Chassetje


Heel het land aan hem verplicht

Roemt hem met één stem

Zijn grootheid wordt een zuil gesticht

En het nakroost zegent hem.... 

Rhijnvis Feith


Zie ook het fotoalbum over de Belgische Opstand en het album van Chassé zelf


Familie en vroege jaren

Bataafsche Republiek

Spaanse oorlog (1808-1814)

Strijd bij Almonaced

Slag bij Talavera de la Reyna

In Franse en Nederlandse dienst

Slag bij Waterloo

Belgische Opstand

De opstand breidt zich uit

Persoonlijke anecdote

Dan liever de lucht in!

Op de citadel van Antwerpen

Krijgsgevangenschap en terugkeer naar Nederland

Overlijden en begrafenis

Chassé door PvdA-burgemeester uitgescholden voor oorlogsmisdadiger

Decoraties

Zie ook


Familie en vroege jaren

David Hendrik Chassé (Tiel, 18 maart 1765 - Breda, 2 mei 1849) was de zoon van majoor in het Munsterse regiment (Staatse dienst)  Carel Johan Chassé en Maria Johanna Helena Schull en zag het levenslicht op het Kalverbos nummer 4 te Tiel.

Hij trouwde in 1786 met Johanna Adriana van Nieuwenhoven (de zuster van zijn zwager) en na de echtscheiding (omstreeks 1795) in 1796 met de Engelse Elisabeth Irish - ook dit huwelijk hield geen stand. Uit zijn tweede echt had Chassé een zoon, Carl Jan David Henricus Constantijn Delphijn Chassé (1796-1834), die in de jaren dertig in Nederlands-Indië sneuvelde. Geboortehuis 1900

Chassé volgde lessen op de Franse school in Tiel en trad, op instignatie van zijn vader, op tienjarige leeftijd in de rang van cadet in dienst bij het infanterieregiment van zijn vader. Hij werd in mei 1781 bevorderd tot tweede luitenant. Tijdens de overstroming van de Tielerwaard, in 1783, redde hij met gevaar voor eigen leven een aantal mensen van de verdrinkingsdood. 

Toen de Republiek verstrikt raakte in de strijd tussen Orangisten en Patriotten koos Chassé de kant der Patriotten en nam in 1786 ontslag uit het door de Prins gecontroleerde leger, om een troepenmacht te gaan versterken die de Patriotten langs de grens van Holland en Utrecht hadden samengetrokken. Slag bij Hooglede

In de rang van kapitein verdedigde Chassé onder meer Muiden en Weesp tegen aanvallen van het Pruisische leger, dat in september 1787 de Prins ter hulp schoot. De Patriotten beleefden, mede als gevolg van de tussenkomst ten gunste van de stadhouderlijke familie der Pruisen, een nederlaag.

Aldus ontvluchtte de Patriottische Chassé na de onwenteling van 1787 zijn vaderland en nam dienst in de Franse legers. Hij werd datzelfde jaar achtereenvolgens bevorderd tot eerste luitenant en kapitein. 

Vanaf 1792 maakte Chassé onderdeel uit van het Légion Franche Etrangère, dat de strijd aanbond in de Zuidelijke Nederlanden en Staats Brabant. In 1793 werd hij bevorderd tot luitenant-kolonel en in de zomer van 1794 gewond door een kogel in zijn arm.

Aan het einde van dat jaar nam hij een beslissend aandeel in de verovering van het vestingstadje Zaltbommel en trok vervolgens met de hoofdmacht steeds verder de Republiek in. In deze jaren streed hij onder meer mee tijdens de veldslagen van Mouquron, Stade en Hooglede.

Bataafsche Republiek

In 1795 keerde Chassé met het leger van Pichegru naar het vaderland terug en nam onder bevel van generaal Daendels bij de Bataafsche Armee  in 1796 deel aan de veldtocht in Duitsland. De dreiging in het noordelijke gedeelte van de Bataafsche Republiek was in het najaar van 1798 reeds voelbaar toen bij Den Helder enige Engelse oorlogsschepen ankerden. Men stuurde derhalve in oktober van dat jaar een groepje Jagers onder commando van Chassé in die richting om polshoogte te gaan nemen.  Landing Calantsoog

Tijdens de landing der Engelsen en Russen in Noord-Holland in 1799 (de zogenaamde Brits-Russische expeditie naar Noord-Holland, 27 augustus-19 november 1799) viel Chassé op door zijn dapperheid.

