Afdrukken
Details: Hoofdcategorie: 1942-1950. Acties in Nederlands-Indiƫ Categorie: Officieren, kaderleden en manschappen actief tijdens de Politionele Acties | Gepubliceerd: 27 februari 2015

 


Bo Keller 256



Vroege jaren

Japanse bezetting

De Bersiapperiode. De Olo-affaire

Politionele Acties

Naar Nieuw-Guinea

De strijd in Korea

Werkzaamheden in Nederland

Nieuw-Guinea en latere loopbaan

Gids op Bronbeek

Decoraties

Zie ook


George Wilhelm (Bo) Keller (Sawa Loento, 6 september 1928) werd op Sumatra geboren als zoon van Gerrit Keller, mijnopzichter bij de Ombilinkolenmijn. Deze mijn, in 1868 ontdekt door mijningenieur W.H. de Greve, lag in een afgelegen gebied van de Padangse Bovenlanden (Sumatra's Westkust). De mijn werd bij wet van 28 december 1891 van staatsweBo Keller tweede van rechts met zijn familiege geëxploiteerd. Gerrit Keller was een der weesjongens van Sumatra's Westkust geweest, opgegroeid bij de Paters van Tilburg.

Keller werd al jong naar zijn grootouders gezonden, waar hij opgroeide in een kampong. Toen hij in de derde klas van de lagere school zat werd hij teruggestuurd naar zijn ouders. Dat was een enorme overgang voor hem omdat hij van het vrije leven in de kampong terecht kwam in een streng Katholiek gezin, dat woonde in een stenen huis.

Niet lang hierna brak in Europa de Tweede Wereldoorlog uit en werd het moederland, Nederland, bezet. Deze gebeurtenissen leidden tot een enorme toename van patriottische, pro-Nederlandse, gevoelens in Indië. 

Als jonge jongen van 13 jaar aanschouwde Keller de restanten van het verslagen Engelse leger en het binnentrekken van van de Japanse overwinnaKeller als jong soldaatar in zijn geboorteplaats op Midden-Sumatra.

Toen de Japanners Nederlands-Indië begin 1942 veroverden maakte men de belangrijkste apparatuur van de Ombilinmijn onklaar door deze in het water af te laten zinken. Hierop werden veel mensen gearresteerd en in gijzeling genomen door de Japanners, waaronder ook de jonge Bo Keller.  Nadat hij echter tot genoegen van zijn belagers tot drie maal toe Banzai Nippon had geroepen liet men hem gaan.

Intussen leed het gezin Keller armoede omdat de Ombilinmijn buiten werking was gesteld. Een poging om dan maar een fiets te verkopen leed schipbreuk omdat alle bezit nu eigendom was geworden van de Japanners. Korte tijd later werd Keller junior in een geblindeerde trein afgevoerd. 

De periode tot zijn zeventiende levensjaar en het einde van de oorlog bracht hij door in diverse vrouwen- en mannenkampen, met als "tussendoortje" een eenjarig verblijf in de gevangenis van PadBo Keller in 1946ang. Ook in deze tijd werd hij door de Japanners gedwongen mee te graven aan een massagraf, dat in eerste instantie ook voor hem bestemd leek. De bombardementen van Hiroshima en Nagasaki kwamen maar net op tijd.

Na de bevrijding van Nederlands-Indië kwam er geen rust maar begonnen op grote schaal moordpartijen plaats te vinden; Indo's en Nederlanders werden zonder aanziens des persoons afgeslacht door bruut optredende bendes nationalisten, hiertoe eerder getraind door de Japanners. Een van de gelegenheden waarbij Keller veel familieleden verloor was de Bersiap-moordpartij op 18 november 1945 te Djalan Olo te Padang.

Een van de (waarschijnlijke) redenen van de slachting aan de Olostraat 27 was dat de daders hoopten de sleutels die toegang gaven tot de Ombilinmijnen te vinden. Tijdens de verschrikkelijke gebeurtenissen werd het huis aan de Olostraat in brand gestoken. Tientallen mannen, vrouwen en kinderen werden  gedwongen een grote, rechthoekige kuil te graven. Hierna werd hun keel doorgesneden en werden de lijken in de kuil gegooid. Een aantal jonge meisjes werd verkracht, de borsten afgesneden en hierna alsnog vermoord.

