P1350647

 


Dit artikel is gebaseerd op het werk van Mr. W.H.J. Elias. Indië onder Japanse hiel. W. van Hoeve. Deventer (1946).  De Illustraties zijn eveneens afkomstig uit dit boek (klik op de link, met bijschriften) 

"De Westerling heeft de Japanner nooit gezien in zijn ware gedaante van sadist, moordenaar en geraffineerde beul. In zijn werkelijke, hoewel zorgvuldig verborgen, persoonlijkheid. Zijn liegen en bedriegen, zijn martelingen en kwellingen, zijn bedreigingingen en zijn grootspraak komen voort uit een aan waanzin grenzende zelfoverschatting, gepaard aan een mateloos minderwaardigheidsgevoel, dat hij met een zwaard op zij en een paar te grote rijlaarzen tracht te verbergen". 


Inleiding

Aanval van Japan op Bandoeng

Een leger op sloffen?

Bandoeng na de capitulatie. De poorten van de hel

Japans bestuur na de capitulatie

Moord, doodslag en censuur

Begin van de kampen en marteling der vrouwen

Economie na de Japanse bezetting

De economie stort in

Collaboratie en verzet

De behandeling van de inlandse bevolking en haar reactie daarop

Inheemse bevolking en militie

Zuivering van Nederlandse invloeden door de Japanners

De rol van de Indo-Europeanen, Chinezen en Arabieren

Religie tijdens de Japanse bezetting

Kempeitai en P.I.D.

Razzia's en het begin van de Jappenkampen

De interneringskampen op Java

Voor elke dwarsligger een dode

Prikkeldraadpsychose

Strijd om het bestaan

Doorwerking van het Japanse vergif

 
 
 
 

Inleiding

Op acht december 1941 vernam men te Batavia dat de oorlog met Japan was uitgebroken. De gouverneur-generaal sprak namelijk in zijn toespraak op de radio over de aanval op Pearl Harbour. Naar aanleiding van deze aanslag werden op enkele punten in de stad Japanners geïnterneerd. 

P1350606In deze periode vonden op het water vele zeeslagen plaats, die uiteindelijk tot de ondergang van de Nederlandse vloot zouden leiden. Ondertussen mobiliseerde men in Nederlands-Indië het leger. 

Jongeren vielen onder de gewone militie en de troepen der landstormers en en reserve-officeren werden op leidinggevende posities geplaatst. De landstormers kregen hun onderkomen in inmiddels gesloten scholen. De jeugd werd bij allerlei burgerlijke diensten ingedeeld, waaronder luchtbescherming, brandweer en ordonnansdienst. 

Omdat er een gebrek aan militaire vervoersmiddelen was onteigende men vele particuliere vracht- en personenauto's ten bate van het leger. Te Tandjong Priok arriveerden grote konvooien en overal, langs wegen en in parken, tot voor het Gebouw van de Volksraad, plaatsten militairen rompen van Spitfires en Hurricanes. Zij werden vanaf hier verder naar het vliegveld getransporteerd. Vanaf 11 januari 1942 begon Japan met de aanval op het vaste land van Nederlands-Indië. 

De volgende dag gingen de vliegtuigen vanaf vliegveld Kemajoran de strijd in de lucht aan. P1350608De Brewsters waren een gemakkelijke prooi voor de snelle Navy-O's. Het eerste viel Tarakan en werd Pontianak vernield. Hierna beschoten de Japanners Menado vanuit zee, vielen Makassar aan en bezetten Ambon. Vervolgens was Java aan de beurt:  achtereenvolgens de steden Batavia, Magelang, Madioen en tenslotte Bandoeng. 

Luitenant-Gouverneur-generaal Van Mook meldde dat "Als Java zou vallen de poort naar de landen om de Indische Oceaan open zou staan" en commandant KNIL generaal H. Ter Poorten, opvolger van de omgekomen generaal Berenschot, zei: "Beter staande te sterven dan knielend te leven". Maar gouverneur-generaal A.W.L. Tjarda van Starkenborgh zag de zaak ernstig in: "Wij staan met de rug tegen de muur". 

Aanval van Japan op Bandoeng

Op 1 maart 1942 vertrokken Nederlandse troepen, naar aanleiding van de landing van de Japanners op Java, naar Lembang. De eerste paar dagen had de burgerbevolking nog niet goed in de gaten hoe hopeloos de strijd feitelijk was. P1350611

Een van de eerste tekenen van een naderende ramp kwam van een sergeant, die verhaalde over de hopeloze strijd te Kalidjati en Soekaboemi. Zonder tegenstand van een enkel Nederlands vliegtuig werden de verdedigers op de grond systematisch gebombardeerd door de Japanners. De Militaire Intendance bleek hopeloos gedesorganiseerd en troepencommandanten moesten alles zelf maar uitzoeken. 

Op woensdag 4 maart 1942 stroomde Bandoeng vol door een invasie van vanuit het noorden vluchtende troepen. Vanaf die dag zou de stad dagelijks door de Japanners gebombardeerd worden. P1350615

Iedere dag vernam men via de radio over de bezetting van nieuwe plaatsen en een verder voortdringen van de vijand, ondanks dat de Nederlandse en geallieerde troepen verbitterde tegenstand boden. Achtereenvolgens vielen Blora, Solo, Djokja, Soebang en tenslotte Batavia.

De week daarop verschenen 54 Japanse bommenwerpers boven de stad, de "stelling" Bandoeng, die afgeladen was met vrouwen en kinderen. Eerst werd vliegveld Andir aangevalen en de dag daarop volgend leed de stad onder hevig vuur van de Navy-O's. Op de allerlaatste dag voor de overgave bombarderen bommenwerpers en jagers het centrum van de stad, met name de Chinezenwijk.

Muren werden met de hersenen der getroffenen bespat en de straten lagen vol bloed en glassplinters. Alle soldaten dienden een witte zakdoek als teken van overgave om de hals te dragen. Aldus was de formele capitulatie aan Japan nabij. 

Een leger op sloffen?