Hij nam vervolgens deel aan de veldtocht in Duitsland en was met een lichte infanterie-eenheid aanwezig bij het beleg van  Würzburg in 1800. Gedurende de gevechten die rondom deze vesting ontstonden kreeg Chassé opnieuw de kans uit te blinken

Hij onderscheidde zich onder meer door een batterij op de Oostenrijkers te heroveren en tijdens de strijd vierhonderd gevangenen te maken. In 1803 kreeg hij een bevordering tot kolonel. In die rang vergezelde hij in  de jaren 1805-1806 de Hollandse generaal Dumonceau in de oorlog tegen de Pruisen, om in 1806 benoemd te worden tot brigade-generaal in het Bataafse leger. 

Spaanse oorlog (1808-1814)

Strijd bij Almonaced

Chassé verwierf zich vooral een grote naam tijdens de de oorlog in Spanje (1808-1814), waar hij in de rang van generaal-majoor als brigade-generaal de Hollandse Brigade, omgeveer 3.000 man, commandeerde. Hij betoonde zijn dapperheid onder meer tijdens gevechten te Durango, Missa dÍbor, Talavera de la Reyna, Ocana en bij de Col de Maja, waar hij het legerkorps van graaf d'Erlon redde. In deze tijd werd Chassé "generaal-bajonette" genoemd, omdat hij steeds met onverschrokken moed en de punt van zijn bajonet op de vijand indrong.

Slag Spanje

Koning Lodewijk Napoleon had Chassé het bevel over de Hollandse troepen, die in 1808 ter plaatse aankwamen, in Spanje opgedragen.

Ondanks de grote moeilijkheden waarmee de manschappen te worstelen hadden als onbruikbare wegen, steenachtige wildernissen, steile rotsen, ontoegankelijke bergen, zonder eten en oorlogsbenodigheden en blootgesteld aan de woede der vijand, wisten zij Biscaye met de grootste moeite mede te onderwerpen. Hierna baande men zich een weg naar de hoofdstad van Spanje. 

Chassé beschreef in zijn rapporten aan de Koning uitgebreid de strijd, waaronder die bij Almonaced (augustus 1809), die door generaal Sebastiani tegen de de Spanjaarden werd gevoerd, en de slag bij Ocana. De vijand, 32.000 man sterk, bewapend met dertig kanonnen en gelegerd op voordelige hoogten, diende aangevallen te worden met een veel kleinere macht van 17.000 man, onder leiding van voorgenoemde generaal Sebastiani, met veel minder artillerie.Baron chasse en porfiel

Na een hevig gevecht wisten de troepen der bondgenoten de slag te winnen en 26 kanonnen, 10 vaandels en vele krijgsgevangenen buit te maken. Chassé  prees in zijn brief het gedrag van zijn troepen en met name dat van het Regiment Huzaren van de Garde, dat door haar vele uitvallen doorslaggevend had bijgedragen aan de goede uitslag.

Daarnaast noemde hij vooral de Rijdende Artillerie die,  onder bevel van de nog van de vorige slag gewonde luitenant-kolonel Trip, zeer veel koelbloedigheid had betoond en de vijand enorme schade toebracht.  

De aide de camp van Chassé, luitenant Clarion, werd door Chassé uitbundig op het vaandel gehesen omdat deze zeer veel moed en doortastendheid aan de dag had gelegd, ondanks dat zijn paard onder hem was doodgeschoten en hijzelf in zijn voet getroffen werd. Chassé werd datzelfde jaar, 1809, benoemd tot commandeur in de Orde van de Unie.

Slag bij Talavera de la Reyna

Over de slag bij Talavera de la Reyna (1809) schreef Chassé eveneens een uitgebreid, in kranten gepubliceerd, verhaal. Het legerkorps van maarschalk Victor, waar de Hollandse Brigade mee verenigd was,  kreeg hier de opdracht Estramadura  binnen te dringen en de vijand te achtervolgen. Men verdreef de Spanjaarden allereerst uit de stellingen te Bonal.