De grootvader van Keller werd tijdens de Bersiapperiode elders op Java vermoord.

Keller trad, mede door al deze gebeurtenissen, al snel in militaire dienst bij het KNIL, waar zijn vader inmiddels benoemd was tot instructeur. Hij was echter nog te jong en werd weggezonden. Op 11 september 1946 verbond hij zich als vrijwilliger te Padang voor een jaar als vrijwilliger aan het KNIL. In de rang van soldaat der tweede klasse werd hij aldus als recruut geplaatst bij het Depot Compagnie te Padang. Aldaar was hij een van de weinige soldaten met een Europese achtergrond.

Op 5 november 1946 werd Keller overgeplaatst bij het Centraal Depot te Medan.  Met ingang van 3 september 1947 werd hij geplaatst bij het zesde BataBo Keller 241ljon Infanterie en op 8 januari 1948 bevorderd tot soldaat der eerste klasse. Tijdens de Eerste Politionele Actie was Keller, onder overste Maris, met het zesde bataljon, actief op Noord-Sumatra.

Op 8 maart 1948 ging Keller, ter nadere indeling, over bij het Territoriale tevens Troepencommando Riouw en op 16 juli 1948 werd hij ingedeeld bij het tweede bataljon infanterie te Cheribon. Op 10 augustus 1948 ging hij over bij het Plaatselijk Militair Commando aldaar en wat later dat jaar werd hij geplaatst op de Infanterie Kaderschool te Tjimahi. Vlak voor de Tweede Politionele Actie begon vond de plaatsing bij het tweede bataljon infanterie plaats.

Deze periode van strijd was moeilijk voor Keller omdat hij zich, tijdens de Tweede Politionele Actie, min of meer gedwongen voelde tegen zijn eigen mensen te vechten. Dat was omdat het gevechtsterrein zich toen bevond in de geboortestreek van Keller.

Na de Politionele Acties werd Keller met ingang van 7 april 1950 overgeplaatst bij het Centraal Doorgangskamp te Batavia en met ingang van 24 juli 1950 verrichtte hij tijdelijke dienst bij de Koninklijke Landmacht. Twee dagen later werd hij, in verband met de reorganisatie van het KNIL na de soevereiniteitsoverdracht, eervol uit de militaire dienst van het KNIL ontslagen. 

Deze souvereiniteitsoverdracht had op 27 december 1949 plaatsgevonden. Alle Indo's binnen het KNIL waren door de Nederlandse regering voorbestemd voor het Tentara Nasional Indonesia (TNI), het Indonesische Nationale leger. Deze lotsbKeller op Koreaestemming vernam Keller in Batavia, toen hij en andere militairen door Hollandse officieren tijdens een bijeenkomst hieromtrent werden voorgelicht. Er brak bijna een massale vechtpartij uit toen de altijd zeer loyaal gebleven KNIL-militairen van deze discutabele beslissing van de Nederlandse overheid kennis namen.

Uiteindelijk maakte generaal R.C. Luchsinger een einde aan de zeer dreigende situatie door mede te delen dat de KNIL-militairen naar Nieuw-Guinea zouden worden gezonden. De manschappen (2.000 mannen, vrouwen en kinderen, die daarnaast kippen, geiten en hak- en kapmateriaal) werden naar de Waterman gedirigeerd, waar zij hun wapens, die zij eerder niet hadden willen afgeven, in de riolen aldaar verstopten.  Aldus werd omstreeks 2.000 man naar Nieuw Guinea verscheept, waar hen een bestaan als kolonist zou wachten. Keller zelf kwam te wonen in Manokwari, waar hij RMWO Mauritz Christiaan Kokkelink ontmoette. Jaren later zou hij op Bronbeek met de nalatenschap van Kokkelink te maken krijgen.

