Sneuvelen van Kohler


Zie ook 


Inleiding: het Traktaat van Londen en het Sumatra-traktaat

Generaal van Swieten en het Traktaat van Vriendschap

Aanzet tot de eerste expeditie naar Atjeh

Landing op Atjeh

Dood van generaal Köhler en meer nederlagen

Het besluit der regering

De enquêtecommissie

Een enquête naar de Indische regering zelf?


Inleiding: het Traktaat van Londen en het Sumatra-traktaat

Tot 1511, het jaar dat de Portugezen Malakka veroverden,  was Atjeh een staat van weinig betekenenis en afhankelijk van Pedir, indertijd het belangrijkste rijk van Sumatra. Radja Ibrahim kwam omstreeks deze tijd onder de naam Tsa-la-hoe'd-din in opstand tegen Pedir en werd de stichter van het eigenlijke Atjehse Rijk, dat steeds schermutselingen met de Portugezen beleefde. 

Vele krijgsverrichtingen en jaren later openbaarden zich de eeBeeld op Atjehrste kenmerken van verval van het Atjehse Rijk. Toen de Nederlanders in 1641 Malakka veroverden waren door  hen al betrekkingen aangeknoopt met het Atjehse Rijk want hulptroepen van Atjeh en Djohor ondersteunden onze manschappen tijdens die gevechten. Echter, in 1651 werden te Perak Hollanders vermoord en blokkeerde het Nederlandse gouvernement de kust van Atjeh.

Acht jaar later werd een verdrag gesloten waarbij uitsluitend door de Oost-Indische Compagnie handel mocht worden gedreven in de Atjehse havens. Nog vele jaren later, in 1824, werd een traktaat tussen Engeland en Nederland (het Traktaat van Londen)  gesloten waarin Nederland ten aanzien van Atjeh verplichtingen op zich nam. Nederland deed afstand van alle bezittingen op het schiereiland Malakka terwijl Engeland alle bezittingen op Sumatra aan Nederland overdroeg.

Generaal van Swieten en het Traktaat van Vriendschap

Van 1837 tot 1855 werd geen enkel Nederlands oorlogsschip naar Atjeh gezonden. Pas in 1857 toen de Nederlands-Indische regering generaal-majoor Jan van Swieten met een oorlogsschip stuurde om de sultan een brief en geschenken van de gouverneur-generaal te overhandigen kwam er een traktaat tot stand waarbij enige afspraken werden gemaakt. Die waren dat wederzijdse onderdanen tot handel, scheepvaart en verblijf zouden worden toegelaten en zStrijd tijdens de Atjehoorlogee-, strand- en mensenroof werden tegengegaan. Erkenning van de gouverneur van Sumatra's Westkust als vertegenwoordiger van het de Indische Regering was eveneens onderdeel van het verdrag. 

Op 30 maart tekende de sultan dit traktaat van "bestendige vrede, vriendschap en goede verstandhouding". Al snel werd deze heugelijke tijding gevolgd door schermutselingen met Atjeh als gevolg van het door het Nederlandse gouvernement gesloten traktaat met de sultan van Siam. De toestand werd meer en meer gespannen en het schip de Djambi werd met een brief van de gouverneur-generaal naar Atjeh gestuurd, maar deze geste leidde niet tot het gewenste resultaat.

De onveiligheid op de Atjehse kusten nam hand over hand toe, zodat de Minister van Koloniën Fransen van der Putte in september 1871 schreef dat de politiek van lijdzaamheid en onthouding die tot dan toe gevolgd was diende te worden vervangen door een zonder agressie maar die blijk gaf van de bedoeling der Nederlands-Indische regering om bescherming te verlenen en haar rechtmatige invloed op Sumatra te bevestigen. 

