knootzer



Vroege jaren

In de Oost - eerste dagen

Landing der Engelsen

Generaal Jumel verliest ieders vertrouwen

Gevangenname Jumel en Knotzer

Krijgsgevangene van de Engelsen

Terugkeer naar Nederland

Belgische opstand - oproer te Ath

Slag bij Houthalen (6 augustus 1831)

Anecdote over Knotzer

Latere leven 

Bibliografie

Decoraties

Zie ook


Vroege jaren

Frederik Knotzer (Den Haag, 10 augustus 1782 - Amerongen, 26 november 1853) was de zoon van Stephanus Knotzer en Wilhelmina Margaretha Allerin. Hij trouwde op 15 oktober 1815 met Geertruida Alida Lang (overleden in 1834), dan weduwe van Francois le Maire,  en voor de tweede keer met Jacoba Scheffers (overleden 1870).Huwelijk

Lang had een zoon bij Le Maire, Frederik Willem, een officier die de naam van zijn stiefvader toevoegde, Le Maire Knotzer. Dit gebeurde bij Koninklijk Besluit van 26 november 1820 nummer 56. Naamsverandering

Knotzer trad in 1801 in de rang van cadet in Hollandse dienst bij het eerste bataljon der zevende halve brigade infanterie. In  februari 1803 deed hij een verzoek om in de rang van tweede luitenant te mogen worden geplaatst bij het Korps Marechaussee maar het Staatsbewind der Bataafsche Republiek honoreerde deze aanvraag niet. 

Aldus werd Knotzer benoemd tot sergeant bij het negentiende bataljon infanterie en pas in juli 1805 bevorderd tot tweede luitenant bij het Achtste Regiment Infanterie van Ligne. 1280px Charles Meynier Napoleon in BerlinIn deze positie nam hij deel aan de veldtocht in Oostenrijk in 1806 en de strijd in Pruisen in 1807 en 1808.

Na afloop van die laatste tocht kregen Knotzer en luitenant-kolonel Rancke van de generale staf der armee namens de Minister van Oorlog opdracht naar Duitsland te gaan en alle plaatsen af te reizen waar de Hollandse Divisie gelegerd was, de achtergebleven manschappen op te zoeken, te verenigen en hen naar hun rijk te doen terugkeren.

Aldus maakten beide officieren bekend dat de in de opdracht genoemde militairen niet als deserteurs zouden worden aangemerkt wanneer zij zich voor de dertigste september 1809 te Hannover zouden melden, waarna zij onder de orders van Knotzer en Rancke naar Nederland zouden terugkeren. 

Knotzer werd in september 1809 bij het tweede bataljon van het negende regiment infanterie benoemd. Hij was vanaf februari 1810 actief als luitenant-adjunct bij de generale staf te Gorinchem. 

In de Oost - eerste dagen

Na de inlijving deelde men Knotzer in de rang van kapitein in bij het 123ste Regiment Infanterie. Echter, al spoedig hierop, op 25 september 1810, volgde zijn benoeming tot kapitein-adjudant van generaal Janssens, gouverneur-generaal van Nederlands-Indië, waarmee hij met het fregat Medusa begin 1811 naar Batavia voer.

Aldaar werd hij in de rang van luitenant-kolonel aangesteld als commandant van een infanteriebataljon.Buitenzorg Knotzer vertelde over deze periode in een "Dagverhaal van een veldtocht", dat hij in 1822 schreef.

De 5de augustus 1811 bevond hij zich te Buitenzorg, waar hij een bataljon infanterie van het vierde regiment, bestaande uit Javanen, Ambonezen, Boeginezen en Madurezen, en dat hij zelf zes weken daarvoor had opgericht, commandeerde. 

Met dit bataljon, waar hij, gezien de instelling en geoefendheid der manschappen, weinig vertrouwen in had, begaf hij zich naar de versterking Meester Cornelis. 

De officieren van zijn eenheid omschreef hij in zijn artikel als volgt: "Door eergevoel was weinig te verkrijgen. Alleen door middel van straffen en aanhoudende oefeningen gelukte het mij die trage, ontzenuwde lichamen in beweging te krijgen." Over de instelling der onderofficieren en soldaten was Knotzel al even mismoedig:

"De samenstelling der onderofficieren was eender als die der officieren. De gemene soldaten beschouwde ik als werktuigen, ten volle ongeschikt voor hun bestemming, evenwel bezaten zij nog een goede wil en meer verstandelijke vermogens dan de boven hen gestelden". 