KelBo Keller 266ler werd met ingang van 26 juli 1950 bij het Regiment Van Heutsz als vrijwilliger voor onbepaalde tijd bij de Koninklijke Landmacht aangenomen en tewerk gesteld bij de Landmacht op Nieuw-Guinea. Met ingang van 16 augustus 1951 werd hij ontheven van deze tewerkstelling en ingedeeld bij het Nederlands Detachement Verenigde Naties, dat op die datum per vliegtuig vanuit Biak via Japan naar Puaan vertrok, waar het op 23 augustus aankwam. 

Aldaar werd Keller tijdelijk, met ingang van 15 oktober 1951, benoemd tot korporaal. Tijdens een gevecht op 18 februari 1952 raakte hij (niet ernstig) gewond. Een paar maanden later, 6 juli 1952, vertrok Keller per Generaal le Roy Eltinge naar Japan, vanwaar hij per vliegtuig terugkeerde naar Nieuw-Guinea. Op 16 juli 1952 werd hij eervol ontheven van zijn tewerkstelling bij het Nederlandse Detachement Verenigde Naties en met ingang van die datum tewerk gesteld bij de landmacht op Nieuw-Guinea.

Keller werd met ingang van 21 februari 1954 ontheven van zijn tewerkstelling bij de Landmacht Nieuw-Guinea en vertrok per vliegtuig naar Nederland, waar hij werd opgevangen in de paardenstal in de legerplaats te Oldebroek. In de rang van soldaat der eerste klasse werd hBrief aan de Koninginij geplaatst bij het Bewakingskorps Koninklijke Landmacht (24 maart 1954). Met ingang van 5 november van dat jaar volgde de bevordering tot korporaal. 

Begin januari 1955 ging Keller over naar het Regiment van Heutsz, waar hij werd ingedeeld bij het twaalfde regiment. Enige jaren later deed hij de onderofficierenschool om opgeleid te worden voor de rang van sergeant der infanterie (1957)  en in 1958 volgde een detachering bij de Opleidingsschool voor adminstratief kader. Pas op  8 augustus 1959 verkreeg hij bij wet de "hoedanigheid van Nederlander".

In mei 1962 keerde Keller naar Nieuw-Guinea terug, waar hij met ingang van 1 juni 1962 benoemd werd tot pelotonssergeant. Dat was wegens de militaire confrontatie in West-Papoea.  In deze functie bleef hij werkzaam tot november van dat jaar, toeBoekje van Kellern hij terugkeerde naar Nederland, waar hij op 4 november 1962 aankwam. In de loop van de jaren die volgden werd hij diverse malen overgeplaatst en volgde verschillende opleidingen. Hij nam verder onder meer deel aan de parate- en wachtdiensten in Nederland en Duitsland.

Keller verliet de militaire dienst in 1983 in de rang van adjudant-onderofficier.

Keller was gedurende vele jaren na zijn pensionering als vrijwilliger werkzaam als gids van Koninklijk Tehuis voor Oud-Militairen en Museum Bronbeek. In 2010/2011 zorgde hij er persoonlijk voor dat de Kokkelink-vlag, symbool voor het verzetswerk van de groep Kokkelink tijdens de bezetting van Nieuw-Guinea door Japan, een meer eervolle plaats, in een eigen vitrine, in de permanente tentoonstelling "Het verhaal van Indië" kreeg.

Hij heeft in de loop der jaren, helaas met wisselend succes, bij de collectiebeheerders van Bronbeek, steeds met argumenten en feiten onderbouwd, vasthoudend en volhardend gewezen op ergerlijke fouten en onjuistheden in de opstellingen.

Wat moet Nederland trots zijn op deze man, die zowel in de Oost, als op Nieuw-Guinea, op Korea, in Nederland, maar ook na zijn pensionering, de naam van ons leger hoog hield. Die zelfs nu hij de tachtig ver gepasseerd is de vinger aan de pols van de presentatie daarvan op Bronbeek en elders houdt. Die ook digitaal steeds een belangrijke verdediger van onze militaire eer is. Hulde aan adjudant onderofficier bd. George Wilhelm Keller!

Medailles

Vulnuratus nec victus

Bo Keller 287 

 

 

 

 

 

Onderscheidingen


Indien u de link van de video niet kunt openen klik dan op deze link. 

Indien u  de link van de video niet kunt openen klik dan op deze link


Zie ook