Tent van de tweede bevelhebber


Zie ook


Inleiding

Aanzet tot de tweede expeditie naar Atjeh

Bestorming van de Mesigit en de Kraton

Samenvatting van gemaakte fouten

Mislukte verkenningen

Proclamatie en gevechten

Het echec Romswinckel

Afscheidstoespraak generaal van Swieten

Nawoord


 Inleiding

Na de mislukte eerste expeditie naar Atjeh, in april 1873, werd besloten tot een blokkade van de kust van Atjeh en een enquête gehoudenBelegeringskaart van Atjeh over het handelen van de bevelhebber (in casu kolonel E.C. van Daalen) der eerste expeditie. Het mislukken van de eerste expeditie had belangrijke gevolgen. Zowel in Indië als in Nederland was de indruk, die de noodlottige tijding van het geleden echec veroorzaakt had, ongemeen groot. De belangstelling in de oorlog werd nu bij de gehele natie in hoge mate gewekt.

De gepensioneerde luitenant-generaal Jan van Swieten werd benoemd tot opperbevelhebber van de zee -en landmacht bij de tweede expeditie, tevens aangesteld tot regeringscommissaris te Atjeh en als zodanig met een bijna onbeperkte volmacht belast. Over deze keuze, die velen verraste, werd hevig getwist. Dat was mede doordat generaal-majoor Gustave Marie Verspyck door Loudon eerder aangestBlokkadeschepeneld was als opperbevelhebber der eerste expeditie, die echter voortijdig werd afgebroken.

Een andere reden was dat Van Swieten reeds lang daarvoor het leger verlaten had en door zijn aanstelling de aanspraak van anderen gepasseerd werd. Daarnaast stond Van Swieten bekend als een politiek man die eerder zou onderhandelen  dan doortastend optreden. Uiteindelijk werd generaal Verspyck als tweede bevelhebber toegevoegd aan de expeditie. Hij kon echter weinig doen omdat zijn inzichten op belangrijke punten verschilden met die van Van Swieten.

Bovendien werd Verspyck in belangrijke zaken niet gekend en kon hij daardoor slechts een ondergeschikte rol vervullen. Van Swieten was mede op instignatie van de adjudant van gouverneur-generaal James Loudon, luitenant-kolonel J.I. de Rochemont, door Loudon als opperbevelhebber voorgesteld. De Rochemont, een indertijd bekende intrigant, was de broer van luitenant-kolonel de Rochemont, die eerder de beruchte enquête had uitgelokt. Hij had Van Swieten leren kennen tijdens de expeditie naar Boni in 1859.

Aanzet tot de tweede expeditie naar Atjeh

Men had oorspronkelijk het plan opgevat om een bepaald aantal transportschepen in te zetten teneinde de troepen naar Atjeh over te varen. Van Swieten vond de vloot echter te groot en verminderde dit aantal, waardoor de manschappen opKaartje kust vervaardigd door Van Daaleneengehoopt in de boten werden geplaatst en de cholera, die op dat moment begon te heersen, kans zag zich te verspreiden en tot een epidemie uit te groeien, die duizenden manschappen het leven kostte.

In eerste instantie was besloten om met drie brigades te ageren tegen het Rijk van Atjeh. Van Swieten bracht ook hier verandering in en liet de Derde Brigade in haar geheel te Padang achter. Dit nu was een grote strategische fout want door het gemis van een derde van de troepenmacht kon er in Atjeh niet met de nodige energie langs verschillende richtingen tegen de vijand gehandeld en de Kraton niet met voldoende kracht aangevallen worden.

Op 9 december 1873 vond de landing der troepen te Pedro Punt, ten oosten van Gigien,  plaats en na een zegenvierende mars langs het strand werd de kampong Penajoeng, gelegen aan de rechteroever van de Atjeh-rivier, bezet.  

Bestorming van de Mesigit en de Kraton

Van hier zouden de eigenlijke operaties tegen de Mesigit en de Kraton worden begonnen. Van Swieten liet echter eerst zijn troepen gedurende zeven dagen werkloos te Penajoeng bivakkeren. Pas op 25 en 26 december 1873 werden verkenningstroepen naar de grasvlakte, die voor dOpmars expeditiese Mesigit lag, gezonden, waar de vijand in de dagen daarvoor ongehinderd versterkingen had aangelegd.