Aanzet tot de eerste expeditie naar Atjeh

Op 24 mei 1872 werd de overeenkomst met Engeland betreffende Sumatra in Nederlands-Indië afgekondigd. Onder de nieuwe gouverneur-generaal, James Loudon, vroeg de sultan van Atjeh bescherming aan het Franse gouvernement tegen het Nederlandse bewind en bereikte het Indische gouvernement het bericht dat Atjehse gezanten zich tot de consuls van Amerika en Italië hadden gewend omStrijd val van ladder de hulp van deze mogendheden in te roepen.

Loudon belegde, na enige andere incidenten, een buitengewone vergadering van de Raad van Indië, die alvast een krijgsmacht aanwees om het gezag te Atjeh te herstellen en een gouvernements-commissaris, F.N. Nieuwenhuizen, naar het opstandige gebied zond. Nieuwenhuizen vertrok op 7 maart 1873  met de Citadel van Antwerpen en de Siak naar Penang, waar de Coehoorn en de Marnix zich bij deze oorlogsbodems zouden aansluiten.

Nu bleek dat de vijand te Atjeh al op de hoogte was en er waarschijnlijk weerstand te verwachten zou zijn. Nieuwenhuizen was van mening dat het aanbeveling verdiende direct na de oorlogsverklaring over te gaan tot een bombardement om de vijand te intimideren en te belemmeren defensieve maatregelen te nemen.

Hij kwam aldus op 13 maart  met vier oorlogsschepen ter reden van Atjeh  aan en vroeg de sultan om opheldering, die geweigerd werd en beantwoord met een schrijven waarin de sultan te kennen gaf dat hij de souvereiniteit van het Indische gouvernement niet aanvaardde. Op dat moment zond men dus met spoed een militaire expeditie naar Atjeh.  

Landing op Atjeh

Begin april 1873 bereikten de Nederlandse troepen de kust van Atjeh. De strijdmacht stond onder opperbevel van generaal-majoor der infanterie Johan Harmen Rudolf Köhler. Hij was op  instignatie van gouverneur-generaal Loudon in de plaats van generaal G.M. Verspyck benoemd, die als opperbevelhebber het meest voor de hand had gelegen.

Als eerste werd een verkenning gedaan naar het beste laDoden eerste expeditiendingspunt, waar de overgang der troepen op de rede plaats zou kunnen vinden. Hierbij moesten de soldaten hevig strijd leveren met de zeer actieve en ondernemende vijand maar maakte men toch enige kanonnen en een mortier buit. De eerste fout die de bevelhebber toen maakte was de troepen, die inmiddels gedebarkeerd waren, weer aan boord van de schepen terug te roepen, wat op de vNieuwjaarskaart 1874ijand een zeer negatieve indruk maakte.

De tweede landing geschiedde, door weersomstandigheden gedwongen, pas in de morgen van de achtste april. Na het debarkement rukten het negende bataljon en de Barisan, gedekt door het derde en twaalfde bataljon,  in de richting van een lagunebrug op. Adelborst der eerste klasse B.H. Zimmer raakte tijdens deze actie als eerste dodelijk gewond.

De troepen trokken via Kota Pantei Tjermin door naar Kota Mogat; tijdens de bestorming van deze sterkte werd het eerste echec geleden. Er vielen 10 doden en 50 gewonden en men was gedwongen te retireren op het strandbivak. In de dagen erop vonden diverse verkenningen plaats en werd besloten onder meer het derde en negende veldbataljon naar de Kraton van de sultan op te laten trekken.

Bij de versterkte Mesigit werd de tegenstand van de vijand heftiger maar na hevige gevechten gelukte het dit gebouw met lichtkogels in vuur en vlam te zetten. Hier beging generaal Köhler een tweede fout door de troepenmacht een bivak te doen opslaan nabij de Mesigit, waardoor deze niet bezet bleef en opnieuw door de vijand werd ingenomen. De troepen waren gedurende de nacht blootgesteld aan een moordend vuur vanaf de Kraton.