Volgens militairen uit deze periode was teveel vastgehouden aan een verouderde verdedigingswijze, waarin ook nog steeds veranderingen werden aangebracht. Tegen de moderne infiltreermethoden van de Japanners was weinig tot niets gedaan. De "stelling Bandoeng", afgeladen met vrouwen en kinderen, bleek zonder vliegtuigen absoluut onverdedigbaar tegenover de Japanse overmacht. Een ander punt van kritiek was het gebrek aan strategie. 

15

Troepen, die in een bepaalde streek van Midden-Java volkomen bekend waren, werden plotseling overgeplaatst naar elders. Deze overplaatsingen waren voor de militairen zelf dikwijls onbegrijpelijk en leidden zelfs tot protesten. 

Op plaatsen waar men gemakkelijk weerstand had kunnen bieden en de soldaten bereid waren tot het uiterste door te zetten kregen de manschappen orders terug te trekken. Mitrailleurnesten, zoals bij Merak (West-Bantam), vielen de vijand zodoende zonder slag of stoot in handen.  Bovendien werd teveel geloof gehecht aan geruchten over de troepenbewegingen van de tegenstander. 

De legerleiding (en daarmee ook de politiek, die de legerleiding immers aanstuurde) was veel te laat begonnen met het bouwen van de stellingen op de helling van de Tangkoeban Prahoe en te Tjiater. Hierdoor kwamen die bouwwerken niet op tijd gereed en konden de Japanners eromheen trekken. Het leger werd daardoor ingesloten en belaagd door bommenwerpers die van Kalidjati kwamen. 

De  Nederlandse vliegers offerden zich tot de laatste man op. Een logge Brewster was geen partij tegen een snelle Navy-O. De intendance daarentegen faalde volledig daar er van een adequate voedselverstrekking geen sprake was. Dat gold ook voor de administratie, waardoor velen nooit een uitkering ontvingen. 

Een aantal eenheden, onder meer in West-Borneo, wist met ware heldenmoed stand te houden. Enkele officieren gedroegen zich daarentegen slecht, zoals de overste die in een krijgsgevangenenkamp knielde voor een Japanner en huilde: "Don't beat me, don't beat me. I am an old man!"   

Bandoeng na de capitulatie: de poorten van de hel

De achtste maart 1942 tekent de gouverneur-generaal de overgave van Nederlands-Indië. Niemand kon nog vermoeden dat er een geperfectioneerd moordprogramma op het programma van de bezetter stond. P1350613Diezelfde dag werd inspecteur der artillerie Maurer dood in zijn werkkamer gevonden. Hij had de nederlaag aan zien komen en niet kunnen verdragen. Volgens een legerorder hield het leger als eenheid nu op te bestaan. 

Japanse soldaten ontruimden hoekhuizen, waar zij een hoofdkwartier met radiostation inrichtten. De Indische radio vervolgde vanaf het moment der bezetting haar uitzending, beginnend met het Wilhelmus. De omroepleider werd echter na enige dagen al geëxecuteerd. 

De bezetter begon direct brutale inbreuken op Internationale Rode Kruisregelingen te maken. Schendingen van het oorlogsrecht en de over het algemeen geldende normen der menselijkheid werden slechts overtroffen door de schaamteloosheid, waarmee de Japanners hun schanddaden ten uitvoer brachten. 

Op de hellingen der Tangkoeban Prahoe en in de stelling van Tjiater lagen honderden lijken van Europese soldaten. Het Rode Kruis deed herhaaldelijk het verzoek deze doden te begraven. Dit werd echter geweigerd.

Japans Bestuur na de capitulatie

Na de capituatie veranderde de bestuursstructuur. Het systeem van de bezetter hield in dat alle hogere amtenaren gepasseerd werden en de Japanner zich richtte tot de inheemse of de lagere Europese ambtenaren. P1350617

Dat was echter maar zeer tijdelijk want al snel werden alle ambtenaren gevangen genomen en tijdelijk in gevangenis Struiswijk geplaatst. Op de hoeken van de straten verschenen borden met de drie A's (Asia Raja = Groot Azië; Asia Melinding = Gemeenschappelijk Azië; Asia Penimpin = Harmonisch Azië). 

Vrijwel direct daarop volgde de oproep dat al het personeel der Koninklijke Paketvaart Maatschappij (KPM) en Bataafse Petroleum Maatschappij (BPM) zich bij de Japanse autoriteiten diende te melden op straffe van de dood bij niet opdagen. 

Een deel van de weigerachtigen werd op Onrust gevangen gezet, de overigen naar een onbekende bestemming getransporteerd. Het parool van de Japanner ten aanzien van de Europeaan was: "Uitrangeren en langzaam doodhongeren". 

Na enige weken kwam het bevel alle Nederlandse vlaggen in te leveren. Deze order werd echter vrijwel niet opgevolgd: de kleuren werden van elkaar geknipt en opgeborgen.  Daarnaast moesten wapens, soldatenkleding en slagwapens aan de Japanners worden overgedragen. Ook hieraan werd nauwelijks voldaan. 

Zelfs de tijd (anderhalf uur vooruit) en de jaartelling (van 1942 naar 2602) moesten aan Japan worden aangepast. De woorden Japan en Japanner werden als denigrerend ervaren en vervangen door Nippon en Niponners. Alle zaken die aan het Westen herinnerden dienden te verdwijnen: zondagen werden afgeschaft, naar een buitenlandse radio mocht niet worden geluisterd en auto's tot verboden bezit verklaard.  

Moord, doodslag en censuur

In Balikpapan (Borneo) werden vele leden van vernielingsploegen en bestuursambtenaren onthoofd, neergestoken of de zee ingedreven. Ook op Java vermoordden de Japanners een groot aantal mensen. In het hospitaal van Soebang sleurde men Australiërs van hun bed om samen met het verplegend personeel omgebracht te worden. 11

Rond de stellingen van Tjiater  bond de vijand veertig krijgsgevangen gemaakte soldaten met de puttees aan elkaar en doodde hen. Als extra waarschuwing, bedoeld voor opstandigen, stak de bezetter een bestuursambtenaar dood en liet zijn lijk de gehele dag op de weg liggen ter lering hoe de vijanden van Japan behandeld zouden worden. 

