren maar een strijd zonder slachtoffers bestaat niet.


 

f t