Het  Regiment lichte infanterie Van Nassau-Usingen dwong hen vervolgens ook de legerplek op een rotsachtig en bijna ontoegankelijk gebergte te verlaten. Uiteindelijk vond een laatste gevecht bij Mesas de Iboi plaats, waar de Hollandsche Brigade een werkzaam aandeel had in het verjagen van de opponent door op zeer beheerste wijze de stellingen te beklimmen en zodoende de tegenstander tot retireren te dwingen. 

In Franse en Nederlandse dienst

Koning Lodewijk-Napoleon verhief Chassé, naar aanleiding van diens handelen in Spanje, op 1 juli 1810 met de titel van baron in de adelstand en bevorderde hem in september van datzelfde jaar tot brigade-generaal. Het feit dat Nederland door Napoleon ingelijfd werd bij Frankrijk en hiermee haar zelfstandigheid verloor wekte echter de woede van Chassé. Toen keizer Napoleon hem op in juni 1811 met de titel baron d'Empire  in de Franse adel opnam weigerde hij de bijbehorende oorkonde.Charge polonaise à Somosierra 2

De opname in de adelstand was bij besluit van 30 juni 1811 en tot baron van het Keizerrijk, inclusief een dotatie van 3.000 gulden op de Domeinen van het Rijk, en een benoeming tot commandeur in de Orde van de Unie.

Keizer Napoleon benoemde hem tot officier in het Legioen van Eer, een eerbetoon dat indertijd slechts zelden werd toegestaan, en die  Chassé verkreeg voor het redden van het legerkorps van generaal graaf van Erlon tijdens de strijd in de bergpassen van de Pyreneeën

Maarschalk Soult droeg Chassé voor tot de rang van divisie-generaal, een rang die hij bij het verlaten van de Franse dienst ontving. 

Intussen (zomer 1813) werd het Franse leger door een Brits-Spaanse strijdmacht onder leiding van de hertog van Wellington steeds verder naar het noorden teruggedreven. Bij Vitoria leden de keizerlijke troepen een zware nederlaag, waarbij Chassé al zijn persoonlijke eigendommen kwijtraakte. Hij kreeg in januari 1814 uiteindelijk bevel om zich met vier regimenten bij het grote leger in de omstreken van Parijs te voegen. Jean Baptiste Drouet dErlon

Aldaar onderscheidde hij zich tijdens een gevecht nabij Bar-sur-Aube tegen de Pruisen. Op 27 februari viel hij met de overblijfselen van een van zijn regimenten een Pruisische colonne, bestaande uit 6.000 man, die werd ondersteund door een batterij van zes stukken, aan.

Deze eenheid was gelegerd op een hoogte nabij Bar-sur-Aube. Chassé en zijn manschappen doorstonden bij deze gelegenheid drie herhaalde en hardnekkige aanvallen der cavalerie maar daarbij raakte Chassé gewond. 

Gedurende de strijd bij Arcis sur Aube nam Chassé de trommel van een gesneuvelde tamboer over om persoonlijk de stormmars te slaan. Tijdens de veldtochten van 1813 en 1814 werden drie paarden onder hem doodgeschoten en twee gewond. Zijn lievelingspaard Moes overleefde de strijd niet, wat Chassé zeer bedroefde omdat dit dier hem bij alle veldslagen in Spanje had vergezeld. 

Na de val van Napoleon en de capitulatie van Parijs vroeg en verkreeg Chassé in oktober 1814, in de rang van luitenant-generaal, ontslag uit de Franse krijgsdienst. Hij keerde naar Nederland terug en werd in 1814 door Koning Willem I, indertijd souvereine vorst van Holland, ook in het Nederlandse leger bevorderd tot luitenant-generaal. Hierop nam hij als commandant van de Derde Divisie een roemrijk aandeel in de Slag bij Waterloo, toen hij, bij het einde van de strijd, met zijn divisie voorwaarts rukte en de Franse Garde van een hoogte verdreef. 

De hertog van Wellington, die Chassé, gezien zijn jarenlange dienst bij het Franse leger, niet geheel vertrouwde, had hem achter de frontlinie geplaatst maar Chassé wist ook deze hindernis glorieus te overwinnen en glansrijk te schitteren tijdens de slag bij Waterloo. 

Slag bij Waterloo

Napoleon gaf aan zijn grenadiers opdracht door middel van een stormmars op te rukken naar de Divisie Belgische infanterie en nationale militie. Omdat het de Engelsen aan munitie ontbrak hield het vuur al spoedig op.

