Holsbergen 21 jaar


U kunt hier het fotoalbum inzien. Zie ook het artikel over Johannes Holsbergen, zijn vader.


 Jeugdjaren

De dreiging van Kamp Amersfoort

Opgesloten in een hok

Bij de ondergrondse

Na de bevrijding

Oorlogsvrijwilliger

Diverse overplaatsingen

Naar de Oost

Krijgsverrichtingen

Latere acties

De ontvoering van en moord op twee zeeofficieren

Latere loopbaan

Terugkeer naar Nederland

Films

Bronvermelding


Jeugdjaren

Pieter Harm Johannes (Peter) Holsbergen werd op 12 mei 1926 geboren te 's-Gravenhage als zoon van Johannes HolsbHolsbergen op 15jarige leeftijdergen, politieagent aldaar. Hij volgde gedurende een jaar de Mulo maar na een schoolverzuim vanwege een buikvlies operatie en het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog besloot hij, omdat hij dan de minste kans had naar Duitsland te worden gezonden, naar de Ambachtsschool te gaan. Hij slaagde in januari 1944 voor zijn examen en was vervolgens gedurende enige maanden als monteur bij de firma Slotboom in Den Haag werkzaam.

Intussen was zijn vader in het verzet actief geworden, waarbij deze ook af en toe zijn vrouw en twee zoons, Arnold en Peter, als hulp inschakelde. InJohannes Holsbergen mei 1944, vlak na de arrestatie van zijn vader, ontving Peter een oproep van de Nederlandse Arbeidsdienst. Hij diende zich op 1 juli te melden in Kamp Waterloo bij Amersfoort. Peter dook niet onder, omdat hij zijn vader dan veel  last kon bezorgen tijdens diens gevangenschap. Wel had hij, bij wijze van voorzorg, van een arts een attest weten los te krijgen waarin stond dat hij waarschijnlijk aan klieren-TBC leed. 

De dreiging van Kamp Amersfoort

De kampcommandant in Kamp Waterloo was Hopman de Man, eerder actief als piloot Kamp Amersfoortop een G1 van de Nederlandse Luchtmacht. Er was geen prikkeldraad aangebracht rond het kamp maar de commandant wees de Arbeidsmannen erop dat een ieder die trachtte te vluchten naar Kamp Amersfoort werd gezonden. In Kamp Amersfoort was indertijd onder meer Joseph Kotella  als wrede kampbewaker actief.

Kotella gaf ten aanschouwe van de gevangenen, waaronder Hosbergen,  een demonstratie van wat hen in Kamp Amersfoort te wachten zou staan. Hij liet een gevangene rondjes draaien, terwijl deze zijn vinger in de grond gestoken had. Toen de man uiteindelijk uitgeput raakte liet Kotella zijn honden op hem los. Ondanks dit vooruitzicht ontvluchtten in de nacht die erop volgde zes jongens het kamp.

Opgesloten in een hok 

De volgende dag werd Holsbergen, omdat hij bleef weigeren de Hitlergroet te brengen, en zelfs na een aKamp Waterlooantal rondjes in V1 tempo rond de groep rennen, daar niet vanaf te brengen was, bij de kampcommandant gebracht. Deze hopman vroeg hem wat zijn reden tot weigering was, waarop Peter zei dat hij Nederlander was en bleef. Voor de standvastige jongeman had de commandant wel bewondering en hij bood hem een plaats in de kaderopleiding te Doorn aan als hij eerst alsnog de heilgroet zou brengen.

Omdat Holsbergen bleef weigeren werd hij vrijwel naakt opgesloten in een betonnen hok met golfplaten dak en stalen deur. 's Nachts was het daar ijskoud en overdag bloedheet. Iedere dag kreeg hij van zijn commandant te horen dat als hij niet toe zou geven hij naar Kamp Amersfoort werd gezonden. Na negen dagen en nachten dreigde de commandant hem de volgende dag naar Kamp Amersfoort te brengen, waarop Holsbergen een doktersattest liet zien waarin stond dat de arts die het attest had geschreven het vermoeden had dat Peter klieren-TBC had.