Het oorlogsrecht meldde dat soldaten op de vlucht alleen na sommering mochten worden neergeschoten. Japanners echter bonden op de vlucht betrapte soldaten aan een boom en doorstaken hen, voor de ogen van medegevangenen, met een bajonet. In sommige gevallen dienden de slachtoffers vooraf zelf hun graf te delven. 

Vanaf het begin van de bezetting werden de vroegere Indische kranten verboden en vervangen door Japanse propagandabladen. Verder schakelde de vijand alle voorlichting in het Nederlands voor West-Java uit.

Na enige maanden kon men de "Tjahana" (lichtstraal), uitgegeven door persagentschap Domei, lezen. Tjahana was een Japanse anti-Westerse spreekbuis. In Soerabaja verscheen nog enige tijd het Soerabajaasch Handelsblad, tot ook deze krant verboden werd. Op 29 april werd de verjaardag van de Keizer van  Japan gevierd, wat betekende dat de radio diverse propagandaredevoeringen uitzond. 

Begin van de kampen en marteling der vrouwen

De krijgsgevangenkampen waren tot 1 april 1942 open voor bezoek. Voor de met prikkeldraad afgezette hoofdingang stonden verkopers van allerlei Indische etenswaren. 14 Vrijwel alle soldaten waren toen al slecht gekleed en de gebouwen haveloos en vervuild. 

De behandeling van de gouverneur-generaal en de commandant van het KNIL was zonder soldateneer. Wanneer een generaal protesteerde tegen deze behandeling werd hij met een pistool bedreigd. 

Al spoedig begonnen overplaatsingen binnen de militaire kampen, waardoor velen hun bezittingen verloren. Later werden krijgsgevangenen midden in de nacht opgeroepen tot verhuizingen naar Thailand, Malakka of Japan. De weduwen en wezen van gedode mannen kregen van de Japanners geen uitkering en dienden nieuwe middelen van bestaan te zoeken. 

De Kempeitai trad meedogenloos tegen hen op. Echtgenotes van hooggeplaatste militairen werden in vuile hokken opgesloten. Soms dienden zij  urenlang boven een emmer met stinkend afval te bukken. Door middel van het gebruik van een elektrisch apparaat of brandende sigaretten geraakten zij overdekt met brandwonden. 

Economie na de Japanse bezetting

Java was afgescheiden van de Buitengewesten. Deze laatsten vielen deels onder de Japanse commandant van Singapore en deels onder de Marine. De burgemeesters der stadsgemeenten werden vervangen door Indonesiërs, meestal wethouders van de Parindragroep. 9De (inlandse) regent was tevens resident van zijn gewest en daarboven zetelde een Japanse gouverneur. Later werden alle regenten en residenten vervangen door Japanners. 

Al snel stelde de bezetter onkundige Japanse ambtenaren aan bij de elektriciteits- en gasbedrijven, de spoorwegen, de postdienst en de landbouw. Dat zij niet capabel waren kwam omdat een schip met 400 werkelijk goede ambtenaren getorpedeerd was en alle passagiers verdronken. 

Java werd in residenties opgedeeld, die onafhankelijk van elkaar opereerden, wat de economie niet ten goede kwam. Er kwamen diverse verboden ten aanzien van de uit- en vervoer van bijvoorbeeld petroleumblikken. Pensioenen en weduwe- en wezenuitkeringen kreeg men nooit uitbetaald, ook later niet door Nederland.

Bezittingen van de pensioenfondsen waren er niet en "dus was het de schuld van de Nederlandse regering dat afgeleefde mannen en vrouwen verhongerden". Er heeste nu een algemene werkloosheid onder Europeanen en duizenden inheemse mannen. De oorzaak daarvan was ook deels omdat ondernemingen stillagen en het werkverkeer tot een minimum was geslonken. 

In de vernielde havens werden havenarbeiders overbodig. Importzaken werkten met een fractie aan personeel en liquideerden al spoedig. Alleen in diverse gouvernementskantoren en -diensten, scholen en openbare nutsbedrijven kon nog enige activiteit bespeurd worden. 

Banken gingen op in de Yokohama Speciebank, die de opbrengsten van vroegere Nederlandse ondernemingen en maatschappijen ontving. Alle spaargelden van Nederlanders werden geconfisqueerd. Winkels en handelszaken dienden alle ontvangsten eveneens bij de Yokohama Speciebank te storten. 

De economie stort in

De verhouding  tussen Japanners en Europeanen was moeilijk omdat de bezetter zich niet aan internationale rechtsregels hield en de richtlijnen van de regering in dit verband niet meer te volgen waren. 16

Alle werkzaamheden van Europeanen voor Japanners, met name verkeer en vervoer, stond direct of indirect in verband met de oorlogsvoering. Inheemse mensen waren veelal werkloos of werden als slaven gebruikt voor oorlogswerk in de Buitengewesten of de inheemse militie op Java. 

De bevolking kreeg veel steun door het werk van de leden der commissie voor de voedselvoorziening, de commissie van importeurs, de medewerkers aan de liquidatie van banken en door zeer moedige personen als de Italiaan Ursone, die het verzet van inlichtingen voorzag. 

Rubber -en theetuinen werden al snel na de Japanse bezetting vernietigd. De gronden gaf de bezetter terug aan de bevolking. Weverijen in Tasikmalaja en Bandoeng gingen ten onder. Aldus werd het economische leven in Nederlands-Indië geleidelijk ontwricht en uiteindelijk gebroken. Suikerfabrieken waren niet meer in gebruik, theefabrieken dienden als loodsen op vliegvelden, spoorlijnen raakten beschadigd en op ieder terrein vond men onherstelbare verwoestingen. 