Landing der Engelsen

Intussen waren de Engelsen bij Tjilintjing geland. De eenheid van Knotzer werd de 26ste augustus 1811 door drie colonnes Engelsen met de bajonet aangevallen. Doordat het bataljon van overste Van der Kaa in plaats van de wacht te houden in diepe rust lag kon de vijand ongestoord de redoute nemen en Slokkan doortrekken.

Generaal Jean Marie Jumel gelastte een tweegelederen vuur, waardoor de cavalerie tussen twee vuren geraakte en de manschappen in massa sneuvelden. Weg van Buitenzorg naar SalakUiteindelijk werd de order tot terugtrekken gegeven, met de last om bij Tjanjong op de weg naar Buitenzorg post te vatten.

Majoor der artillerie Mulder, die bekend stond als een dronkenlap maar nu meer eergevoel betoonde dan daarvoor het geval was geweest, liet redoute 2, met hemzelf daarbij, de lucht in vliegen. Enige dagen daarvoor had hij al verklaard dat de vijand hem nimmer levend in handen zou krijgen en aldoende hield hij woord. 

Intussen was Meester Cornelis door de Engelsen veroverd en viel 6.000 man als krijgsgevangenen in hun handen. Jumel, Janssen en Knotzer vluchtten nu naar Buitenzorg. De toestand was ontzettend, want Knotzer schreef:

"We waren nauwelijks enige honderd passen van Meester Cornelis verwijderd toen de Rijdende Artillerie, die onze terugtocht moest dekken, met stukken en kruitwagens door onze colonne kwam doorjagen, alles overhoop werpend. 

Onze infanterie vluchtte uiteen, velen werden verpletterd en kwamen ellendig aan hun einde. Vanaf dat moment was het niet meer doende een peloton te verenigen en was de vlucht algemeen. Enige vijandelijke cavaleristen, op hoge paarden gezeten, maakten van de gelegenheid gebruik alles neer te houwen wat hen in de weg kwam, zonder dat iemand weerstand bood. Onze officieren gaven zich en masse krijgsgevangen, maar door een zijweg in te slaan ontkwam ik aan dit lot."

Generaal Jumel verliest ieders vertrouwen

Knotzer kwam na een zware mars te Buitenzorg aan, waar hij generaal Janssens ontmoette. Janssens wilde brigade-generaal Jumel, die zich zeer slecht had gedragen bij de verovering van Meester Cornelis, niet meer zien, waarop deze zich naar Tjisarua begaf. Paleis Buitenzorg

Janssen en zijn manschappen trachtten via Semarang Cheribon bereiken. Intussen deserteerden de soldaten en masse en keerden naar hun kampongs terug.

Uit het regiment dragonders, bestaande uit Ambonezen, aangevuld met blanke Hollandse soldaten, gelukte het een eskadron te vormen, waarmee Janssens en zijn officieren naar Sumedang reisden, waar men de 31ste augustus aankwam. 

De Engelse zeemacht veroverde uiteindelijk  op die dag Cheribon en nam zowel generaal Jumel als bataljonschef Knotzer krijgsgevangen.

De meeste andere officieren, die op dat moment uit Meester Cornelis geretireerd waren, gelukte het met generaal Janssens wel Samarang te bereiken. Men betreurde over het algemeen het verlies van generaal Jumel aan de vijand niet, maar wel dat van luitenant-kolonel Knotzer.

Gevangenname Jumel en Knotzer 

De toedracht was als volgt: generaal Jumel gelastte dat zestig officieren samen met hem op mars zouden gaan naar Cheribon. Hoewel hij geen gezag meer had kreeg Knotzer medelijden. kntzer2

Zelf schreef hij hierover: "Niemand der officieren wilde bij de generaal blijven, zodat ik deels tot welzijn van de dienst, voor zover die nog bestond, daar de generaal noch Hollands, noch Maleis verstond, door hem op een smekende wijze als het ware gedwongen werd mee te gaan. 

Jumel en Knotzer arriveerden in een herberg te Cheribon. Op dat moment bevond zich een zekere kapitein Robinson, een Engelse officier, ook op die plaats. Jumel had met het grootste gemak zijn pistool op de borst van Robinson kunnen zetten en de man dwingen hem en Knotzer naar Tagal en Samarang te rijden. 