Hierop meende de Keizerlijke Garde dat de stukken verlaten waren, klonk "Leve de Keizer!" en stormde de Garde naar de artillerie toe.Charge of the French Cuirassiers at Waterloo

Op dat moment gaf Chassé aan majoor Van der Smissen opdracht met zijn lichte batterij voorwaarts te rukken, waarna deze eenheid onder de vijandelijke Grenadiers met schrootvuur grote verwoestingen aanrichtte. 

Er brak nu een hevig gevecht langs vrijwel de gehele linie uit.  De vijand had meer dan 100 zware stukken, waardoor de strijd om 18.00 uur nog onbeslist was. De Prins van Oranje, die zich naar de divisie van Chassé begaf, raakte op dat moment gewond door een kogel aan zijn schouder.

In totaal sneuvelden van het Nederlandse leger 2.058 man en raakten 1.936 soldaten gewond. De Prins van Oranje schreef over de slag bij Waterloo "dat alle Nederlandse troepen van alle wapens met de grootste dapperheid gestreden hadden en dat de divisie van generaal Chassé, dat behoorde tot het Korps van generaal Hill, pas laat in het gevecht kwam maar verschrikkelijk dapper handelde, met name generaal Chassé en zijn brigadecommandanten. Ook de Hertog van Wellington prees in een openbaar gemaakte brief de belangrijke verdiensten van Chassé.  

Belgische Opstand

Chassé woonde en werkte achtereenvolgens in Mechelen (1815), van 1817-1819 in Brussel en vervolgens in Antwerpen. Hij werd in februari 1819 benoemd tot commandant van de provincie Antwerpen en militair-gouverneur van de militaire divisie, waarvan Antwerpen de hoofdplaats was, als opvolger van de dan recent overleden luitenant-generaal Van der Plaat. In het voorjaar van 1823 ging het gerucht dat Z.M. de Koning Chassé zou willen benoemen tot commandant van een observatie-cordon, gelegerd aan de Franse grens. 

In plaats daarvan werd hij aangesteld als commandant van het Vierde Groot Militaire Commando (Antwerpen) en kreeg hij kapitein J.P.W. Hombach als zijn adjudant. Al vroeg in de aanloop tot de Belgische Opstand was Chassé hierbij van zeer nabij bij betrokken. Zo maakte hij deel uit van een buitengewone commissie, die verder bestond uit de gouverneur van de provincie, de burgemeester van Antwerpen en de chef van de generale staf, die maatregelen voorstelde met betrekking tot Antwerpen.

De onderwerpen die door de commissie behandeld werden droeg Chassé aan. Hij had bovendien de macht de benodigde maatregelen ten uitvoering te brengen. Eind oktober 1830 barstte de opstand in Antwerpen los en brandde de stad op 12 plaatsen tegelijk. Chassé wist zich temidden van afval en oproer in zijn post te handhaven. 

De muitelingen werden door het leger met de bajonet uit de kleine werf, waar zij zich verzameld hadden, verdreven. Op een bepaald moment was Chassé door teuggelloze bendes, die zijn manschappen in de straten vermoordden, gedwongen de stad uit te trekken en de citadel te bezetten.  

Op 27 oktober 1830 liet Chassé in de tijd van vier uur 153 bommen van van 50 pond steen in de stad werpen met het dreigement deze handeling te zullen herhalen indien hij nog vijandelijkheden bemerkte. Dat was in opdracht van de Raad van Verdediging en op aandrang van hertog Bernard van Saksen Weimar. 

De opstand breidt zich uit

Intussen maakte het grauw van de verwarring gebruik de stad Antwerpen te plunderen en de Nederlandse oorlogsschepen in de haven te bedreigen. Op 24 oktober verklaarde Chassé Antwerpen in staat van beleg. De hele kwestie had intussen ook grote gevolgen voor het leger gehad, zo bleek uit de dagorder van 16 oktober 1830:Staat van beleg

"Z.K.H. de Prins van Oranje brengt ter kennis aan de troepen dat de scheiding tussen de Belgen en de Hollanders korpsgewijs binnenkort plaats zal hebben en dat generaal Van Geen geacht wordt om dit te bewerkstelligen. De Belgische troepen zullen in België en onder het bevel van de prinsen blijven." In deze tijd werd de oude strijdmakker uit de Slag bij Waterloo, majoor Van der Smissen, eens een medestander nu een vijand van Chassé.