Collaboratie en verzet

In de loop van 1942 eiste de Japanse leider van landbouwbedrijven een bijzondere verklaring van iedereen die een anti-Japans feit wist van zijn collega. Zestien Europese medewerkers weigerden te tekenen. 17 Deze mensen werden in de loop van 1943 gemarteld tot zij overleden en hun lijken in de moerassen bij Tandjong Priok geworpen.

In een kamp op Java zetelde een Europees kampbestuur dat onwrikbaar was. In deze omgeving vond hiervoor een afstraffing plaats, die vele sterfgevallen door gebrek aan voedsel, medicijnen en/of zware arbeid veroorzaakte. Van een ander kamp was bekend dat er collaboratie met Japanners plaats vond.

Hier was het aantal doden dan ook miniem. Een bepaald soort Europeaan prees alles wat de Japanners deden. Voor iedere daad vond zij een verontschuldiging of een reden  het rechteloze optreden te rechtvaardigen.

Deze groep bevond zich met name in Bandoeng, waar de internering der Europeanen later dan elders in de archipel begon. Deze personen vonden het volstrekt onschuldig dat het standbeeld van J.P. Coen op het Waterlooplein te Batavia omver gehaald werd. Dat vrouwen en kinderen uit hun huizen verdreven werden achtten zij niet van groot belang.

De behandeling van de inlandse bevolking en haar reactie daarop

De Japanners behandelden de inlandse bevolking hetzelfde als Europeanen, d.i. met de meest grote willekeur. Soms werden inlanders bij wijze van afschrikwekkend voorbeeld langs de weg neergeschoten. Hun lijken bleven "ter lering ende vermaak" dagenlang liggen. 18De Kempeitai bond van illegale activiteiten verdachte personen aan bomen en stoelen om te martelen, waarna de doodstraf in de vorm van onthoofding of executie volgde. 

Meestal brachten de Japanners de slachtoffers naar een afgelegen plek. Daar moesten zij uitstappen om voor de vijand als schietschijf te dienen of ontvingen zij een ceremoniële onthoofding. Dat onthoofden betekende dat de beoogde persoon met de handen op de rug gebonden moest knielen. Na afloop van de executie wachtte de beul een rijkelijk gevulde rijsttafel. 

Na de inval openden de Japanners alle gevangenisen. Waardevolle zaken vielen vervolgens ten prooi aan de nu vrijgelaten gevangenen, veelal dieven en moordenaars. Bij deze bendes voegden zich weer tienduizenden anderen, die van de gelegenheid mee wilde profiteren. 

In de omstreken van Malang en Bantam kwam het tot excessen, die voortkwamen uit de Heilige Oorlog tegen ongelovigen.  Deze losgeslagen bendes voelden zich veilig onder de Japanse vlag. Europese nederzettingen werden door hen volkomen vernietigd en verschillende Europese vrouwen bruut verkracht en vermoord. 

Inheemse bevolking en militie

De propaganda onder de inheemse bevolking was een onderdeel van de Japanse organisatie. Met name de semi-intellectueel bleek een gemakkelijke prooi. Op scholen maar ook elders startte de dag met een propagandistische toespraak en een verhaal over de slechtheid der Westerlingen. 19

Leden van de Inheemse Militie, vanaf augustus 1942 intensief door de Japanners geworven, werden steeds meer gebruikt om als stoottroepen te Ambon, Nieuw-Guinea en Malakka op te treden. 

De Japanner dwong de bevolking een zeer groot percentage van de rijstoogst aan het Japanse leger af te staan en een ander deel in de gemeenschappelijke voorraadschuren van de dessa op te slaan om te dienen als toekomstige voorraad. In maart 1943 ontstond er mede hierdoor al een tekort aan rijst in de Preanger. 

Aldus was de houding van de inlander tegen de Europeaan na de bezetting door Japan ambivalent. Zij hing onder meer af van de aard en intensiteit van de Japanse propaganda en eerdere contacten met Europeanen, die goed of slecht waren geweest. Mannen als Soekarno, Hatta, Dewantara en anderen, volksmenners, kenden een enorme haat jegens de Westerlingen en in het bijzonder de Nederlanders, hoewel de factor macht hier ook van belang was. 

Op Midden-Java gaf de semi-politieke en godsdienstige vereniging Mohannadijah blijk van een grote afkeer jegens de Europese bevolking. Zij werd daarin te Solo gesteund door de Soenan. Ook de regent van Garoet ontpopte zich als felle Westerlingenhater. 

Maar er waren vele uitzonderingen, zoals de regent van Soekaboemi, die weigerde met de Japanners samen te werken en zijn ontslag vroeg. Onder de lagere bestuursambtenaren bleek eveneens een deel  voor en een deel tegen de Europeanen. De sultan van Djokjakarta weigerde bij de bezetting van Japan de Nederlandse vlag te strijken.

Zuivering van Nederlandse invloeden door de Japanners

De gedachte der Japanners was dat Groot Oost-Azië een gebied zou worden met een onafhankelijke bevolking onder leiding en oppertoezicht van Japan. Onder Westerse leiding had men het slecht gehad maar onder Japans beheer was de hemel op aarde eindelijk gekomen. 

Een van de eerste veranderingen die de Japanners aanbrachten was het wijzigen van straat- en plaatsnamen. Zo werd Batavia voortaan Djakarta genoemd, Meester Cornelis veranderde in Djatinegara en in Batavia wijzigden de autoriteiten elk woord "weg" of "straat" in "djalan". 

Tijdens de Japanse bezetting vond er een onafgebroken bombardement aan propaganda plaats, die zeer anti-Nederlands was. Daarnaast werden Japanse gebruiken ingevoerd zoals het jaarlijks schoonvegen der straten door gemeenteambtenaren. Dit gebeurde bijvoorbeeld in juli 1943 te Bandoeng. 

De rol van de Indo-Europeanen, Chinezen en Arabieren

Een van de voornaamste programmapunten van de Japanners was een scherp kunstmatig onderscheid te creëren tussen Europeanen en Indo-Europeanen. Dit verschil was in de Nederlands-Indische wet nooit opgenomen geweest. 34Indo-Europeanen zijn tijdens de bezetting van Nederlands-Indië door Japan vrijwel altijd van onschatbare waarde voor de onderdrukte Europeanen geweest.