Toen Jumel hiertoe echter geen aanstalten leek te maken besloot Robinson Jumel dan maar zelf gevangen te nemen. Jumel zei hem dat dat deze kapitein, als parlementair in Cheribon aan wal gekomen, geen recht had hem gevangen te nemen, waarop Robinson Jumel mee naar buiten nam.

Aldaar bleek Jumel al spoedig bij het zien van de Engelse vlag die daar wapperde dat de Engelsen niet als parlementairen maar als veroveraars van Cheribon dienden te worden gezien. 

Krijgsgevangene van de Engelsen

Knotzer en zijn manschappen werden overgebracht naar het fregat de Nysus, dat de 12de september de rede verliet om naar Semarang en Soerabaja koers te zetten. afb. 29. F. Knotzer

Aldaar werd het fort Lodewijk op 14 december bezet. Knotzer keerde op 22 september met het fregat Eusephalis terug naar Semarang, waar de krijgsgevangenen op de 29ste werden ontscheept en de vrijheid kregen naar Batavia terug te keren. 

Wat Knotzer het meest aan het hart ging was niet het verlies van al zijn bezittingen maar dat hij niet de macht had zijn twee trouwe slaven, Achmut en Saida, vrij te geven. Achmut had hem terzijde gestaan bij alle strijdhandelingen en Saida wilde hem te Batavia al de gouden voorwerpen, die hij haar eerder had geschonken, teruggeven.

Knotzer wist de twee uiteindelijk aan een goede vriend over te doen, die naar hij hoopte goed voor Achmut en Saida zou gaan zorgen. Op 15 oktober vertrok Knotzer met de Misore naar Bengalen en bereikte na enige omzwervingen op de 30ste november Calcutta. Van daar reisde hij op 3 januari 1812 naar Chinchera en op 31 januari per schip terug naar Europa. 

Terugkeer naar Nederland

Eenmaal teruggekeerd in Nederland deelde men Knotzer in bij het Elfde Bataljon Jagers, waarmee hij streed tijdens de Slag bij Waterloo. Datzelfde jaar was hij ook actief bij de veldtocht in Frankrijk. Prussian Attack Plancenoit by Adolf Northern

Hij werd op 1 augustus 1814 bevorderd tot luitenant-kolonel en met ingang van 1 november 1815 als commandant van het bataljon Jagers nummer 11 ingedeeld op Curaçao, gelegerd te Fort Amsterdam. 

Drie jaar later, in februari 1818, keerde hij met zijn echtgenote met het schip de Doris met verlof terug naar Nederland, alwaar hij zich te Meenen vestigde. 

Knotzer werd nu bij het leger te velde geplaatst en in oktober 1825 bevorderd tot kolonel-commandant bij de veertiende afdeling infanterie. In december 1828 vond zijn benoeming tot bevelvoerder van de tweede brigade der eerste divisie infanterie plaats.

Het jaar daarop commandeerde hij de veertiende afdeling infanterie en niet lang daarop de zeventiende afdeling infanterie. Met deze eenheid nam hij uiteindelijk deel aan de Belgische Opstand, waar hij te Ath een oproer het hoofd diende te bieden en gevangen genomen werd.  

Belgische Opstand: oproer te Ath

Op 14 september 1830 vond te Ath een opstand der burgerij plaats, waar het plaatselijk gezag, in casu een majoor en diens eenheid, geen antwoord op wist. Aldus was de bezetting, een bataljon van de Vierde Afdeling en een compagnie artilleristen, in een nadelige positie toen Knotzer bij het aanbreken van de 27ste september in de vesting Ath aankwam. 1280px Ath Belgium Ferraris Map 1775

Knotzer, die was benoemd tot de nieuwe commandant van Ath, werd spoedig het middelpunt van een groot oproer onder de manschappen. Een der kapiteins reikte hem voor het front van zijn compagnie een schriftelijke verklaring aan waarin stond dat hij niet meer tegen zijn landgenoten wilde strijden.

Ook de overige Zuid-Nederlandse officieren stonden achter de inhoud van het document. De onderofficieren gehoorzaamden hun meerderen niet meer omdat hen in het Belgische leger de officiersrang was toegezegd en de soldaten sloten vrede met de opstandelingen en overhandigden hun wapens aan de burgerwacht. 

Intussen stormde een woedende menigte van twee kanten de kazerne, waar Knotzer verbleef, binnen. Hij en zijn adjudant kregen van het grauw de keuze tussen de dood of gevangenschap. Eenmaal in de gevangenis aangekomen dwong men Knotzer een order te tekenen, waarin kapitein der artillerie Sierevelt last kreeg het arsenaal te verlaten. Hiermee was de vesting Ath met al zijn strijdmiddelen verloren voor Nederland. 