Chassé schreef in een publieke verklaring op 31 oktober 1830 onder meer: "Ik ben inwendig overtuigd dat de Belgen Belgen kunnen blijven. Een republiek, bijvoorbeeld onder de naam van l'Union Belgique (Belgisch Verbond)  is in mijn ogen de vorm van bestuur die hiervoor geschikt is." 

Persoonlijke anekdote

De vrouw van een officier van de Belgische opstandelingen was haar man met haar twee kinderen gevolgd. Deze schrok hevig toen hij hen ineens midden in de strijd zag. Op dat moment trokken al de muitelingen de poort binnen en stroomde het bloed door de straten. Chassé trok precies op dit moment zijn troepen samen, waardoor de vrouw en haar kinderen zich ineens tussen de Hollanders bevond. 

De vrouw rende naarChassé toe, die haar minzaam bij de hand nam en zei dat hij geen oorlog tegen vrouwen en kinderen voerde. Hij bracht haar de Citadel binnen en zei dat zij daar veilig was dan op straat. Acht dagen later vond de vrouw haar echtgenoot weer terug - dat echtpaar had zodoende hun weerzien aan de edelmoedigheid van Chassé te danken (najaar 1830). 

Dan liever de lucht in!

Op 5 februari 1831 werd kanonneerboot nummer 2, gecommandeerd door luitenant-ter-zee J.C.J. van Speyk, door een storm bij het bassin van Antwerpen tegen de kade gedreven, waarna de boot door het grauw bestormd dreigde te worden en de vlag naar beneden werd gerukt.Hollandse leeuw ontwaakt

Men dreigde in die plaats de Brabantse vlag te hijsen. Van Speyk, geen uitweg meer ziende, nam nu het heldhaftige besluit het vuur in het kruit te steken, waardoor de boot met vriend en vijand de lucht in vloog. 

Chassé schreef in een proclamatie: "hoezeer het verlies van deze dappere officier en zijn braven te bejammeren is, geeft deze heldendaad echter aan Europa het bewijs dat men de aloude roem van de Nederlandse vlag met nadruk weet te handhaven terwijl onze vijanden zich verzekerd kunnen houden indien zij zich durven vermeten een der oorlogsvaartuigen of het citadel aan te vallen hen hetzelfde lot te wachten staat.

Welaan dan, mijn krijgsbroeders, nemen wij het vaste voornemen, een voornemen dat eed en plicht vervult, dat onze vijand nimmer dan op puinhopen en onze lijken over ons triomferen zullen en laat onze laatste uitroep zijn: Leve de Koning!"

Op de citadel van Antwerpen

De strijd rondom de Citadel van Antwerpen, waaromheen de vijand druk bezig was met loopgraven aanleggen, duurde de gehele winter van 1830-1831 intussen voort. Terwijl Chassé het bevel voerde over de Citadel deed de Belgische generaal Failly dit in de rest van Antwerpen en woekerde de Belgische Opstand in en om de stad voort. In deze tijd bevond het hoofdkwartier der Hollandse strijdkrachten zich te Breda, waar Z.K.H. prins Frederik de scepter zwaaide.   Chasse op de Citadel van Antwerpen

In het najaar van 1831 werd de staat van beleg van Antwerpen opgeheven en het fort Marie op instignatie van Chassé ontruimd. Ook de batterijen, die zich aan de voet van de Citadel bevonden, werden verlaten. Dit scheen te wijzen op een naderende vredestoestand. In oktober 1831 kreeg Chassé op de citadel van Antwerpen bezoek van de prinsen van Oranje, Frederik der Nederlanden en prins Albert van Pruisen, die hij rondleidde in de vesting. 

In diezelfde maand bracht een delegatie van commissieleden uit Tiel de citadel een bezoek en bood Chassé een eredegen met gouden gevest aan met daarop de inscriptie: "Aan den luitenant-generaal baron Chassé, oktober 1831. Citadel van Antwerpen."  Op de voorplaat stond een rijk, massief gouden, bewerkt kasteel.  