Zij hielpen onder meer gevangenen en brachten steun bijeen voor verarmde vrouwen. Voor deze daden werden zij door de Kempeitai verschrikkelijk gemarteld. Onder hen bevonden zich echter ook rotte appels, zoals de beruchte Dahler, een groot aanhanger van Japan. 

Op een gegeven moment dienden Indo-Europeanen zich te registreren, maar de eisen om zich Indo-Europeaan te noemen wisselden per landstreek.  De houding van inlanders was divers maar met name de Molukkers verdienen een eervolle vermelding

De Japanse propaganda had op de Chinezen geen enkele vat. Zij hadden tijdens de verovering van Java door Japan het meest te lijden gehad van roversbenden en verloren al hun bezit, waaronder vaak hun leven.

Later bracht de vijand veel Chinezen in kampen onder. Zij die nog vrij konden rondlopen hielpen de kampbewoners zoveel als voor hen mogelijk was. Arabieren hielden zich over het algemeen afzijdig maar toonden ook geen vijandigheid jegens de (Indo)Europeanen.  

Religie tijdens de Japanse bezetting

In maart 1943 sprak de Grote Islamitische Raad zich voor Japan uit: "Het Japanse leger heeft buitengewone waardering getoond voor de Islamitische godsdienst. Het besluit is genomen Japan te helpen tot de oorlog  ten einde zal zijn gekomen met de Japanse overwinning". 27

Deze stelling werd door Wondo Amiseno in maart 1943 ondersteund: "Op het ogenblik wordt de Islamitische godsdienst ten volle gesteund door het Japanse leger". Ook Wiranata Koesoemo schreef woorden van die strekking:

"De Japanners hebben interesse in de Islam getoond. Het is niet meer dan billijk dat wij daarvoor aan de Japanse regering dankbare hulde brengen". 

Japan stelde intussen speciale cursussen op voor Islamitische priesters, die aan het volk de goede bedoelingen van de Japanners duidelijk moesten maken. Daarnaast werden kinderen van vooraanstaande geestelijken naar Japan gestuurd, om meer kennis te vergaren over de Japanse zeden en gewoonten.

De openbare uitoefening van de Christelijke godsdienst werd een jaar na de bezetting door Japan niet meer toegestaan. Vele dominees en priesters leefden in kampen. Kerken werden herbouwd tot garages of Shimbu-tempels. 

Kempeitai en P.I.D.

De Kempeitai was te vergelijken met de Gestapo van Nazi-Duitsland, hoewel zij al veel langer bestond. Gevangenen werden door hen verschrikkelijk behandeld, waardoor in de gevangenissen al snel besmettelijke ziekten als dysenterie gingen heersen.23

Leden van de Kempeitai waren meesters in diverse martelpraktijken. Voorbeelden hiervan waren het uitdrukken van sigaretten op het lichaam van het slachtoffer, middernachterlijke ondervragingen, het volgieten met water en vervolgens op de buik trappen, ophangen aan de handen en het met een elektrisch apparaat martelen van een persoon. 

De inheemse P.I.D. (Politieke Inlichtingen Dienst) verschafte inlichtingen aan de autoriteiten maar bezat verder geen bijzondere bevoegdheden. Desalniettemin moest de Kempeitai (!) meermalen tussenbeide komen om de martelpraktijken van de P.I.D. wat te beperken.

Inheemse gevangenen trapte men in een afvoergoot, waar zij opdracht kregen langsdrijvende faeces door te slikken. Om bekentenissen af te dwingen trok de P.D.I. personen die zij van verraad verdachten met een touw om de nek op en neer in een put. Zieken kregen verder geen enkele verzorging en hun lijken bleven dagenlang als afschrikwekkend voorbeeld liggen. 

Razzia's en het begin van de Jappenkampen

Al vrij snel na de Japanse bezetting begonnen de Japanners (Indo)Europeanen op te pakken. Aan de hand van het telefoonboek en de regeringsalmanak wist men de adressen te achterhalen. 24 Daarnaast vonden er razzia's plaats, waarbij iedere Europeaan van de straat en uit de tram of trein werd meegenomen. Een Japanse vrachtauto bracht de slachtoffers vervolgens naar de gevangenis. 

In april 1942 overvielen de Japanners middenin de nacht hotel Ocottpark in Bandoeng. Alle gasten vonden hun weg naar de gevangenis Soekamiskin.  Zij werden bewaakt door inheemse medegevangenen, waaronder moordenaars. De overval op het hotel was het startsein voor meer van dergelijke acties. 

Langzamerhand raakten de steden steeds meer ontvolkt. Al ras volgde de oproep "lessen" in het Landopvoedingsgesticht bij te wonen. Hier kreeg men te horen dat commandant KNIL generaal Berenschot door de Engelsen zou zijn vermoord en Van Mook het goud van de Javasche Bank had meegenomen, waardoor de gevangenen geen salaris meer konden krijgen.  

Op 13 oktober 1942 vond er opnieuw een systematische razzia plaats in Bandoeng. De Europeaan in Indië was als de Jood in Europa geworden. De "behandeling" van een joodse of politieke gevangene in de Nazi-kampen Gusen I en II of Mauthausen verschilde overigens niet wezenlijk van die in bepaalde Jappenkampen (met uitzondering van de vergassingen).  

De interneringskampen op Java

Tot midden 1943 waren de behandeling en het eten, gezien de omstandigheden, in de Jappenkampen nog redelijk goed te noemen en hadden de mannen nog enige mate van vrijheid. De kampen bestonden meestal uit verbouwde scholen, ontruimde kloosters, verlaten gestichten, oude militaire kampementen enz. Om deze gebouwen heen was een bamboeschutting van een paar meter hoogte met enkele meters uiteen een wachthuisje op palen gevestigd. 28

De vrouwenkampen lagen meestal in stadswijken, enige kilometers lang en breed. De vrouwen werden ondergebracht in de voorgalerijen, kamers en bijgebouwen. Te Bandoeng wist de Japanner zelfs 18.000 vrouwen en kinderen in een vrouwenkamp te proppen 

Een groot aantal gevangenen van Oost-Java ontving in de tweede helft van 1942 een overplaatsing naar het vroegere kolonisatieterrein Kesilir, waar ook de mannelijke gedetineerden van Semarang, Soerakarta en andere plaatsen op Midden-Java werden overgebracht. 