De commandant schrok van de dreiging van tuberculose in zijn kamp en zond Holsbergen de volgende dag onder toezicht van de ziekenverpleger naar het ziekenhuis in Utrecht, waar de dienstdoende hoogleraar-arts de ziekenverpleger naar het kamp terugstuurde en Holsbergen met een knipoog met ziekenverlof naar huis zond.

Bij de ondergrondse 

Na terugkeer in Den Haag sloot Hlsbergen zich op verzoek aan bij de verzetsgroep van Jan Hollander (een kennis van zijn vBinnenlandse Strijdkrachtenader), onderdeel van de Oranje-Nassaubrigade, waar hij wapeninstructie kreeg. Op 5 september 1944 ging de groep op in De Binnenlandse Strijdkrachten, Strijdend gedeelte. De groep had tot taak belangrijke gebouwen, bruggen en wegen te beschermen als de bevrijding zou komen. Met een stengun, als persoonlijke wapen, onder zijn jas verborgen ging hij naar een kelder onder een voor de Duitsers werkende meubelfabriek voor schietoefeningen.

Op 18 februari 1945, dezelfde dag dat diens broer Bert werd neergeschoten, vond de arrestatie van Sjaak Heidema (17 jaar), vrienden van Holsbergen en zijn broer, plaats. Sjaak werd naar een tuchthuis in Bochum overgebracht, waaruit hij, na een aantal vergeefse pogingen, wist te ontsnappen en in een tijdsbestek van zeven dagen naar huis terugliep.

Na de bevrijding 

Na de bevrijding kreeg de groep opdracht strategische locaties te bezetten en collaborateurs in hechtenis te nemen. Bij dit laatste hield hij zijn principe, dat hij nooit oSpeldje Binnenlandse Strijdkrachteok maar enigszins op een SS'er wilde gelijken, hoog. Dat betekende in zijn optiek nette en goed gefundeerde arrestaties, zodat er geen vergissingen werden begaan.

Fouten werden voornamelijk gemaakt door de zogenaamde "cornedbeef jongens", mannen die direct na de bevrijding bij de Binnenlandse Strijdkrachten actief waren geworden omwille van de blikken vlees die men dan kreeg. Zo werd bijvoorbeeld door hen een koerierster kaalgeknipt terwijl dat lot haar zuster had moeten treffen. Tegen deze onrechtvaardigheden trad de groep waar Holsbergen toe behoorde ferm op.

Na de bevrijding werd hij voor hand en spandiensten gedetacheerd bij de 48th Highlanders, een Canadees infanterieregiment, dat in de Dr. Herman Bavinckschool gelegerd was. Zijn werkzaamheden bestonden toen onder meer uit het overbrengen van berichten.

Oorlogsvrijwilliger 

Op 2 augustus 1945 meldde Holsbergen zich, samen met zijn vriend  Sjaak Heidema, als oorlogsvrijwilliger aan. Er zat InWaarheen gaat de actie - kopiedisch bloed in zijn vaders familie en in zijn jeugd had hij op een zogenaamde "blauwe school" gezeten. Op zijn 12de verjaardag vroeg en kreeg hij tropenhelm en tekende zijn toekomstige huis, gelegen in de Oost. Vandaar dat toen hij de kans kreeg om voor Orde en Vrede in Nederlands-Indië te strijden hij die gelegenheid met beide handen aanvatte.

In augustus 1945 was hij echter eerst nog werkzaam bij de voedselvoorziening van het Nederlandse leger (Detail Issue  Depot van de 21ste Army Group), vallend onder de intendance  in de IJsselhaven te Rotterdam. Aldaar moest hij helpen bij de  distributie naar de verschillende kazernes. Tijdens een der transporten met brood kreeg hij een auto-ongeluk; zijn drietonner werd door een tram van achteren aangereden; door de klap kwamen twee NSB'ers, die achterop de klep van de auto gezeten waren, om het leven. Holsbergen hield aan dit incident een beschadigde knie over, waaraan hij later geopereerd is.