In november 1832 omsloot uiteindelijk een macht van 75.000 Fransen de Citadel van Antwerpen en omliggende forten, waar Chassé slechts 6.000 man ter beschikking had. Een leger, bestaande uit 120.000 Belgen stond gereed de Fransen ter hulp te schieten. Hierdoor en doordat er een bres in de omwalling geschoten was stond Chassé na een 25 dagen durende bezetting niets anders meer te doen dan zich over te geven. 

Krijgsgevangenschap en terugkeer naar Nederland

Aldus voerde de Franse overwinnaar het garizoen van de Citadel van Antwerpen in krijgsgevangenschap naar Saint-Omer en pas in mei 1833 was het de manschappen vergund naar het Vaderland terug te keren. Chassé wees vervolgens alle openbare huldigingen af met de woorden: "Ik heb niets anders gedaan dan mijn plicht. Ik heb te lang geleefd en teveel mensenkennis opgedaan om huldigingen niet op zijn prijs te schatten."Geschilderd portret

Chassé werd in juli 1831 door Koning Willem I bevorderd tot generaal der infanterie en verkreeg voor zijn verdediging van de Citadel van Antwerpen het Grootkruis der Militaire Willemsorde. Na zijn terugkeer uit Frankrijk in 1834 benoemde men hem tot opperbevelhebber van de Vesting Breda, een postitie waaruit hij, na de totstandkoming van het vredesverdrag met België, in juli 1839 werd ontheven.

Drie maanden later werd hij door Koning Willem I benoemd tot lid van de Eerste Kamer der Staten-Generaal. In schrille tegenstelling tot dit eerbetoon werd het aan Chassé voor het leven toegekende generaalstractement hem ontnomen en omgezet in een aanmerkelijk lager generaalspensioen. 

Doordat, als gevolg van een grondwetswijziging, ook zijn postie als senator in de Eerste Kamer wegviel (bij Koninklijk Besluit van 2 oktober 1848 nummer 71) kwam Chassé in de moeilijke omstandigheid dat hij zelfs zijn meest geliefde bezit, zijn rijpaarden, weg moest doen.  

Overlijden en begrafenis

Chassé overleed, na een kortstondige ziekte,  in de nacht van 1 op 2 mei 1849 op 84-jarige leeftijd. Hij werd zonder militaire eer op het kerkhof  te Ginneken begraven. Aan zijn graf hielden de adjudant van de generaal, de heer Clarion, en dominee Van den Broek een toespraak.  In zijn testament doneerde Chassé de eresabel, die hij ter gelegenheid van het bombardement van Antwerpen had verkregen, alsmede al zijn decoraties, militaire eretekenen en medailles,  aan zijn geboortestad Tiel. 

In 1849, vlak na de dood van  Chassé, publiceerde de kapitein bij het Regiment Veldartillerie W.J. del Campo (Camp) het boekje "Leven en de krijgsbedrijven van David Hendrikus baron Chassé, in leven generaal der infanterie". De Chassé-kazerne in Breda, in 1898 ontworpen door Wouter Cool, werd naar Chassé genoemd. 

Chassé door PvdA-burgemeester uitgescholden voor oorlogsmisdadiger

"Heden roepen ze 'Hosanna!' Morgen 'Kruisigt Hem!" - In december 1839 schreef men over Chassé: "Hij is een man die bekend staat om diens handelskennis, doorzicht, vaderlandsliefde en mensenmin, zeer gezien en bemind, de kloekhartige verdediger van de Antwerpse vijfhoek". Hoe anders was dat in de twintigste eeuw toen Chassé tot oorlogsmisdadiger werd bestempeld. 

Tot 1945 werden diens decoraties, eresabel, degen en vele onderscheidingen, bewaard in een speciale kast in de raadszaal van het stadhuis, eerst gelegen aan de Vleesstraat en later aan de Ambtmanstraat.

Partij van de Arbeid burgemeester Andries Antonius Henricus Stolk vond dat Chassé, gezien zijn rol bij het bombardement van Antwerpen, gezien moest worden als een oorlogsmisdadiger en verwijderde, mede ook in het licht van de komst van een Belgische handelsdelegatie, alle spullen die herinnerden aan Chassé.

Decoraties

  • Commandeur in de Orde van de Unie
  • Grootkruis der Militaire Willemsorde - voor zijn verrichtingen tijdens de Belgische Opstand (1830)
  • Officier Legioen van Eer
  • Commandeur in de Orde van de Nederlandse Leeuw

Zie ook

f t