Kesidir was bedoeld als werkkamp. Het werd echter in augustus 1943 opgeheven en de bewoners per trein naar de haven van Soerabaja overgebracht. Een deel was bestemd voor Tangerang, de anderen voor Ngawi. 26

Aan het einde van 1944 waren vrijwel alle mannen naar Bandoeng en Tjimahi gedeporteerd. Uiteindelijk kwamen alle burgerkampen onder de Japanse legerleiding te vallen. Ontspanning werd verboden en godsdienstoefeningen aan banden gelegd. Lezen was zeer beperkt toegestaan. Het adagium werd: "Wie niet werkt zal ook niet eten". 

Bij de overplaatsing van het mannenkamp Grogol naar Bandoeng bleven vijftig oude mannen achter. "Die zijn het vervoer niet meer waard en sterven zo wel", claimde de Japanse commanant. In oktober 1944 transporteerde de vijand bewoners van de Bandoengse gezinskampen naar gewone interneringskampen. Pas in januari 1945 werd ook het gezinskamp te Batavia opgeheven en het grootste deel van de inwoners grotendeels naar Tjimahi gezonden. 

Een duivels plan dat in deze tijd rondzong was dat de Japanners van plan waren alle mannelijke burgers naar Japan te voeren, de kinderen op Java achter te laten en de vrouwen naar Borneo te transporteren. "Dan kunnen jullie krokodillen gaan vangen en van de huid een mooie tas maken". 30Intussen werd door de Japanner een steeds grotere werkprestatie vereist met als doel alle Europeanen langzaam te laten creperen. 

In de meeste kampen bevond zich een soort rechtbank voor de berechting van bijzondere vergrijpen, als het stelen van levensmiddelen enz. Veroordelingen sprak de "rechter" in een openbare zitting uit. De grootste moeilijkheden in de kampen ontstonden echter door corruptie, connectie en chantage, de drie beruchte c's. 

Toen de sterftecijfers van mannen boven de vijftig jaar steeds stegen vond een zeker kampbestuur het wenselijk voortaan de leeftijd van de overledenen niet meer op het aankondigingsbord te vermelden. Wanneer een jongen de leeftijd van 11 jaar bereikte werd hij gescheiden van zijn moeder en naar een mannenkamp gezonden. In de kampen was verder een streng verbod op het bezit van boeken en schrifturen. Een belangrijk onderdeel van het Japanse plan was namelijk de Westerse geest te verstikken en de Westerling geestelijk te wurgen. 

Na de oorlog bleek dat slechts enkele kampen de administratie op orde hadden gehad. Tot op heden weet niemand hoeveel burgers er in Nederlands-Indië zijn geweest en vooral hoeveel er stierven

Voor elke dwarsligger een dode

Naarmate de tijd vorderde raakte het eten steeds schaarser. Eind 1943, begin 1944 werden katten en honden als een bijzondere lekkernij gezien. Toen deze verdwenen waren schakelde men over op ratten. 33Het gemiddelde gewicht van de kampbewoners daalde zodoende snel en verminderingen van 30-40 kilogram waren niet ongewoon.

Ouderen waren in de regel ten dode opgeschreven. Transporten, zonder eten en drinken, gaven in die gevallen een laatste zetje. Van een transport van Timor naar Java kregen van de 760 gevangenen 630 een zeemansgraf. 

Bij de spoorwegaanleg dwars door Sumatra (Pakan Baroe) bleek dat van een ploeg van 1.200 man er na veertien maanden nog 30 over waren. De rest was ziek teruggevonden of gestorven, geheel volgens het Japanse adagium "Voor elke dwarsligger een dode". 

Berichten over overlijdens werden nooit verzonden en vaak duurde het meerdere jaren voordat de familie van het sterven in kennis gesteld werd.  

De methoden van de Japanners waren erop gericht de gevangenen lichamelijk en geestelijk te verzwakken zodat zij in een toestand geraakten dat zij nog enig nut hadden maar niet veel meer.

Medicijnen waren nauwelijks verkrijgbaar en ziekten als dysenterie, malaria en chronische buikziekten tierden welig in de kampen. 35 Door gebrek aan voedsel leden veel gevangenen aan hongeroedeem. In een laat stadium was ook deze medische conditie meestal dodelijk. Europeanen konden van de Japanner letterlijk wegrotten. 

Na de dood werden de doden op geïmproviseerde begraafplaatsen onder de grond gestopt en als nummer duizend en zoveel in de registers ingeschreven. 

Tijdens ziekentransporten vond het vervoer der patiënten in vierde klasse treinwagons, zittend op banken, opgepropt als vee, plaats. Onderweg stierven er velen. Niet veel mensen overleefden overigens de behandeling in het hospitaal en iedere dag stonden er weer nieuwe namen op het aankondigingsbord: "In leven directeur van....., in leven boekhouder bij......, in leven ambtenaar van.... "

Toen een arts zich ertegen verzette dat patiënten naar het hospitaal moesten lopen kreeg hij te horen: "Dan moeten ze zich maar doodlopen".  Op deze wijze stierven velen in de vrouwen- , mannen- en militaire kampen.

Prikkeldraadpsychose

In veel gevangenkampen ontstond een mentaliteit, een soort psychose, waarbij diverse functies van het logische denken werden uitgeschakeld en men volledig gefixeerd raakte opgeruchten en verder alles wat met het kamp te maken had. 

Achteraf was men zeer verbaasd dat alle geruchten, hoe onwaarschijnlijk ook, voor waarheid waren aangenomen. Juristen veranderden in amateurstrategen, notarissen in fantasten en pastoors in beroepspolitici. Dit alles werd bevorderd door het volledig verstoken zijn van nieuws uit de buitenwereld en het sociale isolement. 