Pas na een bloedige strijd kon de kampong Lemboe genomen worden maar omdat men orders kreeg dit dorp direct weer te verlaten leverde het verlies van 150 doden en gewonden geen enkel voordeel op. De bestorming van de Mesigit, op 6 januari 1874, gebeurde, tegen alle krijgskunde in, zonder enige voorafgaande verkenningen, waardoor een door de Atjehnezen aangelegde zware versterkinKraton een gedeelte van de muur aan de zuidkantg, gelegen voor de Mesigit, niet was opgemerkt. De verovering hiervan kostte veel doden, die niet nodig waren geweest als de fortificatie van tevoren met artillerievuur bestookt had kunnen worden.

De Mesigit zelf werd in front, waar zij natuurlijk het sterkste was, aangevallen. Deze faux pas leverde 220 doden en gewonden aan Nederlandse zijde op. Hierna werd weinig activiteit getoond behalve de inname, op 12 januari 1874, van Kota Goenoengan, dat door de vijand reeds verlaten was. De dag erop, 13 januari, deden de Atjehnezen een aanval op het bivak te Penajoeg, waarbij een officier sneuvelde. Dat dit kon gebeuren was omdat een zijde van het bivak tegen een bosgebied gelegen was, van waaruit de vijand ongemerkt had kunnen naderen.

Er werd nu verzuimd de hoofdmacht van Penajoeng over te brengen naar het terrein van de Mesigit, waardoor deze door een rivier gescheiden bleef van het nieuweKota Goenoengan vanuit de Kraton gezien aan te vallen object. Toen de Kraton uiteindelijk werd aangevallen leverde dit logistieke problemen op. Daarnaast was de wijze van attaquering niet volgens de krijgsregels: Gewoonlijk sloot men een vesting zo nauw mogelijk in en werd het op deze wijze de inwoners onmogelijk gemaakt te ontsnappen en opnieuw de wapens op te vatten.

Tijdens de verovering van de Kraton, op 23 en 24 januari 1874, lieten de orders van generaal van Swieten geen keuze dan eerst drie en later twee kanten van de Kraton ongemoeid te laten, waardoor de vijand steeds vrij in en uit kon lopen. Nu bleek ook het gewicht van de fout die gemaakt was een derde van de troepenmacht op een dag stomen van Atjeh te laten. Met behulp van deze manschappen had de insluiting der Kraton veel sneller haar beslag kunnen hebben. Toen de Kraton eindelijk ingenomen was bleek deze door de Atjehnezen, die al hun wapens hadden meegenomen,  geheel verlaten te zijn.

Samenvatting van gemaakte fouten

Volgens kapitein der artillerie, later generaal-majoor en gouverneur van de Koninklijke Militaire Academie en Inspecteur der Artillerie, George Frederik Willem Borel werden inzake de krijgsverrichtingen door generaal van Swieten de volgende fouten gemaakt:

  • "1) Dat het achterlaten van een brigade, of een derde gedeelte van de gehele troepeHoofdweg in bivak Penajoeng artillerieparknmacht te Padang een fout was, die zeer nadelig moest werken op de kracht en de samenhang van de operaties, zodat men aanvankelijk slechts van één kant tegen de Kraton kon ageren en de terugtochtlijn van de vijand steeds vrij bleef.
  • 2) Dat de opstelling van onze hoofdmacht, magazijnen enz. te Penajoeng op de rechteroevervan de Atjeh-rivier, zeer gebrekkig en ondoelmatig was.
  • 3) Dat het weer prijsgeven van Lemboe en de rivierrand aldaar, na de hevige gevechten op de 25ste en 26ste december en de zware offers die ze ons gekost hadden, geenszins gerechtvaardigd werd.
  • 4) Dat de positie van de Mesigit niet behoorlijk verkend is en de bemachtiging van het buitenwerk aldaar door een stormaanval in front ons veel grotere verliezen berokkend heeft dan nodig was geweest.  
  • 5) Dat men na het bezetten van de Mesigit verzuimd heeft de Kraton onmiddellijk om te trekken en zo nauw mogelijk in te sluiten.
  • 6) Dat men de operaties op de 12de januari, waardoor we meester werden van Kota Goenoengan en vanKohlerboom. Boom in de Mesigit besar in de nabijheid waarvan generaal Kohler sneuvelde het terrein buiten de westerkant, niet dadelijk vervolgd en daar nog 11 dagen mee gewacht heeft.
  • 7) Dat er noch vanuit de Mesigit noch elders sappenarbeid is verricht of een poging is gedaan om de borstwering van de Kraton te naderen en de beletselen op te ruimen, die een stormaanval in de weg konden staan, waardoor deze steeds ondoenbaar
    bleef of althans een groot bezwaar opleverde.
  • 8) Dat men geëindigd heeft met een operatie, waarmee men had behoren te beginnen, namelijk de berenning en insluiting van de Kraton; en
  • 9) Dat over het algemeen het beleg van deze sterkte met veel lauwheid en besluiteloosheid gevoerd is, waardoor onnodig tijdverlies veroorzaakt werd en tenslotte het behaalde succes niet zo groot was als het had kunnen zijn."