Diverse overplaatsingen

Na twee weken werd Holsbergen aangesteld als oppasser voor de commandant van de IntendancMinister van den Bergh2e, Sidney James van den Bergh, later Minister van Defensie (diens zuster was een aangetrouwde tante van de zus van Holsbergen). Deze functie vervulde hij tot november 1945, toen hij de brutaliteit had Van den Bergh met een sneeuwbal te bekogelen. Deze betoonde zich echter niet zeer rancuneus want hij bevorderde zijn oppasser desalniettemin tot soldaat eerste klasse.

Op verzoek werden Sjaak en Holsbergen begin 1946 overgeplaatst naar het Indisch Instructiebataljon, gelegerd in het Julianakamp te Kijkduin, waar zij werden aangesteld alskijkduin prinses-juliana-kamp-003 instructeur.  Sjaak ging al snel voor de kaderopleiding voor onderofficieren naar Elst. Holsbergen volgde intussen gedurende zes weken de commando-opleiding in Bloemendaal.

Vanaf februari 1947 studeerde zijn vriend Heidema aan de School voor Reserve-officieren in Breda, terwijl Holsbergen zelf de kaderschool voor onderofficieren in Harderwijk doorliep. Hij werd in september 1947 bevorderd tot sergeant en leidde, in deze functie, een peloton voor Indië op in Hulten, bij Tilburg. Vervolgens werd hij, na een test, toegelaten op de opleiding tot reserve officier in Breda. Hij kon de opleiding maar 3 maanden volgen omdat hij ervoor koos om als pelotonssergeant met Sjaak mee te gaan.

Naar de Oost 

Sjaak, die de pelotonscommandant van Holsbergen was, werd begin 1948  naar Nederlands-InVolendamdië gezonden. Sjaak wist te bewerkstelligen, mede omdat de hem toegewezen sergeant ziek werd, dat Holsbergen in diens plaats met hem mee kon gaan. In het paybook van Holsbergen stond dat de overplaatsing van de officiersopleiding naar  5 11RI  "op last van de Generale Staf had plaatsgevonden". Dat laatste was geregeld door zijn neef J. Chriterus.

Holsbergen (pelotonssergeant)  en Sjaak (vaandrig- pelotonscommandant) scheepten zich vanuit Roermond, met het 2-2-5-11RI, in op de Volendam, waar Holsbergen direct werd benoemd tot "sergeant van de week" voor de gehele reis en aldus direct aan de slag kon. Eind maart 1948 kwamen zij te Belawan, op Noord-Sumatra, aan. Vanaf hier reisden zij  per trein naar Siantar en vervolgens door naar de buitenpost, gelegen  op de rubberonderneming Nagaradja. Bij het begin van de tweede actie werden zowel Holsbergen als Sjaak beëdigd als veldpolitie.

In Nederland had de regering de manschappen voorgehouden dat oorlogsvrijwilligers de mensen in Nederlands-Indië dienden te beschermen tegen opstandelingen. In feite kwam het er echter op neer dat men werd ingezet tegen vrijheidsstrijders en bendes, die soms zeer wreed handelden, zowel tegen de bevolking als naar de Nederlandse soldaten toe.

Krijgsverrichtingen

Holsbergen kreeg onder meer als taak samen met zijn manschappen een rubberonderneming en haar omgeving te beschermen. Nadat hij om twee uur 's nachts aldaar aan was gekomen diende hij vrijwel direct op eerste patrouille te gaan. Met zijn troep trok hij door vier ravijnen en rivieren. De manschappen waren uitgeput toen zij van deze missie terugkeerden. Het eerste huis waar de soldaten gelegerd waren was een huis op palen op een tjot (heuvel), die Holsbergen tien jaren geleden op zijn 12de verjaardag getekend had.

Holsbergen had gedurende enige maanden de leiding over de helft van het peloton en werd toen overgeplaatst naar Pantuan en vervolgens naar Bah Djambi, waar hij tot taak had te zorgen dat de plantages, die behoorden bij de vezelfabriek, beschermd werden tegen invallen. Na twee manden werden het tweede peloton en de compagniestaf gelegerd in Aek na Oeli ( betekent in de Batakse taal "schoon water").