Dood van generaal Köhler en meer nederlagen

Aldus moest de Mesigit voor een tweede keer genomen worden. Dit gelukte op de 14de april,  maar daarbij werden aan Nederlandse zijde eenKohler voor de Mesigit luitenant, 3 minderen en vijf kapiteins gedood en raakten 3 luitenants en 91 minderen ernstig gewond. Toen generaal  Köhler de Mesigit nader wilde bekijken werd hij door een kogel van de vijand, die zijn arm doorboorde en vervolgens zijn hart, dodelijk getroffen. Zijn begrafenis vond op 28 april 1873 te Batavia plaats. 

Onder kolonel E.C. van Daalen, die Köhler als bevelhebber was opgevolgd, werden verkenningstroepen naar de Kraton gezonden. Deze manschappen bereikten weliswaar de poort maar werden door het geweer- en kanonsvuur gedwongen te retireren. Intussen waren van de 700 man 11 gesneuveld en 105 gewond geraakt.

Daarnaast dreigde het contact met het strand door de vijand afgesneden te worden.  Op dit heikele moment werd een krijgsraad belegd en de vraag gesteld of van een hernieuwde aanval succes kon worden verwacht. Toen  het antwoord ontkennend was besloot men tot de terugtocht.

Die begon op 17 april, toen de expeditie dus als mislukt kon worden beschouwd. Van Daalen  en diens chef van de staf ontmoetten in het strandbivak de regeringscommissaris Nieuwenhuizen en stelden hem op de hoogte van het echec. De leider van de zeemacht verkeerde overigens eveneens in de overtuiging dat de expeditie gestaakt diende te worden omdat de kwade moeson weldra aanbrak en verder ageren onmogelijk zou worden.

Het besluit der regering

De Regering te Batavia kreeg de uitslag van het beraad te horen en er werd een buitengewone vergadering van de Raad van Indië belegd om toestemming voor terugtrekking te verlenen. Generaal-majoor G.M. Verspyck, die intusBischoff van Heemskerksen als opvolger van generaal Köhler was aangewezen, toonde de bereidheid direct naar Atjeh te vertrekken en de expeditie voort te zetten. Hij werd echter door gouverneur-generaal Loudon gedwongen in te stemmen met de retiratie der manschappen en aldus het einde van de eerste expeditie naar Atjeh.

In de morgen van de 29ste april 1873 vertrok de transportvloot van Atjeh naar de rede van Semarang en Batavia, waar zij de in de eerste weken van mei aankwam. Naar de hoofden en bevolking van de aan Atjeh onderhorige staatjes ging, om te voorkomen dat deze de wapens zouden oppakken,  een proclamatie, waarin stond dat wanneer bijstand aan Atjeh  verleend zou worden men als vijand werd beschouwd.

Aan alle hoofdofficieren, die deel van de expeditie hadden uitgemaakt, met uitzondering van de opperbevelhebber, kolonel van Daalen, en de chef van de staf, werd een geheim geschrift overhandigd, waarin verschillende vragen over de leiding der expeditie ter beantwoording  stonden. Dit was de beruchte "enquête".

De enquêtecommissie

De enquêtecommissie werd door Loudon ingesteld omdat hem van het strijdtoneel, onder andere van luitenant-kolonel De Rochemont, broer van zijn adjudant, luitenant-kolonel Johannes Isaak de RochemontVerhoor enquete, berichten hadden bereikt dat de leiding van de eerste expeditie naar Atjeh zich aan grote fouten schuldig zou hebben gemaakt. Loudon schreef in zijn memoires: "besloot ik tot het instellen van de enquête daar het bij mij geen twijfel leed dat de mislukking der expeditie aan de regeringscommissaris en zijn kolonels te wijten was".