Mislukte verkenningen

Na de verovering van de Kraton besloot generaal van Swieten dat de strijd voorbij was. De troepen streden niet langer tegen de vijand maar werden ingezet voor de geestdodende garnizoensdienst en het werk aan de Kraton. Penajoeng, met zijn opeengepakte troepen,  was eeGeneraal Verspyck te Atjehn zeer ongezonde plaats geworden waar ziekten welig tierden, en hetzelfde kon van de Kraton en de Mesigit gezegd worden. 

Te Penajoeng, een waar pesthol, woedde de cholera in hevige mate en de troepen werden door de hevige ziekte letterlijk gedecimeerd. In dit geval was het veel wenselijker geweest de gezonde manschappen zo snel mogelijk van de zieken te scheiden en aan te voeren tegen de vijand of elders in gezondere streken onder te brengen.

De 27ste januari geraakten een paar bataljons, die een verkenning uitvoerden, in hevig gevecht met de vijand. Enige dagen later, op de 29ste januari, namen de generaals van Swieten en Verspyck, vergezeld van hun staf, deel aan een verkenning op de linkeroever van de Atjeh-rivier, stroomopwaarts van de Kraton. Ter hoogte van Lampoe Idjoe stuitte men op hevige tegenstand van de vijand, die de doortocht succesvol betwistte. De strijd kostte het leven aan 2 officieren, terwijl ruim 20 minderen gedood of gewond werden, en men was gedwongen zich op de Kraton terug te trekken.

Bij de verkenning van de 29ste was de fout begaan slechts aan één zijde in plaats van op beide oevers van de rivier te ageren. Hierdoor kon de vijand ongehinderd van de linkerkant de troepen beschieten omdat hij door de struiken aan de rechterkant volkomen gedekt was.

Proclamatie en gevechten

In deze tijd overleed de jeugdige sultan van Atjeh en maakte generaal van Swieten per proclamatie gericht aan de bevolking van Atjeh bekend dat dat de Indische regering voorlopig zelf het opperbestuur over het rijk van Atjeh zoProclamatie van swietenu aanvaarden. Dat was op zijn minst voorbarig want de bezette Kraton was beslist geen hoofdplaats of onmisbaar bezit voor de Atjehnezen, die bovendien nog al hun manschappen en wapens bezaten. Op 12 februari werd een tocht naar Bital ondernomen terwille van de bevriende kampong Marassa maar deze was vruchteloos omdat het veroverde dorp door de Nederlandse troepen direct weer verlaten werd.

Drie dagen later vond een expeditie naar Ketapang Doewa plaats. Ook deze plek, die na zware verliezen (49 gewoGroep officieren der derde brigadenden en 6 gesneuvelden) van Nederlandse kant ingenomen kon worden, werd direct weer heroverd door de Atjehnezen toen de troepen naar de Kraton terugkeerden. Generaal van Swieten had verordonneerd dat geen enkel huis of kampong verbrand mocht worden zodat de gespaarde dorpen konden uitgroeien tot haarden van verzet en  startpunt van aanvallen op de Nederlandse manschappen.

Intussen bleek generaal van Swieten de strijd vanaf 15 februari 1874 als beëindigd te beschouwen want hij stuurde een compagnie vestingartillerie naar Java terug en liet het zwaard voorgoed in de schede steken. Het beginsel der afwachtende houding, dat hij huldigde, werd ten strengste toegepast. Geen gevechten meer met de vijand maar werken met schop en spade werd het devies. Ruim twee maanden had men nu de tijd voor het werk om van de Kraton, nu Kota Radja gedoopt, de hoofdzetel van de Nederlandse vestiging te maken en Penajoeng in een redoute om te bouwen.

Het echec Romswinckel

Intussen werd verzuimd het belangrijkste werk, het opruimen van het bos om de Kraton heen, op te ruimen. Dat was ernstig omdat het gewas  de vuuruitwerking belemmerde en de vesting blootstelde aan overvallen door Romswinckel in 1862de vijand. Ook de nabije omgeving werd niet gezuiverd van vijanden, die 's nachts de bezetting van de Kraton wakker hielden door hun geschut af te vuren. Van Swieten verbood patrouilles en gaf de vijand toestemming haar rijst op de velden te oogsten. De 11de april dreigde de vijand met een aanval op Penajoeng maar die kon bijtijds worden afgeslagen.