Tijdens de Tweede Politionele Actie waren Sjaak en zijn troep gelegerd bij het Toba-meer. In dat meer lag het eiland COLLECTIE TROPENMUSEUM Gezicht op het schiereiland met het dorp Prapat aan het Tobameer TMnr 60004167Samosir, dat geteisterd werd door een epidemie van cholera en tyfus. Aldus was een der taken van de Nederlandse troepen te verhinderen dat men zich van het eiland naar de vaste wal kon begeven en zodoende de besmettelijke ziekten hielp te verspreiden.

Bij het niet opvolgen van de bevelen werd met scherp op overtreders geschoten. Er werden na vele waarschuwingen twee mensen doodgeschoten na eerst tweemaal naast hun sampan (soort kano) geschoten te hebben. Nederlandse soldaten brachten de twee sampans weer terug naar het strand van Samosir.

Tijdens de landing te Baligé werden de manschappen met landingsboten op de wal gezet; kort daarop, in de kerstnacht, werden zij aangevallen door een bende van, wat men later van de bevolking hoorde, zeshonderd man, waarbij aan de kant van de vijand vele doden vieken en aan Nederlandse zijde slechts een paar gewonden.

Het huis dat aan Holsbergen en zijn troep werd toegewezen moest eerst onderzocht worden op de aanwezigheid van boobytraps. Dat dit niet overbodig was bleek toen een trekbom, die verbonden was met een vliegtuigbom van 250 kilogram, in een der achterste kamers werd ontdekt en onschadelijk gemaakt.

Latere acties 

De volgende dag reden Holsbergen en tien van zijn manschappen naar het nabijgelegen vliegveld, dat in de jaren der Japanse bezetting schromelijk was verwaarloosd en nu weer operationeel gemaakt moest worden. Het terrein lag er zo desolaat bij dat Holsbergen het Manschappen op patrouille in Dolokeerst niet als landingsplaats herkende en er dan ook voorbij reed. De compagnie waar hij toe behoorde werd niet lang hierna overgeplaatst naar Dolok Sanggul, gelegen op een hoogvlakte.

Van daaruit vond een patrouille plaats naar een groot huis in Bakkara, waar een vergadering van bendeleiders  zou plaatsvinden. Zes bendehoofden werden gevangen gemaakt. Twee mannen vluchtten het huis uit en werden neergeschoten; een was meteen dood terwijl de andere een schot door zijn been had gekregen. Op de terugweg vond er een aanval door de vijand plaats met runtjengs (bambusperen), waarbij gelukkig niemand gewond raakte. Sjaak werd nu overgeplaatst naar de derde compagnie omdat aldaar een gebrek aan officieren was.

Kort daarop werd Holsbergen overgeplaatst en benoemd tot Commandant Militaire Vervoer in Tapanoelie. In deze functie begeleidde hij dagelijkDodenwegs het konvooi van Baligé via Taroetoeng naar Sibolga. Deze route van Taroetoeng naar Sibolga werd ook wel de dodenweg genoemd. Zij kende 6400 haarspeldbochten en had een lengte van 64 kilometer. Vrijwel dagelijks hadden de Nederlandse troepen hier wel een dode en/of een gewonde te betreuren. Na zes weken werd Holsbergen overgeplaatst naar het derde peloton van de derde Compagnie en zo kwamen hij en Sjaak weer bij elkaar.

Begin Mei 1949 kreeg Sjaak tussen Prapat en Iantar een kopschot en werd met spoed met een KLM toestel, dat toevallig op het vliegveld van Medan stond, via Medan naar Batavia vervoerd. Na een operatie werd hij in augustus met de MS Grote Beer naar Nederland overgebracht.

Dit was zo'n moment dat het voor Holsbergen te veel werd en hij, razend van woede, de schuldigen wilde afmaken. Na een gesprek met de dominee en onderwijzer van Boetar  voerde hij dit voornemen echter niet uit. Hij volgde uiteindelijk Sjaak op in diens functie als pelotonscommandant.