Slag bij Houthalen (6 augustus 1831)

Tijdens de Tiendaagse Veldtocht was Knotzer actief als commandant van de Eerste Brigade der Reserve Divisie, waarbij de Amsterdamse schutterij ingedeeld was, en waarmee hij onder meer vijandelijke Tirailleurs de la Meuse uit Hechtel verdreef. Bij het plaatje Helchteren verjoeg hij de Scherpschutters van de Maas en dwong hij ze Houthalen te ontruimen. Knotzer tijdens de slag bij Houthalen

De Slag bij Houthalen was voornamelijk een gevecht tussen de eenheden van de generaals C.M. Cortheyligers en Daine. Hierbij was de 5.000 man sterkte macht van de eerste opgebouwd uit twee eskadrons kurassiers, de batterij Singendonck, een paar compagnieën infanterie en verder geheel uit schutters, terwijl de dubbel zo grote eenheid van Daine vooral ervaren soldaten telde. 

Die verhouding, vooral bij een strijd in het open veld, was zo in het nadeel van de Hollandse macht dat Corheyligers in eerste instantie aarzelde de grote verantwoordelijkheid op zich te nemen. Hij nam echter, aangespoord door Knotzer, toch de proef op de som.

De reden dat de Hollandse krijgsmacht tijdens de Slag bij Houthalen slechts onbeduidende verliezen leed was overigens mede te danken aan het feit dat generaal Daine slechts een enkele afdeling van zijn leger in het gevecht bracht en het overige gedeelte werkloos aan de zijlijn liet staan. 

Anecdote over Knotzer

Een vrijwilliger van de Nijmeegse schutterij schreef in een brief, gedateerd 8 augustus 1831: "Gisteren heel vroeg zijn wij van Valkenswaard, onder veel gejuich en onder het commando van onze dappere generaal-majoor Knotzer, met onze eerste brigade en al haar toebehoren naar en over de grenzen van Limburg getrokken, ons bataljon (Gelderse steden) aan het hoofd der brigade en onze Nijmeegse eerste compagnie, kapitein Most, als avant garde voorop.

Om kwart over een kwamen wij op vijandelijke bodem, een uur verder, bij de tweede barrière, ging de ontvanger aldaar en de commiesen lopen. Zijn vrouw viel voor ons op de knieën en smeekte alleen om levensbehoud voor haar beide kinderen, maar niemand geschiedde iets kwaads. Wij kopen en betalen alles als echte Nederlanders. Wij zijn immers toch geen brigands? Wij staan op het moment gereed om naar Harmond te marcheren, daar liggen Brabanders."

Latere leven 

Voor zijn verrichtingen tijdens de Belgische Opstand benoemde de Koning Knotzer bij Besluit van 31 augustus 1831 nummer 113 tot ridder in de Militaire Willemsorde. Hij werd daarnaast in 1831 bevorderd tot generaal-majoor en benoemd tot bevelhebber van de eerste en derde brigade der reserve-divisie en commandant van de derde brigade. Bij Koninklijk Besluit van 13 juni 1838 kreeg hij het bevel opgedragen over de reserve-divisie van het leger en daarnaast over de tweede divisie.

Knotzer, indertijd woonachtig te Haarlem, werd tevens ontheven uit zijn functie als commandant der derde brigade. In juli 1839 volgde een benoeming tot provinciaal commandant van Friesland. Bij Koninklijk Besluit van 27 maart 1842 nummer 6 bevorderde men Knotzer tot luitenant-generaal en benoemde men hem tevens tot lid van het Hoog Militair Gerechtshof. Bij datzelfde Koninklijke Besluit kreeg hij zijn eervol ontslag uit zijn betrekking van provinciaal commandant van Friesland. 

Knotzer maakte in 1849 deel uit van de commissie voor het verzamelen van bijdragen voor een op te richten gedenkteken ter ere van de dan recent overleden Koning Willem II en schreef ingezonden brieven ten gunste van het Militair Invalidentehuis in Leiden. 

In deze tijd was hij al woonachtig in Den Haag, waar hij op 26 november 1853 op 71-jarige leeftijd overleed. 

Bibliografie

Decoraties

  • Ridder in de Militaire Willemsorde
  • Ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw
  • Ridder van het Legioen van Eer

Zie ook

f t