De 16de april rukten twee patrouilles (ieder 100 man sterk) uit om, naar de order die van Swieten in die dagen had uitgevaardigd, de Manschappen in de Kratonzuider- en de oosterkant van de Kraton te beschermen. Zij werden hevig beschoten en geraakten in een zwaar gevecht verwikkeld. Toen de strijd toenam werd majoor J.H. Romswinckel met een compagnie infanterie en een sectie artillerie naar die plaats gezonden om te assisteren. In de omgeving, te Lampoe Oek, had de vijand een enorme versterking opgeworpen, onbekend bij de legerleiding, die Romswinckel met zijn manschappen aanviel.

Toen bleek pas hoe sterk de kracht van de Atjehnezen was. Het gelukte de Nederlandse troepen niet, zelfs met versterking vanuit de Kraton, de linie te doorbreken. Met een verlies van bijna 100 doden en gewonden en 5 vermisten was men gedwongen terug te trekken op de Kraton. Generaal van Swieten betoonde zich zeer verbolgen over het gebeuren en wierp de schuld geheel op majoor Romswinckel, wiens handelingen en beleid hij ten strengste afkeurde en die hij zelfs geen gehoor wilde verlenen om zich te verantwoorden.

Afscheidstoespraak generaal van Swieten

De toestand van de Kraton kon op dit moment het beste vergeleken worden met een vesting die door de vijand half was ingesloten en aldus in staat van beleg verkeerde. Nadien deed men bij het hoofdkwartier alsof er niets gebeurd was en liet men de vijand verder ongemoeid. Op 23 april 1874, dus een week na het echec tegen de vijand, hield generaal Zicht op de loopgraven in de mortierbatterijvan Swieten zijn afscheidsrede, waarin hij verkondigde de oorlog in Atjeh tot beëindigd te beschouwen. Hij verklaarde dat de vijand geheel overwonnen was en dat diens onderwerping niet lang meer kon uitblijven.

Van Swieten vervolgde zijn rede met verklaringen waarom een groot deel van de expeditionaire macht naar Java128. Rechts C.J. Zwager gesneuveld 1874 zou terugkeren en de achter te blijven troepen de toekomst met vertrouwen konden afwachten. Van de waarheid van deze rooskleurige schets waren, mede door de vijandelijke gezindheid der Atjehnezen en het echec van de 16de april,  naast de opperbevelhebber maar weinig officieren van overtuigd.

Kapitein G.F.W. Borel schreef hierover: "Al oordeelden wij ook, dat we volkomen overwonnen hadden en de toekomst slechts rustig af te wachten hadden om ons doel te bereiken, zo was het zeer de vraag hoe de Atjehnezen daarover dachten en of zij ons al het recht toekenden om de heerschappij over hun land te voeren. Zolang ze dat niet deden, zolang ze als één man met de wapens in de hand tegenover ons stonden en van geen toenadering of onderwerping wilden weten, zolang konden we onmogelijk aannemen dat de oorlog geëindigd was." De afscheidstoespraak van Van Swieten maakte aldus op veel manschappen een pijnlijke indruk.

Nawoord

 Op 24 en 25 april 1874 werden de troepen van de hoofdmacht, die naar Java terug zouden keren, ingescheept. Generaal van Swieten zelf betrad op 25 april het stoomschip Prins Alexander der Nederlanden. Al de eerste nacht nadat de vloot van de rede vertrokken was werd Kota Radja bij herhaling gealarmeerd. De gehele bezetting mAlgemene staf aan boord van de Prins Alexanderoest onder de wapens komen en in de weken daarop zou de vijand dag en nacht de vesting steeds dichter naderen en het voortbestaan ervan ernstig bedreigen.

De 26ste april kondigde een saluut uit de zware vuurmonden van de oorlogsschepen aan dat Van Swieten met zijn staf Atjeh verlaten had. Met zijn vertrek was het tweede bedrijf (het eerste was de eerste expeditie naar Atjeh) afgespeeld. De Atjeh-oorlog zou nog 68 jaar gaan duren en pas eindigen met de bezetting van Nederlands-Indië door Japan in 1942. 

Van Swieten verhaalde in een geschrift meer over de huldeblijken die hem ten deel vielen bij terugkeer in Batavia: "Twee mei: debarkement. De gouverneur-generaal en alle autoriteiten ontvangen ons op de hartelijkste wijze. Vier mei: biddag ter gelegenheid van de verovering van de Kraton. Op 25 mei was er een grote receptie en betuiging van hulde van alle autoriteiten. Ik ontving een telegram waarin gemeld werd dat ik tot Grootkruis van de Militaire Willemsorde was benoemd. Het was een treffende hulde voor de behaalde overwinning."


 

f t