Na de dood van Adolf Hitler en de ondergang van het Derde Rijk werden de Japanse kampbewaarders steeds feller. De gevangenen intussen meenden dat het hun goed recht was, na de oorlog in de Oost, mee te mogen werken aan de wederopbouw van het land, dat hun dierbaar was en dat steeds zou blijven. 

Strijd om het bestaan

De interneringskampen voor burgers werden in de loop van de bezetting steeds meer op militaire leest geschoeid. Men diende werkzaamheden buiten het kamp te verrichten, zoals werk verzetten op een boerderij of een vliegveld. 39Daarnaast ontstonden werkkampen waar de bewoners, onder Japans toezicht,  een "baan"  kregen in diverse bedrijven.

En als laatste bedacht de Japanner de werkkampen, waar alle gedetineerden zware lichamelijke arbeid moesten verrichten, zoals het aanleggen van spoorbanen. Zelfs in de vrouwenkampen nam de intensiteit van dwangarbeid toe. 

Men leed tijdens de werkzaamheden overigens soms minder onder de Japanse commandant dan een Nederlandse opzichter die een wit voetje bij de bezetter wilde halen.

De meeste mensen hadden geen schoenen meer. De kleding bestond uit verscheurde lappen en soms een gerafelde strooien hoed. Ontvluchting uit het kamp betekende een zekere dood in het oerwoud want zelfs als men een kampong bereikte werd men vrijwel altijd verraden. Het systeem van c.c.c. (corruptie, chantage en connectie) was moordend. Als algemene regel gold: "Ben ik mijn broeders hoeder?"

Doorwerking van het Japanse vergif

Het streven van de Japanners was aan te tonen dat wat Nederlanders in Nederlands-Indië verricht hadden onrecht was dat de Japanners kwamen herstellen. Daarnaast zouden zij nieuwe welvaart in Groot Oost-Aziatisch 41Verband aan de bevolking schenken. 

Voor dit doel werden alle Westerse industrieën en ondernemingen grotendeels vernietigd. Particuliere ondernemingen verloren hun van de inheemse bevolking gehuurde gronden en theetuinen werden gerooid,  waarna de grond aan de inlanders verviel. 

Intussen ging ook de anti-Westerse propaganda gewoon door. In een frequent terugkerend stukje in de krant, genaamd "Sambalan" (Peperkorrels) werd dag in dag uit het vroegere Nederlandse bestuur afgeschilderd als een systeem van imperialistische uitbuiters.

Alles wat goed was gedaan werd zo gedraaid dat het eigenlijk slechts ten eigen bate was gebeurd. Alles wat de Japanners "verricht" hadden werd verheerlijkt of gewoon verzonnen. 

Soekarno sprak in 1943 intussen over de "weergaloze taak van het Japanse leger" maar zei al op 2 maart 1943: "Als gij, luisteraars, de grote lijn ziet van het Japanse leger dan zult ge dadelijk beseffen dat het Japanse volk de Indonesiërs beschouwt als jongere broeders die geholpen moeten worden"

Adder onder het gras: Djawa Hookoe Kai

Oorlogsinspanning, gemeenschappelijke welvaart en hulpverlening aan de Japanners waren de doeleinden waarvoor de op Japanse leest geschoeide Javaanse Inheemse Fascistische Organisatie werd opgericht. 44De bevolking werd door deze organisatie politiek, economisch, religieus en militair geestelijk vergiftigd. Belangrijke personen binnen deze organisatie waren Soekarno, Hatta, Dewantara en Kiai Hadji Mansoer. 

Na hun aankomst op Java volgde al spoedig de ontbinding van alle eerder bestaand hebbende politieke partijen. Eerder genoemde personen werden nu prominent lid van de Ampat Serankai (de vier druifjes).

Vanaf 13 december kregen zij als belangrijkste taak in alle plaatsen op Java reclame te maken voor een samensmelting van alle politieke organisaties tot een algemene volksbeweging.

De Japanners ontbonden deze beweging na een jaar en zette deze op 9 maart 1944 om in een volledig op fascistische gronden stoelende politieke partij, de Djawa Hookoe Kai. Voor alle beroepen ontstonden nu Kais (gilden). Uitoefening van een beroep was alleen mogelijk na toestemming van het gilde. Hierdoor was het voor het Japanse bestuur mogelijk zoveel mogelijk inlanders in te schakelen. 

De Djawa Hookoe Kai lag aan de basis van de latere Bersiap. De leden daarvan leerden de dessa-bewoners, met behulp van kapmessen en speren, de vijand (Europeanen) vanuit hinderlagen aan te vallen. De nadruk werd gelegd op massa-aanvallen. Bewoners van een groot aantal dessa's kregen onderwijs in de wijze waarop kleine afzonderlijke gevechtseenheden, zoals parachutisten, nagejaagd en vermoord konden worden. 

Verdere maatregelen ter voorbereiding van het volk op de Bersiap

De inlandse jeugd werd heropgevoed, zodat deze zou weten hoe de verdediging van en steun aan het Groot Aziatisch Rijk ter hand te nemen. Alle eerdere jeugdorganisaties werden ontbonden en in plaats hiervan 43werd de "Seinendan" opgericht. 

Daarnaast begonnen de Japanners de overige inlandse jeugd ook volledig militair te oefenen. De latere "Heiho's" waren opgebouwd uit deze jongeren, de inheemse militie en overgelopen KNIL-soldaten

Als laatste stelden de Japanners de "Keibodan" in, een soort dessa-hulppolitie, die in de grote steden onder de naam "Keibotai" bekend stond. Manschappen kregen een opleiding, gericht op een systematische jacht op Europeanen, spionage en verraderspraktijken. De leden vormden guerillagroepen en droegen geen uniform maar in plaats daarvan een band om de arm of een insigne op de borst. 