De ontvoering van  en moord op twee zeeofficieren


Zie ook moord op twee zeeofficieren


Op 3 mei 1949 maakten de twee zeeofficieren  Arthur Ernst Lodewijk Roskott en Pieter Jan Oosterbaan een wandeling bij het Tobameer, toen zij ontvoerd werden. OnZoekgebiedder leiding van een kapitein en twee sergeanten, waaronder Holsbergen, werd een zoektocht georganiseerd naar de zeeofficieren en de daders van dit misdrijf.

De tocht, door ruig gebied, duurde bijna 14 dagen, gedurende welke niet of nauwelijks gerust werd. Tijdens deze patrouille vond de bevoorrading via de lucht plaats. De manschappen kwamen zo dicht bij de ontvoerders dat in een van hun bivakken de bedden van de daders nog warm waren.

Indertijd waren in de omgeving van het Tobameer diverse bendes actief. Weliswaar werd een der commandanten gearresteerd maar de zeeofficieren werden nooit meer levend gezien of dood teruggevonden.

Latere loopbaan 

In juni van dat jaar solliciteerde Holsbergen bij de politie om de opleiding tot Inspecteur te kunnen volgen. Hij werd aangenomen en kon, met gemiddeld het cijfer acht,  door naar de opleiding tot commissaris. Dat was ook omdat de gehele NederlDecoraties van Holsbergenandse top naar Nederland ging met ontslag. Holsbergen diende hiertoe echter Warga Negara (Indonesiër) worden. Hier bedankte hij, mede door zijn huidskleur voor. Hij ging vervolgens naar het hoofdkantoor van de Deli-Maatschappij, een cultuur maatschappij die tabaks- rubber en Palmolieon-dernemingen beheerde, voor een open sollicitatie. Aldaar werd hij direct aangenomen als veiligheidsassistent met het vooruitzicht om tabaksplanter te worden, wat ook later daadwerkelijkheid werd.

Holsbergen kon met ingang van  1 oktober beginnen. Zijn Bataljon werd intussen begin juli 1949 uit Tapanoeli teruggetrokken en naar Tandjung Poera in het Langkatse verplaatst. Holsbergen kwam met zijn peloton in Gebang te liggen, Op de grens met Atjeh was een rivier, die Republikeins gebied was. Een sergeant-majoor die de leiding had ging 's avonds naar huis om te slapen, zodat Holsbergen dan functioneerde als kampcommandant. In die tijd werden er besprekingen gevoerd tussen Nederlandse vertegenwoordigers en Republikeinse officieren, die via Gebang naar Medan moesten. Meestal moesten zij meer dan anderhalf uur op de brug wachten. Door gesprekken met hen deed Holsbergen veel vriendschappen op,  waar hij later veel profijt van had. 

Terugkeer naar Nederland

In de periode tussen half september 1949 en maart 1950 leverde Holsbergen strijd met een  metaalvergiftiging in zijn bloed door een kalkinjectie met, naar later bleek, een vuile injectiespuit. Hieraan hield hij een allergie voor penicilline aan over. Daar hij de DeliMaatschappij geïnformeerd had kon hij met ingang van 1 april in hun dienst treden, wat dan ook geschiedde.

Holsbergen ging in juni 1955 met MS. Oranje vanaf Belawan naar Nederland voor een verlof van  negen maanden en keerde in 1958 definitief naar zijn vaderland terug.

Omdat hij een jaar tekort kwam voor zijn  militair pensioen, trad hij twee jaar in dienst als contactambtenaar bij de Dienst Maatschappelijk Zorg. Later was hij ondermeer gedurende 28 jaren werkzaam bij Centraal Beheer, met als laatste functie ambtelijk secretaris.

Holsbergen overleed te Vaassen op 28 oktober 2016. 

Films

Bij het naderend overlijden van Holsbergen:

 

 

Holsbergen en generaal Ted Meines ontmoeten elkaar voor de laatste keer:

 

 

 

Impressie uitvaart van Holsbergen:

 

 

Volledig verslag met toespraken uitvaart Holsbergen


Bronvermelding

  • 1955. Met de Oranje naar Nederland. In: Het Nieuwsblad voor Sumatra, 1 juni 1966
  • 2014. Persoonlijke aantekeningen van Peter Holsbergen
  • Voor Sjaak Heidema, zie hier

 [ Terug ]

 

 

 

 

f t