De commissie bestond uit de volgende personen: Mr. F.H. der Kinderen, president, generaal Verspyck, kolonel Kroesen, kolonel Hoedt, kolonel Maarschalk, de heer de Laat de Kanter, inspecteur Loodswezen, en majoor Schröder, lid Militair Hooggerechtshof. Secretaris was eerste luitenant P.P.H. van Ham, die later tijdens de Lombok-expeditie zou sneuvelen.  

Generaal VerspyckRochemont JI schreef in 1880 het volgende over de enquêtecommissie: "Toen de expeditie ter rede van Batavia kwam en de gouverneur-generaal aan alle hoofdofficieren van de expeditie, buiten de chef om, en met uitzondering van de chef alleen, de fatale drie vragen liet doen, toen tastte hij in de persoon van de chef, kolonel van Daalen, het militair gezag zelf aan, door aan al die ondergeschiktGeneraal Verspyck enqueteen met zoveel woorden te verklaren dat hij, gouverneur-generaal Loudon, met betrekking tot de handelingen, waarover hij nog geen oordeel had, reeds à priori meer vertrouwen stelde in de meningen en oordeelvellingen van de ondergeschikten dan in het oordeel van de verantwoordelijke chef, wiens inlichting hij niet vroeg, wiens rapport hij zelfs niet afwachtte. 

De enquête was daardoor een rechtstreekse aanval op het gezag van de verantwoordelijke chef; want zij kon voor een ieder, voor burgers en leger, voor hen die opgeroepen en die het niet werden, geen andere betekenis hebben dan deze: "Ik, gouverneur-generaal Loudon, weet nog niets van de expeditie, doch het spreekt vanzelf dat ik de rapporten, die ik daarvan nog zal ontvangen van de chefs, niet vertrouw, en dus tot andere middelen mijn toevlucht moet nemen om achter de waarheid te komen, die zij natuurlijk wel zullen verbergen!"

Intussen bracht de enquête de chefs, die zij wel compromitteerde maar niet beschuldigde, in een valse positie – een positie, waarin zij voortdurend mochten worden aangerand, zonder de rechten die een werkelijk beschuldigde in staat stelt zich met klem te verdedigen."

Een enquête naar de Indische regering zelf?

Generaal P.G. Booms schreef over de enquête-commissie:  "Zie hier dus het regeringsbeleid; men weet dat het Indische leger in verscheidJames Loudonene opzichten te wensen overlaat; dat onze marine in een zeer verwaarloosde toestand verkeert; dat het voor de oorlogsoperaties en voor het contact met de vloot ongunstige seizoen op handen is; daarentegen weet men weinig of niets van Atjeh en toch onderneemt men een oorlog zonder dat daarvoor urgentie bestaat.

Men zendt naar die verwijderde en onherbergzame kust een expeditie geraamd op de gis; van heinde en verre sleept men ter laatster ure onbekende, slecht ingelichte of onbruikbare gidsen bijeenBlokkadeschepen; men geeft de expeditie een zakboekje mee dat volgens de ambtenaar voor de betrekkingen met de Inlandse Zaken in Noord Sumatra, controleur jhr. Krayenhof, “veel onjuistheden bevatte en eigenlijk de lieden op een dwaalspoor moesten brengen”.  

Maar geen reservemunitie voor de berghouwitzers, die wel het meeste in werking moesten komen, geen belegeringsmaterieel en niet de nodige bouwmaterialen en arbeidskrachten zelfs voor een tijdelijke vestiging, of om de troepen vóór de op handen zijnde regenmoesson onder dak te brengen! Over de militaire leiding heeft de Indische regering, partij en rechter, een enquête gehouden en welke! Maar waar blijft de parlementaire enquête over de staatkundige leiding, over de regering zelf?" 

Na afloop van de eerste expeditie naar Atjeh werd besloten tot een blokkade van de kust door diverse schepen en in het najaar van 1873 vertrok de tweede expeditie, onder opperbevel van luitenant-generaal Jan van Swieten, naar Atjeh teneinde de nederlaag van de eerste uit te wissen.


 

 

f t