Tienduizenden Pradjoerits, formeel geronselde koelies uit eerder genoemde gildes, werden overgebracht naar Borneo, Ambon, Malakka en Nieuw-Guinea. Hun taak was weinig aantrekkelijk, namelijk op die plaatsen dezelfde slavenarbeid als de Europeanen te verrichten.

Uiteindelijk richtten de Japanners in oktober 1943 een leger van zogenaamde Soekarillasa (Petas) op. In eerste instantie bestond hun bewapening uit dagelijkse primitieve gereedschappen maar later bezaten de Heiho's en Soekarilla's moderne wapens, als de tommygun en zelfs luchtafweergeschut. 

Na de "bevrijding":  opmaat tot de Bersiap

Na de capitulatie van Japan volgde de order van Lord Mountbatten dat op Java niemand de kampen mocht verlaten tot de Engelsen geland zouden zijn. Het dragen van rood-wit-blauw en oranje op straat was verboden 45 want dit zou provocerend kunnen werken. 

Op 7 augustus 1945 meldde het opperste commando van het Japanse leger in de Zuidelijke gebieden toestemming te hebben gegeven tot het vormen van een commissie tot voorbereiding van de Indonesische onafhankelijkheid. 

Soekarno verklaarde hierop: "Indonesië is alleen in staat onafhankelijk te zijn als het imperialisme van de geallieerden is vernietigd. Laat ons voortgaan met vechten. Ons devies luidt: onafhankelijkheid of de dood. Aan Dai Nippon breng ik grote dank". 

Op 17 augustus werd formeel de Republiek geproclameerd. Het Centraal Nationaal Comité schreef in een pamflet op 29 augustus 1945: "Het is thans de plicht van het gehele Indonesische volk om de regering van het vrije Indonesië te steunen". Gedurende deze periode begonnen groepen als Seinendan, Keibodan en Barisan Pelopor aan de Bersiap. Daarnaast werden de BKR (Badan (organisatie) Keamanan (rust en orde) en Rakjat (volk)) en de Partai Nasional Indonesia opgericht. 

Hatta verklaarde dat vanaf 1 september 1945 van alle gebouwen de republikeinse rood-witte vlag moest wapperen en men elkaar diende te begroeten met het woord "Merdeka" (vrijheid), onder het opheffen van de rechterarm. 

Einde van Nederlands-Indië

Op 6 september 1945, drie weken na de Japanse capitulatie, werd bekend gemaakt dat "Admiraal Lord Louis Mounbatten aan de Japanse commandant van Java een strenge berisping heeft doen toekomen naar aanleiding van de 47 oprichting van een Indonesische, door Japanners gesteunde, republiek".  

Het eerste geallieerde schip, de Cumberland, zette half september een detachement aan wal, ruim een maand na de capitulatie.  De 18de september vonden de eerste rellen te Batavia plaats en werd vrouwenkamp Tjideng aangevallen.

Luitenant-gouverneur-generaal Van Mook hield op 20 september 1945 een bemoedigende toespraak, die hij eindigde met de woorden "Nederlands-Indië zal herrijzen". Op 29 september landden de eerste geallieerde bezettingstroepen op Java. 

Volgens generaal Christison waren de troepen bestemd ter bescherming en evacuatie van krijgsgevangenen en geïnterneerden. Te Soerabaja gaven de Japanners hun wapens over aan inlanders. 

Daar landden op 25 oktober eindelijk ook Britse en Brits-Indische troepen, die onder meer Bandoeng bezetten. Soerabaja intussen werd na de moord op de Engelse brigade-generaal Mallaby het middelpunt van een oplaaiende strijd . 

Intussen voelden de geïnterneerden en de vrije Europeanen op Java zich steeds meer een speelbal in de hand van hogere machten. Van iets, waar men niet tegenop kon en waardoor men afgleed naar een sprakeloos aanvaarden of een razend verwijt wat betreft alles hen na jaren van Japanse terreur aangedaan. 

De Bersiap barst los

In de daarop volgende maanden werden laffe sluipmoorden tot onderdeel van een dappere strijd verheven. Gewelddadige ontvoeringen brachten nieuwe verliezen. Overal, van achter bomen en muren, floten de kogels. Krijgsgevangenen bleven opgesloten in kampen. 46 Australië, waar grote voorraden gereed zouden liggen om naar Nederlands-Indië te worden verscheept, weigerde de goederen te zenden "omdat daardoor de republiek zou worden benadeeld". 

Reeds na enkele weken deden berichten de ronde over vrienden en kennissen die op geraffineerde wijze waren vermoord. De hele dag werden over de radio nationalistische opruiende redevoeringen gehouden. Overal vonden moordpartijen door extremisten plaats. De Engelse bezetting was onvoldoende en de geëvacueerden, uit de kampen van Midden-Java, die naar Soerabaja waren overgebracht, kwamen zodoende van de hel in het vagevuur

Extremisten kwelden weerloze burgers met duivels genot. Martelen, verbrandingen, verdrinkingen en andere moordpartijen waren aan de orde van de dag. Rondom Bandoeng verzamelde zich bendes om de stad aan te vallen. Soerabaja was intussen vervallen tot een oorlogsterrein. In deze stad werden de meest afschuwelijke wreedheden door de extremisten gepleegd. De inheemse radio-omroeper meldde dat "hij het noodzakelijk vond alle vijanden van de republiek te doden". 

Te Batavia bekladden republikeinen de trams met ophitsende opschriften. Het monument van Van Heutsz werd besmeurd met "vrijheidsleuzen". De gruwelen te Soerabaja, de aanvallen op de vrijwel onverdedigde vrouwenkampen op Midden-Java, de ontvoeringen en moorden. Dit waren allen voor velen redenen te over te besluiten tot evacuatie naar het moederland.  

Temidden van deze chaos werden Nederlandse dienstplichtigen geacht Orde en Vrede te herstellen. Zeventig jaar later bekijken "wetenschappers" vanuit hun leunstoel of men aan deze jonge soldaten, waarvan meer dan 6.200 sneuvelden,  de term "oorlogsmisdadiger" kan toekennen.......


 

f t